De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Aldert van Everdingen
| ← Jan van Everdingen | De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen, deel 2 (1719) door Arnold Houbraken | Adam Pynaker → |
[ 95 ]ALDERT van EVERDINGEN, tweede Zoon van den geheimschryver Jan van Everdingen, en Broeder van den Konstschilder Cezar van Everdingen geboren tot Alkmaar 1621, heeft tot leermeesters in de Konst, eerst Roelant Savry daar na Pieter Molyn van Haarlem gehad, onder welker opzicht hy zoodanig in de Konst toenam dat zy zich niet schaamden, hem voor hunnen leerling te groeten. Vele pryswaardige konststukken zyn tot Amsterdam en elders onder de konstlievenden verspreit, die altyt betuigen zullen dat hy een groot meester in de Konst geweest is, niet in een enkel deel, maar genoegzaam in ’t algemeen; want men ziet Lantschappen van hem, met Beesjes en Beeltjes zoo wonder fraay geschildert, en dicht beplante bosschen, daar het oog door hun diepte geen end aan ziet, en de getroste meyen zoo spelende en dartel geschildert: dat zy zich tegens de lucht schynen te bewegen: en watervallen, en zeestormen, waar in de brandinge van ’t Zeewater tegens de harde rotzen, en de dunne afstuivende sprenkelingen zoo natuurlyk dun, en geestig zyn waargenome dat de stukken voor meesterstukken mogen doorgaan, maar inzonderheit heeft hy uitgemunt [ 96 ]in ’t schilderen van Noortsche lantgezichten, daar hy by zeker toeval gelegentheit toe vont om afteekeningen naar leven te maken; want hy zig naar eenige plaats aan de Oost Zee te scheep begeven hebbende beliep hem eene gevarelyke storm, die hem willig of onwillig niet onbeschadigt op de kust van Noorwegen deed belanden. Den zelven natuurlyken aard heeft hy ook in zyne gekoleurde teekeningen waargenomen, waar van ’er de konstminnende Heer Jero. Tonneman verscheiden in zyn Konstkabinet heeft. Zyn Beeltenis staat in de Plaat D. 1.
Hy was naarstig in ’t schilderen, yverig in ter Kerk te gaan, en niet misdeelt van verstant. Hy stierf, zyn levensloop geeindicht zynde, in Slachtmaand 1675, en liet na drie Zonen, waar van ’er twee zig tot de oeffening der Konstbegaven, van welke de middelste Pieter genaamt noch leeft.
’T was te wenschen dat onze Everdingen zyn konstpenceel zoo menigwerf niet had afgesleten op groote doeken welke dikwils in den wech hangen en met een scheef gezicht begluurt worden, nu de Mode Tapytzeryen en andere blinkende vodden (de pest voor de konst) alzins invoert.
