Naar inhoud springen

De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Adam Pynaker

Uit Wikisource
[ 96 ]Welk droevig lot de brave penceelkonst van
ADAM PYNAKER. (hy was geboren in ’t Jaar 1621, in’t Dorp Pynaker gelegen tusschen Schiedam en Delf) somwyl mee treft, zoo dat, wanneer hy eens ’t hoofd uit zyn grafzerk opstak op die prullen daar men thans de kamers mee behangt zou vloeken; ziende dat zyne beschilderde kamerdoeken worden opgerolt, om voor altyd naar de zolders te verhuizen, om dat de Mode die Zaal buitentyts heeft ingehuurt.
Hy heeft drie jaren in Italien geweest, om zyn konst naar brave voorbeelden voort te zetten, welke [ Plaat D ]
 
Jak. Houbraken sculp.
 
[ 97 ]tyd hy yverig zoo met naar het leven te tekenen, als te schilderen heeft waar genomen.
Gelukkiger zyn zyne beknoptelyk beschilderde Taferelen, dan zyn groote stukken: want dezelve op behangzels, en in Konstkabinetten geplaatst, hun achting behouden. Ik heb ’er van gezien waar in zig een bosch met dicht geboomte liet zien, Konstig, natuurlyk en vermakelyk geschildert: hier een troep boomen in de blauwe lommer: daar een invallend zonnelicht, welk de groene meyen met gloeijende tintelingen schildert, ’t eene tegen ’t andere zich doet redden en ruimte maken. Het was vergeefs zoo ik daar meer van zeide, wyl de brave Dichter P. Verhoek het vermogen van zyn Penceelkonst, by gelegentheit van dat hy een zyner beschilderde Zalen beschryft, naar waarde door zyn dichtpen dus heeft afgemaalt:

Dus wint het kloek penceel meer velds, nu alle wanden
Der zaale, staan bemaald met konstige waranden,
En groene bosschen, van een morgenzon bestraalt,
Die glansryk uit de kim op wilde kruyden daalt,
Den dach schept, dat wie konst verstaat, staat opgetogen,
En waant Italien t’aanschouwen met zyn oogen.
Zoo zag Vorst Hannibal van d’ Alpes neergedaald,
Door d’aardige Natuur een gouden oegst gemaald,
En hitste ’t krygsvolk op, door’t zien der schoone landen,
Terwyl dat oogvermaak den lust deedt watertanden.
Men vind de schikkonst hier natuurelyk verstaan.
De voorgrond is met kruid en stammen ryk belaân
En uitgevoert, als’t eerst dat ’t oog komt aan te schouwen.
Men ziet de gronden voorts al meer en meer verflouwen

[ 98 ]

En deinzen, mylen veer, tot daar het bleeke azuur
Der bergen wort geverft, met glans van’t zonnevuur.
........
Hier strekt de rots zyn kruin ten Hemel, woest bedekt
Met heggen, ruigte, en braam, van klimop los omstrengelt.
Men let hoe aardig haar natuur door kleuren mengelt;
Hoe milt, zelfs aan den steen, zy haar sieraden geeft;
Terwyl een gansche stroom van boven neerwaarts streeft,
Het water ruist, en bruist, en stuift, gelyk een reegen.
De zilv’re beek bevocht de dalen, stroomd een zeegen
Van Vrugtbaarheit hun toe: het half verwelkte groen
Schept leven, groeit, en bloeit, in’t edelste saizoen.
De boomschors ruyg van mos verbeeld hier d’eyk, die rustig
Drie eeuwen stand houd, en vertoont zig groen en lustig,
Gelyk de Berkenboom gekent word aan zyn bast:
Hun kruinen, bruin en dicht, met bladeren vermast,
Beschaduwen den grond, en stuiten Phebus stralen.
De Harder kwinkeleert in deze groene dalen,
En speelt een Veldtlied, op den driesprong, daar ’t geluit
Een dubblen weerklank kaatst, en nabaaut zyne fluit,
Terwyl de Koeye, en Geit, en Schapen zig verzaden.
........
My dunkt ik stap alree door dartle wildernissen
Der weelge kruyden, en hoor ’t ruiss-hen van de blaân.
Al wat het oog vermaakt, lacht ons hier lieflyk aan;
Pynakkers konstpenceel braveert dus de tapyten,
Die lam, en styf, en hart, in kort haar kleuren slyten;
Gelyk de bittre nyd verbleekt op ’s mans bestaan.
Hier kan Heer [1] Backer, als ’t geboomte, ontbloot van blaân,

[ 99 ]

En ’t grazelooze Veld behyzelt staat, met duinen
Van jacht sneeu overstolpt, dees bladerryke kruinen,
Beschouwen, groen van loof, een Somer voor het oog.
Hier kan hy afgeslooft door Staatzorg, weer den boogh
Ontspannen; zig in dees bespiegeling verlusten.

Hy is gestorven in ’t jaar 1673, maar zyn roem door ’t penceel behaalt, en zyn beeltenis geplaatst in de Plaat D. 2 blyft duuren.

  1. Kornelis. Schepen. Raadt, en Bewindhebber der Oost-Indische Maatschappy, te Amsterdam.