Naar inhoud springen

De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Geertje Pieters

[ 216 ]GEERTJE PIETERS, haar Dienstmaagt, die vele jaren by haar gewoont heeft, en welke zy ook gebruikte tot het vryven van haar verven, heeft zy, ziende in haar een natuurlyke drift en geneigtheit tot de Konst, in hare wyze van schilderen onderwezen. En deze is zoo veer daar in gekomen dat zy zich zelve daar meê geneert, en, zoo ik ’t wel heb, nog leeft en te Delft woont. Deze heeft aan Nicol: Verkolje die haar een jaar of twee geleden te Delf ging bezoeken verhaalt een geestig voorval tusschen haar Juffrouw Mar. van Oosterwyk en den Konstschilder [1] van Aalst. Maria die veeltyts by haar Grootvader te Delf was, en ook haar schilderkamer [ 217 ]daar had, wanneer ’t haar geluste zich in de Konst te oeffenen, werd nu en dan eens van Van Aalst, begeerig om haar Penceelkonst te zien, bezocht, die eindelyk ook bevallen in haar kreeg en de minnery maakte. Maria schoon niet trouwens gezint liet zulks echter niet blyken, veel min stiet zy hem met eene bof (als men zeit) voor ’t hoofd, maar bedacht een geestigen vond, waar door zy zyn voornemen verydelde. Zy was van een zeedig gedrag, yverig en naarstig in ’t oeffenen der Konst, hy een losse knaap, en die dikwils aan den wint ging. Dus maakte zy met hem verding, dat hy een gansch Jaar alle dagen (uitgezondert eenige uuren, die hy voor zyne uitspanningen uit bedong) zekere bestipte uuren moest schilderen: en dat zy hem dan te woord zoude staan om van minnery te spreken; maar indien hy dit niet na kwam, zy dan van haar gegeven woord ontslagen was, en recht zou hebben om hem af te wyzen, gelyk ook geschiedde. Nu schikte het zich zoo dat het huis, daar van Aalst woonde, van achteren tegen dat, daar Maria woonde, aanstiet, en zy van hunne schildervertrekken elkander konden zien en toespreken; zulks zy altyd weten konde of hy bezig was of niet, en wanneer hy voor het bestemde uur, in gevolg van het verding, als zy hem toeriep, niet antwoordde, schreef zy met kryt een schreef op den post van haar glasraam. Van Aalst, die wel gissing maken konde dat hy in dat jaar meer schuldstreepen op zyn kerfstok gekregen had, dan hy met een schoon praatje zoude hebben konnen goedmaken, kwam ’er naderhand niet naar omzien.
Men moet (zeit de spreuk) niet wyder trachten te springen als zyn stok kan reiken. ’T zyn ver[ 218 ]standigen die hun vermogen kennen, en niets dat te hoog is ondernemen. Vele die alle hebben willen nastreven, hebben hunne dwaasheit te laat beproeft, wanneer zy bevonden van alles wat te weten, en geen een ding wel te verstaan. In tegendeel zietmen dat zulke die ’t een of ’t ander deel van de konst tot hun doel hebben uitgekipt, en hun eenig werk en toeleg maakten om daar in boven anderen uit te steken, hun oogwit hebben bereikt, en een onverwelkelyken roem behaalt.

  1. ↑ Willem van Aalst, den neef van Evert van Aalst daar wy op ’t jaar 1602 van gemelt hebben.