De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/''Tusschenrede, Persoonverbeelding''
| ← Ossenbek | De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen, deel 2 (1719) door Arnold Houbraken | Mathias Withoos → |
[ 171 ]Verandering van spys (zeit het oude spreekwoort) maakt nieuwen eetlust. Even dus willen wy den Lezer thans met het opdisschen van een tusschenreden tot nieuwen leeslust opwakkeren.
Gelyk de enkele woorden door het byvoegsel bepaalt worden tot hun zeker beduidzel, als by voorbeeld: Myter beteekent een Biskops muts, of hoed, en door bepaling van ’t bywoord Kaas, ’t bederf in de zelve. Ezel beteekent het bekende langoorig Dier, en door ’t bywoord Schilders, hun gereedschap dat de Tafereelen draagt. Maant beteekent een der 12 deelen van ’t jaar, en zoo ’er van Gelt by gemelt wort, ymant over schult aanspreken. Nagel is het schilt van ’t voorste onzer vingeren, maar St. Josephs Gildebroeders verstaan een Spyker door dit woord: gelyk ook Duimen, Boomen, Veeren, Pannen, Schyven, Zwaluwstaarten, en dergelyke benamingen meer, by hen in een andere beteekenis worden opgevat, dan by ’t gemeen, en dus door het byvoegsel moeten bepaalt, en onderkent werden. Even zoo geven ook de byvoegselen, bekleedingen, en eigen wezenstrekken, met den eersten opslag van ’t oog de verbeelding der Tafereelen te kennen, daar men anders na zou moeten raden. Dus hebben van oude tyden af de vermaardste Konstschilders de voor[ 172 ]naamste beeltenissen in hunne werken doen spreken, en ’t geen ’er voorts aan ontbrak, door byvoegzels opgeheldert.
Het naaste middel om hen in dit loffelyke spoor der Persoonverbeelding na te stappen is, dat men de perzoonen die men in een Historie verbeelden wil, in zulken gestalten, en met zulke bekledingen, en byvoegselen, als hun eigen is, en toebehoort, vertoont; aangezien het de bekleedingen zyn, die een Bedelaar van een Konink doen onderkennen. Des moet een Konstoeffenaar hier acht op geven, of hy maakt zich bespottelyk voor Konstkenners.
De onderwyzingen die altoos met berispingen (als de Monniken) verzelt gaan, leeren best, doch ik wil den gemakkelyksten weg inslaan en onderwyzen door voorbeelden.
Wil men den Aartsvader Abraham (om maar een gemeen voorbeelt voor te stellen) verbeelden, daar hy zyn dienstmaagt Hagar met haren Zoon uitleit, zoo dient voor af opgemerkt dat hy is geweest een Man van jaren, achtbaar van wezen en groot van vermogen, zoodanig, dat, wanneer de vremde Koningen de vyf steden in het dal Siddin gelegen, vyandelyk aangetast, de Opperbevelhebbers met den zwaarde gedood, en onder den roof ook zyn bloetvriend Lot mee gevoert hadden, hy, gesterkt met de inboorlingen van zyn huis, hen najoeg, sloeg, en Lot met den geroofden buit uit hun handen rukte.
Ook dat de Oosterlingen welke vermogende en hoofden der volken waren, altyd prachtig met dierbare gesteenten omhangen, en met kostbare zyde bekleed gingen.
Denk niet, Schilderjeugt, dat het noodelooze [ 173 ]kleinigheden zyn die ik u tot een last wil opdringen. Gy kontze met zulken naam doopen als gy wilt.
Het geeft aan uw Tafreel een ongemeen sieraad,
Als gy naau acht op all’ die kleinigheden slaat.
En gy zult by d’uitkomst bevinden dat zy wezentlyk behooren tot de Persoonverbeelding die voor al in een Historische verbeelding in acht moet genomen werden. Hoor wat Horatius door zyn vertaalder omtrent dit stuk aan de Dichters belast, ’t geen wy met weinig verandering op de Schilders toepasen.
Daar by is ’t noodig, dat een Schilder volge, ’t geen
Aan yder is bekent van Helden, in geschichten
Befaamt, en alles, dat hy daar wil by verdichten,
Wel overeenstemm’ met de reden van zyn’ held.
Wanneer ge op uw Paneel den Vorst Achilles stelt,
Verbeeld hem dapper, onverbidlyk, straf, verbolgen;
Hy weig’re wetten, recht, en redenen te volgen,
En laate, al ’t geen hem raakt, afstuiten op zyn kling.
Medéa toon’ zig wreed van aard, door geenig ding
Omzetlyk. Ino moet tot schreyen zyn genegen;
Orestes droef te moe..........
En wat verder,
Zoo let, dat uwe Konst elk voorstelle in dien schyn,
Gelyk de menschen in natuure, en jaaren zyn.
Denk ook niet by u zelve: niemant zal op zulke dingen zoo naau acht geven: nog laat het spreekwoort: Alle Konstminnaars zyn geen kenners, [ 174 ]u bedriegen. Onder de Schryvers is deze spreuk ook in gebruik; maar ’t zyn van de slechtste soort die zig daar bedrieglyk mee vleien. Let wat voorgemelde Dichter daar af zeit, en past het op u zelf toe; op dat het u ten spoor zy tot aanprikkeling van uwen yver, in de loopbaan der Konst.
Maar alle Leezers, zegt ge moogelyk, zyn juist
Altyd geen kenners. Zal ik daarom voor de vuist
In ’t wild heen schryven? of van mynen leezer hoopen,
Dat hy licht over myn’ misslagen heen zal loopen,
En myne feilen, als niet hebbende om het lyf,
Zien door de ving’ren, wen ik maar gedichten schryf?
Heel fraay! Men zal my ligt van grof, en bot te dwalen
Vrykeuren; maar wat lof, wat eer zal ik behalen?
Maar licht zal iemant zeggen: men zou evenwel (schoon Abraham niet bekleed was als vereist word) zien, dat het Abraham verbeeldde door het byvoegsel van Hagar en Ismael. Dat zy zoo: echter voldoet het aan den regel der Persoonverbeelding niet, die met het byvoegsel gepaart moet gaan; want zou het niet belachelyk wezen, dat men twee Vrouspersoonen met slechte, en ongeziene bekleeding afmaalde, en de zelve door het byvoegen van een Adder, en Kelk met vergif, wilde aangezien hebben voor Kleopatra en Sofonisba? Zoo dat in diergelyke voorwerpen de volkomen Persoonverbeelding met het byvoegsel moet t’zamen gaan.
De byvoegselen, zyn, of eigen, of gezochte: de eigen zyn deze waar van wy aangeroert hebben. De gezochte zyn zulke die alleen uit nood, wanneer ’er geen andere aan de hand zyn, gebruikt worden. Een Schilder zal ook voorwerpen ontmoeten, die enkel aan het byvoegsel kenbaar zyn; om datze buiten het zelve geen bepaling hebben als in opzicht van ’t geslacht. Als by voorbeelt, hy schildert een oud Mannebeeld bitterlyk weenende, en een Vrouwenbeeld dat hare zonden met neergeslagen oogen beschreit, niemant zal [ 176 ]immers konnen ramen dat het eene Petrus, en het andere Maria Magdalena verbeeld, zoo men by d’eerste niet twee sleutels, of den Haan, en by de tweede een Balzemfles verbeeld ziet? maar wil de Schilder den Petrus tegens andere voorbeelden verleelyken of de Magdalena vermooyen zulks werd den Konstenaar toegestaan. Gelyk ook wanneer het Penceel tegen de waarheid aan Andromeda (die een Morinne was) lelyblank vertoont, daar Perseus haar verlost van de rots, en de kaken van ’t Zeemonster: om dat de Schilderyen dienen tot verlustiging der oogen, en sieraad der wanden, daar een Lelyblank naakt, by een Molswartvel veel in voor uit heeft. Met noch meerder vryheid machmen Jupiter verbeelden met den halfvoldragen Bacchus, (gered uit het vuur dat zyn Moeder Semele verteerde) in zyn arm (gelyk wy ’t hier dus in print verbeelden) schoon de Fabel zeit: dat hy ’t Kind in zyn Dye verborg en voedde; om dat uit het vervolg van deze Fabel blykt, dat Jupiter Bacchus heeft ter opvoedinge bestelt by de Nimfen, die zeker gedeelte van een Berg by de Stad Nysa, in Indien bewoonden, welke in de Griekse tale Meros geheeten word, het welk ook een Dye beteekent. Zie L. Smits in zyn Kantschrift op Nasoos Hervorm. p. 79.
Vele Historien brengen hare eigen sieraden en kenbaarheit mee, en geeven den Konstoeffenaars gelegentheit om de zelve op verscheiden wyze te konnen verbeelden, door den zwier der omstandigheit die de zelve nasleepen, en uit de menigvuldige veranderingen die zig daar in opdoen. Nochtans moet een Konstschilder de zelve vertoonen in dat tydstip, daar in de zekerste kentekenen zich opdoen, en waar door men aan de [ Plaat ]

’T gaat in dit geval met de Schilderkonst, als met de Toneelspelers. Hoe natuurlyker zy de persoonen, in welker plaats zy op den Schouburgh verschynen, in bekleding en zwier weten te verbeelden, hoe meer genoegen zy d’aanschouwers daar door geven. [1] Moliere, wanneer hy den eigezinnigen natuuronderzoeker Jakobus Rohault wilde ten Toneel voeren, wist deszelfs hoed, op een vremde wyze geplooit, ter leen te krygen. Dien zelven hoed deed hy den speelder zoo wel gebruiken, dat al de aanschouwers meenden, dat Rohault zelf op het toneel verscheen, en behaalde hier door grooten roem.
Zoo iemant zeggen mocht, datmen zulk behulp niet altyd aan de hand en gereed heeft, dien geef ik tot antwoort: Dat zulken welker beeltenissen op penningen en in marmer afgebeelt zyn, den zwier hunner bekleedingen daar by aanwyzen.
Hulp genoeg is den Konstschilders, schoon [ 178 ]zy niet altyt gelegentheit hebben om zich van de marmere beeltenissen te bedienen, aan de hand door de Graveerkonst.
De beeltenissen der oudste en geachtste Konstschilders Apelles, Zeuxis, Nicomachus, Phidias, Pauzias enz. helthaftige en beruchte Vrouwen als Semiramis en meer andere, ook d’aloude Filosofen en Dichters, zoo Grieken als Latynen hebje in de boeken van Joach. Sandrart, en in de Griekze oudheden van Tom. Stanley, en Kennet, met aanwyzingen in wier Konstkabinetten de zelve voor den verslindenden tyd geborgen zyn; als de Beeltenissen van Aristoteles, Socrates, Plato, Zeno, Antistenes, Diogenes enz.
Ovidius, Virgilius, Horatius, Tasso, en andere Italiaansche en Latynse Dichters vintmen nevens andere beruchte Mannen als Seneca, Cicero enz. gevolgt naar hun marmere borstbeelden op de Tytels van hunne beruchte werken: de Roomsche Cezars gevolgt naar hunne Muntbeeltenissen by Joach. Oudaan, by Bogaart in zyn Roomsche Monarchy, en inzonderheit de eerste XII in de printverbeeldingen van Titiaan. Eindelyk de waardige beeltenis van onzen Heilant Jesus, naar de geloofwaardigste afbeelding, overeenkomende met de beschryving die Pilatus daar van gegeven heeft in een brief, gezonden aan den Roomschen Raad, in de Kerkhistorie van Ireneus geboekt. In de Kerkl, en Waerelt. Historie van W. Goeree vint men de beeltenissen van Herodes den Kindermoorder, Herodes Antipas, met Herodiae, Esopus en anderen meer. Zeker wanneer de eigen Beeltenissen in d’oude Historische verbeeldingen wierden waargenomen, zouden de beleezen Konstminnaars, inzonderheit de liefhebbers van Medalien, en an[ 179 ]dere Oudheden hun welgevallen daar in vinden.
Deze voorstelling en leiding heeft tot haaren grontsteun en voorbeelt het grootste licht der Konst Rafael Sanzio van Urbyn. Deze heeft in het groote konststuk in de Zegelkamer op ’t Vatikaan, verbeeldende de School van Athenen, de beeltenissen der voornaamste waereltwyzen kennelyk daar in te pas gebragt, als Aristoteles, Plato, Diogenes enz. En in zynen verbeelden Parnasheuvel, de Beeltenissen der beruchste Dichteren tot op zyn tyt toe, ’t welk zyn konstwerk geen geringen luister heeft bygezet.
Hoor wat van Mander ’t zyner roem daar van zeit, in zyn levensbeschryving op pag. 51. Alle de beeltenissen der oudtytze beruchte Dichters, uit marmere pronkbeelden en gedenkpenningen opgegadert, heeft hy in dit werk afgemaalt, en de levendigen daar in naar ’t leven afgeschildert; Virgilius, Ovidius, Ennius, Tibullus, Catullus, Propertius en Homeer, die blind met verheven hooft zyn vaarzen zingt, en aan zyne voeten een, die toeluisterende de zelve opschryft. Ook ziet men de geleerde Saffo, den sierlyken Dantes, den lustigen Petrarcha, en den verliefden Bocatius, Tibaldeus, en meer anderen, die by troepen op den zangberg onder de schaduwe der Laurieren neergezeten, of schryven, of zingen, of spelen enz. Ook word gezeit, dat hy de wezens der Zanggodinnen, elk in ’t byzonder, gevolgt heeft naar de marmere beeltenissen.
Rafael is d’eerste niet geweest van deze uitvinding: voorbeelden van Konstenaren in vroeger tyd hebben hem tot dit loflyk doen gespoort. Wilt gy ’er de proef af zien ten bewys van het gezegde, die sedert den ondergang van Troje, en [ 180 ]Karthagoos bloeityd af in geheugen bewaart is; zoo volg met my den Rymtrant van den grooten Vondel, daar hy in zyne vertaling van Virgyl op pag. 150, den inhoud der beschilderde wanden van Didoos tempel beschryft: en hoe Eneas (terwyl hy de Koningin daar wacht) zyn eigen beeltenis en die van andere Griekse Helden by hunne bedryven beschouwende, de zelve aan hunne wezens, schoon met bloed en stof bemorst, kent, en hier door des te meer met deernis over hun ongeval bewogen, eindelyk in tranen uitborst.
Want middlerwyl hy hier de Koningin verbeide,
In deze groote Kerk den rykdom overschat;
Verbaast staat om het heil der nieuwgeboude Stadt,
De Kunst des Kunstenaars waardeert met groot verlangen,
En zo veel arrebeits, hier aan te kost gehangen;
Verneemt hy het gevecht voor Troje, na als voor
Den Oorelogh, alree de wyde Weerelt, door
Gedondert. Hy verneemt hier Atreus Zoon naar ’t leven,
Vorst Priam, en Achil, op bei te zamen even
Gebeeten, en gestoort. Hy bleef met aandacht staen,
En weende, en sprak: Achaet, wat oort is niet belaên,
Wat Lant ter Weerelt waeght nu niet van onze elende!
Zie Priam daar. Hier wordt de dapperheit in ’t ende
Met eere en prys gekroont. Hier word ons leet beklaeght,
En niemant vint men, die geen’ rouw hier over draagt.
Laet vaeren alle uw vrees: deez’ kennis zal ten leste,
(Want elk ons onheyl weet,) noch dienen ons ten beste.
Zo spreekt hy, en verzaet zyn droefheid met de lucht
Van yd’le Schilderye, en loost ’er zucht op zuch,
Waar op de traanen langs zyn kaeken nedervallen: [ 181 ]
Want hy vernam de jeught, aan dees zy van de wallen,
Hoe zy den Grieken, die in ’t Velt voor Troje slaen,
Komt vallen op den hals, en jaechtze op ’t Leger aan:
Van d’and’re zyde hoe Achilles, met de pluimen
Op zynen helm, den Fryx te wagen ’t velt leert ruimen.
Niet wyt van hier verneemt hy, schreiende en bedrukt,
Vorst Resus witte tent, die door den slaap verrukt,
Wort overrompelt, en geplondert, en verslagen,
Van Diomedes, Zoon van Tydeus, die den wagen
En heete paerden naer het heir dryft, dat het kraekt.
En lager:
Eneas zuchte uit al
Zyn hart, zo dra hy quam den Oorlogsroof te aanschouwen,
Den Wagen, en het Lyk van zynen halsgetrouwen,
En Priam, die, bedrukt en weerloos, voor de Stadt,
Den trotsen Vyant met gevouwen handen badt.
Hy vond zich zelven ook, by al de Grieksche Heeren,
En onder ’t oorlogsvolk, dat Troje kwam verweeren
Uit Oosten, en vernam hier Memnon, den Moorjaan,
Met zyne standerden.
Boven aan, op de linker zyde, vertoont zig de muntbeeltenis van Antiochus Epiphanes, den drukker der Machabeen.
Tegens over de zelve, die van Filippus van Macedonien met een Laurierkrans om ’t hoofd. Deze werd gemunt ter gedachtenis dat zyn Renkoets den loopprys behaalt had; waarom de zelve ook op het ruggestuk verbeelt staat, en zyn borstbeeld met Laurier gehult, pronkt, dewyl men de verwinnaars gewoon was dus te bekransen. Waar onder aan een snoer de muntbeeltenis van Alexander den Grooten hangt.
Tegens over de zelve hangt het penningbeeld Van Democriet, op den gront van de nis het marmere kopstuk van Heracliet boven het zelve, in het midden van de Nis het gemunte beelt [ Plaat ]

Menigerhande opmerkelyke gevallen leveren ons de schryvers van Philippus, en Alexanders levensbedryven, die een Konstschilder stoffe geven tot verbeeldingen: ’t zy dat hy den Waereltvorst voor de tent van Darius doet verschynen, of daar hy Diogenes aandoet in zyn ton op de markt van Athenen. Om dit laatste, dat dikwerf verbeelt wort, hebben wy ook het Borstbeeld van dien Filosoof in dit tafereel ingelast.
Lust het een Konstschilder, de laakbare ontmoeting die Socrates van zyn booze Xantippe met [3] lydzaamheid verdroeg, te verbeelden, men doe hem buiten gemoetsdrift, terwyl hy van boven uit het venster met water begoten wort, naar om hoog zien, en bediene zig van de eygen wezenstrekken, waar door hy onder de penningkundigen bekent is.
Of lust hem treurstof, en wil hy by voorbeeld de [ 184 ]martelizatie van de Machabeesche Vrouwe met hare [4] zeven Zoonen verbeelden, hy doe dien wreedaard dit bloedig treurspel aanschouwen, en bediene zig van de eygen wezenstrekken op de medalje uitgedrukt.
Of wil een Konstoeffenaar zeedelyke voorwerpen tot zyn doel nemen, en voor leermeester der reede spelen: hy verbeelde de [5] Rede in gedaante van een Vrouw in Amazoons gewaad, en doe haar de jeugt, door den spiegel der voorzichtigheit de waereltse dingen met opmerken beschouwen, om de waarde daar van recht te leeren kennen, en toe te passen: En de Borstbeelden van Democriet en Heracliet in een Nis, of anderzins, in den agtergront daar by geplaatst; verstrekken tot voorbeelden der twee uiterste hartstochten, tusschen welke de Rede den middelweg den besten keurt: of zy dienen tot voorbeelden om te leeren; dat de aart der waereltsche zaken, in opzicht van de toeeygening, van het begryp af[ 185 ]hangen, of dat de zaken naar de gesteldheit des gemoets verschillige uitwerkingen veroorzaken.
Wel is waar dat zulk een wyze van bespiegelinge, meer een opgespannen vernuft vereischt dan andere verbeeldingen: maar dit isser ook met een van, dat de konstenaars met zulks te vertoonen ook meerder lof als anderen verdienen; om dat men van zulken (als Cebes de Thebaner in een ander opzicht zeide) zeggen kan: Zulke Zedemeesters leyden de Menschen, even als men de Ossen doet, met den muil by ’t water.
De dubbele penningbeeltenissen van M. Antonius en Kleopatra konnen een Konstschilder dienen, wanneer hy haar zittende onder een pragtig, met zyde en goud doorstikt scheepspaviljoen, geankert aan de kust van Cilicie, daar Antonius haar in den avondstont verwellekomt, wil verbeelden: of daar zy aan de tafel, die kostbare paarel (ten staal van brootdronken verkwisting) indrinkt ter eere van haren geliefden Antonius.
Menigte van Beeltenissen zouden wy uit medaljes en oude marmere gedenkstukken konnen vertoonen, indien dit onze toeleg was: maar wy hebben alleen het spoor aangewezen waar door elk Konstenaar ’t geen hem dienstig is (indien onze leydinge hem behaagt) kan opspeuren. En waarom de Beeltenis van M. Antonius hier, en Alexander Lysimachus en andere meer, gehult met Ramshoornen op hun geldmunt vertoont worden, daar van zullen wy reden geven in ons vertoog over de Feestviering van Bacchus.
Dit zy genoeg gezeit, en willen wy onze Redenvoering sluiten met den Heere D. v. Hoogstraten, die in zyn Berecht voor de Aanmerkingen [ 186 ]over de geslachten der zelfstandige Naamwoorden zig aldus laat hooren: Dringers en Dommekrachten styf op hun stuk staande weet ik dat hun voorhooft zullen kreuken, noch zig op laten dringen iet daar zy niet aan gebonden willen zyn enz. Yder kan by zyn meening blyven, die van gedachten is, dat wy knorven in biezen zoeken, en eene angstvallige naaugezetheit willen invoeren, die van geener waarde te houden zy.
De Lezer moet niet kwalyk nemen dat ik al weer zoo breed in deze buitenweiding heb uitgespat, zonder verlof, en tegens myne belofte. Ik bind my (de zaak zulks vereissende), daar zoo vast niet aan als de Schotze Monnik Paternus, die zig in het Klooster tot Paderborn liet verbranden; om dat hy geen verlof van den Prioor gekregen had, om daar te mogen uitgaan.
- ↑ J.B. Mencken, in zyne Redenvoer, over de zotte kuuren der Geleerden.
- ↑ Beste bekende.] Nu nog zyn de gedrukte Medaljes, die men in de Boeken ziet, niet naar hun rechten aart na de Konst verbeelt. Meest zietmen de zelve maar in eenen enkelden omtrek, als afgeschetst, gelyk by J. Oudaan en meer anderen, zomwyl ook met schaduw aangevult; dog zoo dat het meer naar een printverbeelding, als Medaljeverbeelding gelykt; om dat men ’er zelf doorzichten op verbeelt ziet, tegens den aart der Medaljen, die by wyze van opkoming niet by inschieting hun bestempeling doen zien. Die Keizerlyke Muntstukken welke men in ’t Muntkabinet van den Heer Schynvoet ziet, hebben veel gelykenis naar die welk wy vertoonen: en de Fransen hebben ’t thans ook veel nader aan de rechte verbeelding gebragt als voorheen, maar niemant die de zelve verbeelt heeft (ik met voordacht ook niet) als zy moeten verbeelt worden: maar waar in de rechte verbeelding bestaat, en wat wyze van behandeling daar omtrent moet gebruikt werden blyft ongezeit, tot my de gelegentheid voorkomt van het bestier van een groot werk, wanneer ik klaar zal konnen betogen, dat niemant op het geene tot de rechte verbeeldinge der Medaljes behoort waargenomen te werden, ooit gedacht heeft.Een Vogelaar (zeit Gratiaan) werpt geen meer zaad, dan noodig is om zynem Vogel te vangen.
- ↑ Lydzaamheid] welke daar in bestont dat hy zonder eenige drift, of weder schelden, alleen tegens haar zeide: ik had wel gedacht dat na een stormbuy van scheldwoorden een stortregen volgen zou. En als iemant hier over verwondert zynde tot hem zeyde, hoe hem mogelyk was zulks te verdragen? dien gaf hy tot antwoord: kont gy ook het gekakel van de Hoenders wel beletten die over de werf loopen?
- ↑ 2 Machabeen Cap. 7.
- ↑ Rede] Deze hebben wy vertoond in ons Toneel van Zinnebeelden &c. met een Wapenrok, en Krygsmantel, in de eene hand een spies, in de ander een schilt met het hoofd van Meduza, en een Helmet gepluimt met een vuurvlam, op ’t hooft. Wy vonden reden om het vuur, een zinnebeeld van zuivering en beproeving, aan de zelve toe te passen; aangezien de Rede, geen ware Rede is, ten zy de zelve van vooroordeelen en dwalingen gezuivert is. Borstpansier en speer, zinteekenen van dapperheit en macht, zyn haar toe gevoegt; om dat zy niet alleen de harstochten van anderen, maar ook van zich zelve weet te bedwingen. ’t Hooft van Meduza op den stalen schilt beduit, dat, gelyk door de vertooning van het zelve de vyanden van Perseus versteenden, zoo ook al wat tegen de Rede aandruist, verstommen, of na een weynig tegenstant, veltvluchtig den kamp moet gewonnen geven.