De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 1/Willem Tybout, en Kornelis Ysbrantse Kuffeus
| ← Dirk en Wouter Crabeth | De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 1 (1718) door Arnold Houbraken | Aart Verhaast, en Gysbert vander Kuil → |
[ 30 ]
In en na den tyd van DIRK, en WOUTER CRABETH, waren ook in bloei Willem Tybout, en Kornelis Ysbrantse Kuffeus. Van deze maakt, behalve den Goudze Chronyk, ook Samuel Ampsing, in zyne beschryving van Haarlem gewach, en pryst [ 31 ]hun Konstwerk aldus in vaarzen:
Hoe dapper meesterlyk kon TYBOUT glazen schryven,
En wat heeft KUFFEUS hand in deze konst gedaan?
W. Tybout stierf den 24 van Wiedemaand in 't jaar 1699, oud 73 jaren, en Kornelis Ysbrantse Kuffeus den 24 van Bloeimaand, in 't jaar 1618.
D. van Bleiswyk in zyne Beschryving van Delf, gedenkt op 't Jaar 1563, van gemelden Willem Tybout, en zeid: Dat hy, in 't Noordkruiswerk van de Nieuwe, of St. Ursels Kerk te Delf, een uitnemend konstig glas geschilderd heeft: waar in het afbeeeldzel van Philips den Tweeden, Koning van Spanjen, nevens dat van zyn derde vrouw Elizabeth de Valois, oudste Dochter van Hendrik den Tweeden, Koning van Vrankryk, beide knielende voor een tafel daar twee boeken op lagen, vertoond wierden. Zy waren in hun pragtig Koninklyk gewaad afgebeeld, ieder met een beschermheilig achter zich, en de geslachtwapenen boven hun hoofd. In de bovenhelft van 't glasraam stond afgebeeld de Oostersche Koningen, eerbied bewyzende aan Jesus, die op den schoot van Maria zat, met een groot gewoel van Beelden rondom haar heen: braaf geteekent en geschildert. Zulks de Konstkenners daar groote agtinge voor hadden. Gelyk ook voor 't konstig geschildert glas in de Kapel van de Hooge Heemraden van Delfland, die alle levensgroot ten voeten uit, in 't harnas natuurlyk geleeken, afgemaald waren, door den Konstigen LAURENS VAN KOOL.
Van WILLEM TYBOUT, zietmen nu noch, ten staal van zyn Konst, op de glazen van het groot vertrek van de voorste Doelen, binnen Leiden, alle de Hollandsche Graven, ten voeten uit geschil[ 32 ]dert, welke hy gevolgt heeft (schryft Michael Vosmerus, in zyn Boek, dat hy noemt Principes Hollandiæ.) naar de afteekeningen die hy gemaakt hadde, naar de oude muurschilderyen in 't Klooster van de Karmeliter Monniken, of de Lieve Vrouwe Broeders, gesticht in den jare 1249 binnen Haarlem, na dat de beschilderde paneelen, met de zelve Beeltenissen der Graven beschildert waren. Doch Kornelis van Alkemade (in zyn Voorbericht op de Hollandsche Rymkronyk van Melis Stoke) spreekt gemelden Schryver dies aangaande op pag. 8, tegen, en wil dat deze alleen voor egte namaakzels, gehouden moeten worden, welke de Kloosterlingen (wanneer de eerste en egte afbeeldzels met waterverw op den muur geschilderd, door afbryzelinge des muurs en onduurzaamheid der waterverwe verdonkert waren) op houte paneelen lieten schilderen, en die van de Magistraten van Haarlem, in 't laatst van de 15 Eeuw, uit de klaauwen der Beeldstormers gered, en geplaatst zyn op de voorzaal van hun Stadhuis, daar zy noch te zien zyn. Waarom gemelde Alkemade, de zelve ook heeft uitgekeurt, om 'er den laatsten druk van Melis Stokes Rymkronyk, mee op te sieren.
Ik laat deze tegenrede in hare volle waarde, maar moet omtrent de printverbeeldingen zeggen: dat, zoo de zelve in allen deelen naaukeurig gevolgt zyn, naar de oude afbeeldzels op de Klooster paneelen, ik my niet verbeelden kan de ware Beeltenissen der Hollandsche Graven te zien: Aangezien verscheide beelden noch gaan noch staan konnen, noch eenige maatschikkelykheid van deelen tot het geheel, daar in is waargenomen, 't geen my doet agterdenkende worden, dat de Teekenaar even zoo min achtgevingen, in 't navolgen der [ 33 ]onderscheiden wezenstrekken gebruikt hebben.
Deze zoo overheerlyke oude pronkstukken( gelyk Alkemade verder voortgaat) met veel arbeid geschildert en zorge bewaart, by de liefhebbers der oudheden in zoo groote agting, dat ze die Stad niet doorreizen, ten zy ze deze eerwaarde oudheid begroet, en met veel genoegen beschout hebben, enz. mogen wezen wat zy willen, ik wilde liever hebben die konsttafereelen van Kornelis Korneliszen daar 't Prinsen Hof te Haarlem mee pronkt: en die in zoo groote waarde gehouden werden, dat voortyds voor een geschilderde Voet (zoo die uit een der Tafereelen gesneeden mocht worden) 600 guldens geboden wierden; waar op de Dichter Jan Vos spreekt, en als met den vinger daar op wyzende, zegt:
Dit is de Voet daar Luit tot honderd pond voor biet:
Maar Utrecht heeft een Voet, dien gaf het graag voor niet.
Zyn honderd pond, daar niet, wat heeft het Sticht voor reden?
Haar Voet wil uit de Kerk, tot in het Raadhuis treden.