Naar inhoud springen

De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Abraham Bisschop

Uit Wikisource

[ 222 ]ABRAHAM de jongste had die gelegentheit niet die zyn Broeder vond, maar moest zig het beeldenschilderen (een zeker inkomen voor het huisgezin) getroosten. Doch dit belette hem egter niet de leydingen van zyn natuurdrift by de minste gelegentheit die hy vond, te volgen. Hy begaf zig tot het schilderen van allerhande vogelen, inzonderheid Hoenderen: daar hy thans door byzonderen [ 223 ]vlyt, in gestadig zig naar ’t leven te oeffenen, in gevorderd is, dat men hem wel onder de bekwaamste in die oeffening stellen mach. Dus veel vermach de natuurlyke aandrift, en het onvermoeit yveren. Waarom ook Aristoteles al wist te zeggen: Om een uitstekent man te worden in eenige oeffeningen, hoedanig die ook wezen mag, moeten drie zaken te zamenloopen, Natuur, Vlyt en Oeffening. Reeds heeft hy verscheide groote stukken, om ruime zalen te sieren, zoo in Zeelant als elders gemaakt, daar hy allerhande soort van gevogelten in te pas gebracht heeft, elk in hun aart zo natuurlyk krachtig gekleurt, en dun, en helder geschildert dat ik my daar over heb moeten verwonderen. Ik spreek vryborstig, en weet ’er (schoon ’t myn doen niet is) beter van te oordeelen, als de Bisschop van Mechelen van de Dichtkonst deed, van wien vertelt wert dat, toen J. van den Vondel zyne onverbeterlyke Altaar geheimenissen aan hem opdroeg, hy aan hem schreef, indien hy zoo voortging met rymen, dat hy dan noch een tweede Jak. Kats zou worden.