De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/David Beck
| ← Jan Baptista Weeninx | De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen, deel 2 (1719) door Arnold Houbraken | Joan Couper → |
[ 83 ]Zoo eenige Stat in Holland mach trots wezen, om dat zy ten wieg verstrekt heeft van doorluchtige mannen, zoo mag het Delf wezen, om dat zy buiten andere vernuftelingen ook de Waerelt door beruchten
DAVID BECK, gebentnaamt den Gulden Scepter, uit haren schoot heeft voortgebracht. Deze geboren op den 25 van Bloeimaand des Jaars 1621 werd genoemt naar zyn Vaders broeder, die een braaf Dichter in dien tyd was, en tot Aarnhem in Gelderland overleden is.
Hy heeft nevens anderen ook den beroemden Ant. van Dyk, Ridder en Schilder des Konings van Engeland, tot leermeester gehad. Zyn braaf penceel en wellevenskonst maakten hem by de meeste grooten van Europa geacht: gelyk hy in gunst raakte by Koning Karel den eersten, wiens Zoon Karel den tweden, den Hertogen van Jork en Glochester, als ook Prins Robbert, hy in hunne Jeugt heeft onderwezen in de Teekenkonst. Daar na quam hy in dienst van den Koning van Vrankryk, ook van Denemarken, en eindelyk van Koningin Kristina van Zweden, die hem inzonderheit boven anderen beminde, verscheide geschenken gaf, en hem haren eersten Kamerheer maakte. De Vrouwen (zegt de spreuk) hebben de Mannen lief, en zy weten waarom.
Hy nam in dien tyd voor, als haar Majesteit een speelreis na Vrankryk doen, en te Parys eenige tyd vertoeven zoude, een reys naar Holland te doen. Hy nam tot dien einde oorlof van haar onder voorwending van zyne vrienden te willen bezoe[ 84 ]ken welke hy in vele jaren niet gezien had, en na welke hy verlangde. Maar men zeit dat zy die voorwending verdacht hield, en geloofde dat hy zocht heen te gaan om nooit weder te keeren, gelyk ook gebeurt is; want hy op den 20 van Wintermaand 1656 binnen ’s Gravenhage (niet buiten vermoeden van vergif gedronken te hebben) kwam te overlyden.
In dienst zynde van zyn Koningin heeft hy Italien, Spanjen, Vrankryk, Engelant, Denemarken, en alle Hoven van Duischlant bezocht, om alle Potentaten en Doorluchtige Persoonen voor haar uit te schilderen, dien zy dan haare Beeltenis uit glorie van bekent te willen wezen, door onzen David Beck geschildert deed aanbieden. Op welk doen de groote J. van Vondel dit vaars gemaakt heeft.
De liefde tot de Konst luikt op met grooter hope
Van eer en prys, nu Becks de Vorsten van Europe,
Uit last der Koningin, door zyne Konst herteelt,
En hun Christyn vereert, in haar onsterffelyk beelt.
Zoo wort Gustavus bloed, van Hof, tot Hof geboren.
Wie klaagt dat aan deês verf en wissel wort verloren?
Dit doen leide hem, als het spreekwoord zeit, geen windeyeren, maar bragt hem wel blinkende voordeelen by. Zyn vrienden getuigen dat hy door deze voordeelige gelegenheit negen goude ketenen en Medalien te schenk van Koningen en Vorsten gekregen had, en onder die een van zyn Koningin. Zeker die groote Vrou deed veel om naam te maken. Zie hier Lezer (gemeene kost is by wylen zoo smakelyk als de kostbaarste) een gering staal. In de Stadt St. Gewer, in ’t Graafschap Hessen, had [ 85 ]men outyts voor gewoonte (en zomwyl nog) dat men den vreemdelingen een koperen Halsbant, van Keizer Karel daar toe gegeven, wanneer zy aan den waterkant geleid worden, daar de zelve vastgehegt is, om den hals slaat, en daar op vraagt: of zy met Water of met Wyn willen gedoopt wezen? Die ’t water begeren, krygen onvoorziens een emmer vol daar van over ’t hoofd. Doch die wyn eisschen geven daar toe een stuk gelt. De Koningin Kristina daar zynde gaf tot dit gebruik een konstig gedreven zilvere schaal of beker, waar door heur mildadigheit gemelt wort, zoo lang dat gebruik stant houd.
Maar laat ons weder tot onzen David (wiens Beeltenis in de Plaat C. 2, staat) komen.
Van hem wort getuigt dat hy zoo ongemeen vaardig was in ’t schilderen, dat de Koning van Engelant, boven gemelt, eens tot hem zeide: Beck, ’k geloof dat gy te Paard zittende zoud konnen schilderen.
In den Jare 1653 te Rome zynde, werd hem door de Bentvogels, (ik wil hen liever noemen opsnappers, want hy zelf was de Bendvogel dien zy plukten) groote eer bewezen, ’t geen blykt uit den staart van ’t Vaars ’t welk zy op zyn Doopmaal uitgalmden. Doe daar by dat zyn Bentnaam door zestig handen was ondertekent, zoo kont gy staat maken wat hem dit smulmaal kwam te kosten. Zie hier de Kopy van ’t Vaars:
Uw vriendelyk ontmoet, en uw beleefde reden
Die wyzen duidelyk, dat gy zyt de Persoon,
Die menig heeft vertoont, de Koningin van Zweden;
Door uw vermaard penceel, zoo waardig by de Kroon.
Wat staat ons nu te doen? dat wy u gaan er kennen,
In de Romeinsche bendt, met eenen nieuwen naam,
Die als op vleugels door de Waereld zal gaan renmen;
Dit ’s ’t algemeen besluit: Wy roepen al te saam.
Viva de Gulde Scepter.
Den 7 van Wintermaand 1653. Hy was een schoon en wel gemaakt Persoon, doch niet kloek.
Ik heb in het eerste Boekdeel op pag. 333 gemelt van den potzigen Adriaan Brouwer, dat hy twee maal begraven wierd. Maar van David Beck werd verhaalt dat hy tweemaal gestorven is, en wilje weten hoe? Hy, reyzende door Duitslant werd door een onvoorziene ziekte beloopen, die hem in dusdanig een langwylige flaaute bracht, dat ’er geen ander besluit van te maken was, dan dat hy waar overleden. Over zulks werd hy, gelyk gewoonlyk geschied, uitgetrokken, en uitgestrekt op zyn ledikant geleit. Wat gebeurt ’er? zyne twee knechts zitten in ’t zelve vertrek, en spoelen met een glas wyns de zwarigheid van hun hart. Onder ’t over en weer drinken zegt een van deze, licht wat kortswylig en wulps van aart, dat wy ’t onzen Heer ook eens prezenteerden, hy heeft het in zyn leven zoo wel gelust, en staat met een op en duwt hem den roomer met wyn aan den mont. Door den reuk van den wyn (naar allen schyn) wat tot zig zelven gekomen, opent hy zyn lippen en slurpt een weinig daar van in. De knecht dit ziende verzet zig daar niet over, maar zeit tegen zynen makker, kyk, onzen Heer lust ook wyn na zyn dood, en zet hem het glas andermaal aan den mont, waar uit hy [ 87 ]een goeden teug deed, op dien zelven stondt bekwam; en Jaren na dien tyd leefde.
Dit zeltzaam voorval zoude ik zoo licht niet voor waarheit aannemen, ten zy ’er diergelyk iet in myn geslacht waare voor gevallen. Myn Grootvader van Moeders kant, en waar na ik ook vernoemt ben, wonende te Uitrecht, op den Steenweg, in ’t Blaau Rokje, kwam in den ouderdom van 17 Jaren (zoo ’t aan yder die daar tegenwoordig waren toescheen) te sterven: werd gevolgelyk uit getrokken, op stroo geleit, en de Vrysters in de buurt in geroepen, om het Lyk (volgens dies tyts gewoonten) met Palm, Laurier, en Bloempjes toe te maken. En men was al bezig om een krans tot zyn hooft te vlechten, wanneer zy het stroo hoorden ritzelen, en hem die zy meenden dat dood was, zagen de gordynen open schuiven, waar door zy alle van schrik over hoop vielen. Straks de bloemen weg, en hem warme wyn ingegeven, voorts in een gewarmd bed geleid, waar door hy bekwam; gelyk hy ook naderhant getrout is geweest, en zeven Zonen en drie Dochters heeft gezien.
