De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Bartolomeus vander Helst
| ← Marten Heemskerk vander Hek | De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen, deel 2 (1719) door Arnold Houbraken | Jaques Wabbe → |
[ 9 ]Om dezen tyd werd ook de Fenix der Nederlantsche Portretschilders BARTOLOMEUS vander HELST tot Haarlem geboren, wiens Beeltenis in de Plaat A onder de Beeltenis van Ger. Dou, en nevens het zelve twee brandende fakkels, ten teeken dat zy twee groote lichten in de Konst zyn, gezien worden.
By wien hy de Konst geleert heeft weet ik niet, maar wel dat hy een uitnement Meester in ’t schilderen van Pourtretten is geweest, waar van de bewysstukken nog in wezen zyn.
Onder de menichte van zyne konstig geschilderde Beeltenissen steekt uit het groote Schutters stuk, thans op des Krygsraats kamer gejaarmerkt 1648, waar in de Heer Korn. Joh. Witzen als Bevelhebber voor aan zit. In dit stuk is het naakt, zoo natuurlyk, helder en gloejent, de onderscheiden stoffen der bekleedingen onderkennelyk in haar aart waargenomen. Goude en zilvere kelken, en andere Feest- en Dissierselen zoo uitvoerig natuurlyk en konstig geschildert, dat men zig daar over moet verwonderen. Waarom ook de Schryver van den Wegwyzer door Amsterdam op pag. 454 heeft aangemerkt: Dat een Groot kenner en Liefhebber van de Konst, in ’t byzyn van verscheiden Heeren zig liet ontvallen: Zoo ’er Schildery aanbiddelyk is in de Waereld, zoo hoeft men naar geen andere landen te gaan, om beter voorwerp te zoeken.
Den grooten lof welken Godfried Kneller, Ridder Baronnet en Hofschilder van Engelant, over dit konststuk uitgesproken heeft sparen wy om elders in te lassen.
By den Heer Jan de Graaf Heer van Polsbroek hangt een klein stukje waar in vier pourtretten overkonstig geschildert zyn, zynde de afbeeldsels van [ 10 ]de vier Doelmeesters, ’t zelve dat van hem in ’t groot geschildert, hangt in de Kolveniers Doele op de Zaal boven den schoorsteen. Ook zietmen tot Amsterdam en elders veele enkele pourtretten die uitvoerig en konstig geschildert zyn.
Jan Vos laat zig op de Afbeelding van Juffr. Komstancy Reinst, door vander Helst geschildert, aan den zelfden dus hooren:
Op, Duitsche Apelles, op, verschyn met puik van verve:
Want Reinst verwacht u om te leeven op’t panneel.
Een geestig ommetrek vereischt een wis penseel.
Natuur vertoont in haar Vrou Venus en Minerve.
Zoo ziet men glans en geest, dat zelden beurt, gepaart.
Hoe! is dit leeven? neen: want Reinst, heel braaf van aart,
Vertoont zig hier van verf. ô Loffelyk vermoogen!
Wie ’t oog door verf bedriegt heeft eerelyk bedroogen.
Hy woonde in dien tyd te Amsterdam in de Doelestraat, won veel geld, was graag by gezelschap, had geen geneigtheid tot Italie, was vergenoegt met zyn Konst, en Stad, (zeit Sandrart) en had tot Jaren gekomen (wie is ’t aller uuren even wys?) een Jonge Vrou getrout, by welke hy een Zoon won, die mede een Pourtretschilder werd, en zyn Vader op het loffelyke spoor wel na stapte, maar te veer agter gebleven is om aan hem te gedenken.
[ Plaat A ]
