De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Gerard Pieterze van Zyl
| ← Janson van Keulen | De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen, deel 2 (1719) door Arnold Houbraken | Michiel Willemans → |
[ 225 ]In dezen tyd woonde ook de beruchte Konstschilder GERARD PIETERZE van ZYL, (best by zyn gemeenen naam Gerards bekent,) te Londen.
My schynt toe dat hy tot leyding zyner konstdrift het spoor van Ant. van Dyk gevolgt heeft. Immers meent men dit de reden geweest te zyn waarom hy in Engelant, en zelf over zyn deur in Westmunster ging wonen. Hy hield groote vrintschap met van Dyk, en had de eer van hem dikwils te zien schilderen, waar door men gelooft dat hy hem de konstbehandeling (gelyk Graasbeek van Brouwer) heeft afgezien. Want als men den tyd narekent zal men bevinden dat hy toenmaals den grond zyner Konst gelegt heeft. En wel ter rechter tyd, aangezien van Dyk 1641 kwam te sterven, als wanneer Gerards weder na zyn geboorteplaats Amsterdam overscheepte.
Van den Jare 1655 tot 58 woonde hy in de Hartestraat op een agterkamer, oeffenende de Konst by zich zelf in der stilte. En die hem doen gekent hebben, zeggen my, dat hy op dien tydt een Jongman van omtrent veertig Jaren was. Zyn konstige penceelhandeling heeft hem den bynaam van Van Dyk, in ’t kleyn, doen hebben.
De meeste schilderyen die men van hem ziet zyn vrolyke Gezelschappen van Juffrouwen en Heeren naar dies tyds gewoonte gekleed, alles naar ’t leven geschildert, en meest naar schoon leven. Inzonderheit steken de hantjes der Vroutjes, zoo in konst van schilderen, als teederheid, en schoonen omtrek uit, even als ik van van Dyk gezegt heb. [ 226 ]
Onder zyne beste konststukjes word getelt dat, waar in hy verbeelt heeft den verloren Zoon, afscheid nemende van zyn Vader, in welks wezen men de bekommertheit en zorg bespeurt, terwyl hy zyn Zoon te paard gezeten vaarwel wenst. Dit stukje is konstig geteekent, natuurlyk gloejend en helder geschildert, en buiten zyne gewoonte fraay gekleed. Ik heb het vele jaren gekent, en dikwils met genoegen gezien: maar in wiens kabinet het thans is weet ik niet.
Zommigen zeggen dat hy een Amsterdammer is: anderen willen dat hy geboren is tot Leyden, daar zyn Vader een Lystemaker was. Pieter Gerretze genaamt.
Jan Vos heeft op de afbeelding van den Heere Willem Pauw door Geraarts van Zyl geschildert dit vaarsje gemaakt:
Dwars door de middellyn, kwam bruizen tot in ’t Oost.
Hy vreesde nooit voor ’t woên der teegenvoetsche schaaren.
Wie eer en voordeel zoekt is allen ramp getroost.
Zoo pleegde hy zyn plicht tot kwyting van zyn eeden.
Wie voor zyn meesters zorgt, verdient hun dankbaarheeden.
Dit is al wat ik by gebrek van meerder bericht, van dezen braven Konstschilder weet te zeggen. Als ’er van zommige Konstschilders geen nageslacht overig is, of kennissen meer zyn die geheugen dragen van hun levensbedryf, moeten wy het zelve getroost wezen, en het aan ’t verloopen van [ 227 ]den tyd wyten. Maar ik ontmoet zomwyl menschen, die hier omtrent gans onverschillig zyn, en dien ’t evenveel schynt te wezen of men iets van hunne voorouders of vrinden te boek stelt, of niet, en dus agterhoudende zyn, of niet uitkomen, omtrent zaken die my dienstig zouden wezen, om te weten. Weer andere, die uit een styfkoppige ongerieflykheit niet alleen agterhoudende, maar ook ongenoegt zyn datmen van hunne voorzaten onder den rey der schilders in openbare schriften meld. Geloof my, wanneer ik aanzoek deed by luiden die door geldmiddelen en eerampten boven het gemeen uitsteken, wier voorzaten de konst geoeffent hebben, was ’t even of ik voor een doofmans deur klopte: ’T schynt dat zy my dies aangaande niet willen zeggen, om dat ’er geen gedachtenis zou blyven van ’t geen waar van zy zig, uit een verkeert begryp, schynen te schamen.
Oulings en in later tyd hebben Waereltvorsten, luiden van den eersten rang en geestelyke persoonen de schilderkonst geoeffent, en de gedachtenis tot luister van hun geslacht naargelaten. Onder de oude Grieken was zelf een wet (gelyk Plinius getuigt) welke gebood dat niemant de konst van schilderen vermocht te leeren, ten zy hy edel geboren was, en werd ook zulk een hooge prys voor die de zelve begeerden te leeren gestelt, dat gemeene luiden daar niet om mochten denken. Meer stalen van die koleur zouden wy uit dien winkel der oudheden vertoonen, zoo wy ’t elders niet gedaan hadden.
Tabius Pictor uit een oud adelyk Roomsch geslacht heeft de Schilderkonst geoeffent en in ’t vierhondert vyftigste Jaar na de grondlegginge van Rome den tempel des Geluks, welke ten tyden van [ 228 ]Keizer Klaudius verbrandde, van binnen beschildert, en zyn naam daar by geschreven, ’t zedert welken tyd dat geslacht vermaart door groote eerampten en verwinningen, den bynaam Pictor, Schilder heeft behouden.
Quintus Pedius, de Zoon van Quintus Pedius, die triumferend Borgermeester is geweest, ook Erfgenaam met Augustus van Julius Cezar, heeft de schilderkonst geoeffent tot zyn doodt toe.
Hadrianus de vyftiende Roomsche Keizer heeft, behalve de meet-, aard- en hemelloopkunde, speel- en Dichtkunde, beeldhouden en gietkonst, ook de schilderkonst geoeffent, volgens de getuigenis van van Mander. En Korn. de Bie melt van verscheiden geestelyke Persoonen als den Kardinaal Franciscus van Verone en zyn Broeder Hieronimus die een Predikheer was. Innocentius van Imola. Don Bartolomeus Abt van St. Klemens van Aresso, welke de schilderkonst met veel roem outyts geoeffent hebben. Dus meld ook Pater Abraham van St. Clara in zyn Boek Iets voor allen op pag. 380 van eenen Johannes de Friesoe van de Dominikaner orden die de schilderkonst oeffende, en ten tyden van Michiel Angelo leefde, die dikwils zeide: Dat Johannes in den Hemel klom, en aldaar de Beeltenissen der Heiligen schilderde. Maar ’t is zonder gront dat gemelde Pater Abraham den Heer Kristus mee onder de schilders telt, om deze rede: Wanneer de zaligende Heilant van Capernaum naar Jeruzalem ging, en te gelyk op den weg predikte, was ’er een schilder Ananias genaamt van den Koning Abagarus van Edessa gezonden om de waarde Beeltenis van den Heilant door ’t penceel na te bootzen; maar konde den zelve geenzins treffen, door de glans die [ 229 ]van het heilig wezen afstraalde. Dus liet hem de Heere Kristus roepen, nam een doek en drukte de volkomen afbeelding van zyn wezen daar op, zoodanig dat het geen schilders penceel beter zoude hebben konnen treffen, en zont het naar gemelden Koning. Dit gelykt eer naar spotterny, schoon hy zeit: dat die zelve doek huidendaags nog, in de Kerk van St. Salvator tot Romen bewaart wort. Die Pater telt de waerelt al meer munt aan die niet gangbaar is. ’T gaat thans zoo niet als het plag. De meeste menschen willen zig als de hedendaagsche Israliten geen munt laten in de hand stoppen, of zy moet van goed alooy en wel gestempelt wezen.
Philips Hartog van Orleans, thans Regent van Vrankryk heeft in zyn jeugt de Schilderkonst geleert by den braven Konstschilder Coupel, en de zelve met yver en zucht geoeffent, zoo veer dat hy voor zig zelve in een der galeryen van zyn paleis verscheiden stukken geschildert heeft, daar met roem van gesproken wort.
Koningin Maria, eer zy tot de kroon quam, heeft (behalve dat zy konstig met de borduurnaald gewrogt heeft) ook in waterverf geschildert, waar toe zy zekere uuren daags bestipt had, die zy yverig en naarstig in acht nam. De Konstschilder Math. Wulfraadt heeft my verhaalt dat hy verscheiden Beeltjes en kleyne Lantschapjes van haar penceelkonst uitvoerig bewerkt gezien heeft, die de monstering van een keurig oog konden uitstaan. Zy had tot onderwyzer meester Gibsson, die schoon bejaart zoo kleen van persoon was, dat hy pas op een tafel kon zien.
De Prins van Wales, Zoon van Koning Jako[ 230 ]bus, die door zyne styfnekkigheit, en met zich tegens de wetten van Engelant te kanten, dien Prins het kroonrecht benomen heeft, heeft in zyne ballingschap nog de Konst geoeffent. Franciskus Roetiers van Antwerpen Zoon van den stempelsnyder van de munt van Brabant was zyn onderwyzer in de Konst. Deze had een wyze van teekenen als la Fagie en schilderden Historien.
De Heer Wakkerbaart, Generaal van de Keurvorst van Saxen, was een yverig oeffenaar van de Konst. Als hy in den Jare 1695 te Rome was, begaf hy zig onder de Bent. Zyn Bentnaam was Alexander Magnus. Hy teekende naarstig naar de antique Ruinen, en alles wat hy zyner keure waardig oordeelde te wezen. De Konstschilder Izak de Moucheron, die toen ook te Rome was, en omgang met hem had, heeft my verhaalt, dat hy twee afteekeningen van hem heeft gezien op groot papier, ’t eene van Rome en ’t ander van Venetien, konstig naar ’t leven afgeteekent. Ja zyn konstzucht ging zoo veer, dat zyn lyfknechts by beurten zig moesten oeffenen in de Konst. Zoo deedt ook de Zweedtsche Krygsgeneraal Steenbok. Deze, na dat hy Altena uit order van zyn Koning in brant gesteken had, werd naderhant met zyn troepen, door de Deenen (hun Koning dit doen euvel nemende) omcingelt, en tot Krygsgevangens gemaakt, verscheiden jaren in de gevangenis zittende vermaakte hy zig door ’t penceel, schilderende verscheide Lantschapstukken, waar van hy zommige aan zyn Koning vereerde. De Amsterdamsche Courant, heeft ’er in dien tyd ook van gemelt.
De Konstschilder Wil. Schellings melt in het Dagregister zyner vierjarige Reisbeschryving, [ 231 ]van eenen Renatus Koning van Sicilien, van wiens eigen hand een konststuk te zien is te Avingon in ’t Koor van een der Kapellen van de Kloosterkerk der Celestinen. Dit was een zinnebeeld van de Dood, of sterflykheit, voorheen aan een geestelyke Dochter tot een Nieujaarsgift geschonken. Onder al de geschilderde voorwerpen in dit stuk is te verwonderen een spinwebbe aan een doodbaar, zoo konstig en natuurlyk geschildert dat men ’t voor een ware spinweb zou aanzien. Onder het zelve staat een Latyns vaars: gejaarmerkt 1481. ’t geen vertaalt de voorbygaanden dus toespreekt:
Daar yder Bloem, de broosheit van uw leven
Vermeld; dewyl hoe luisterryk verheven,
Zy, eer men ’t weet, zal onverwacht vergaan.
Ook gedenkt hy in zyne Reisbeschryving van Engelant aan Maria Stuart Dochter van Jakob den V Koning van Schotlant geboren 1541, en onthalst 1587 in Sprokkelmaand, na dat zy 20 jaren gevangen gezeten had op ’t Kasteel Frodigua, om het konstig geteekent en gestikte behangsel, waar van wy in de levensbeschryving van W. Schellings zullen melden.
Wy zouden daar beneven een gansche lyst van Konstschilders in vroeger en later tyd konnen optellen welke door Keizers Koningen en Vorsten tot de waardigheit van Ridders en Baronnetten zyn verheven, verscheiden ook die het Borgermeesterampt bekleed hebben, als D. v. Delen te Armuiden in Zeelant, vander Lis in ’s Gravenhage, Hendrik Verschuring en vander Ulft te Gorkom, andere weer Regenten van Steden, als Ger. Terburg te [ 232 ]Deventer, die teffens ook Ridder was, en meer anderen, als ook een reeks van brave mannen die een eerlyken en godvruchtigen wandel geleit en in deugt, den waren Adeldom van een Kristen, hebben uitgeblonken. Ja daar zyn geen Maatschappen, Konstgenootschappen, of Gildebroederschappen welke zeer talryk zyn, of ik maak my sterk om aan te toonen dat ’er meer schurfte schapen onder loopen, als onder St. Lucas Broederschap. Behalven dit wort de konst doorgaans van hun geoeffent buiten bedrog, en eerlyk behandelt, de Handelaars uitgezondert; want die gaan (als Pater Abram zeit:) wel altyt met Waaren om, maar niet alle, of altyd met de waarheit. By gevolge vind ik geen reden dat zig ymant behoeft te schamen, dat ’er van zyn geslacht onder de Konstschilders getelt werden; zoo min als onder de Dichters; waarom ook And. Pels, in zyn vertaalden Horatius pag. 34 met recht zeit:
Als of zy kwalyk aan den grooten zou betaamen.
ô Neen; want Orfeus, zoo in zynen tyd geacht,
Die tolk der Goden, heeft het menschelyk geslacht
Door vaarzen afgeschrikt van moord, en beestig leeven;
Waarom die brave naam den held is nagebleven,
Dat hy de Leeuwen, en de Tygers temmen kon.
Ja Vorst Amfion, die oud Thebe zelf begon
Te bouwen, kreeg dien naam, dat hy de harde steenen
Kon leiden door zyn luit, en vleyend dicht waar heenen
Hy wilde, enz.
Dit pleit heb ik voordachtig in dit tweede Boek[ 233 ]deel willen voorstellen, om dat zommigen, die als noch met hunne berichten (schoon ernstig daar toe verzocht) agter weeg blyven, daar door mochten overtuigt worden van hun dwaas opzet, en ik daar door gelegentheit vinden, om de levensbedryven van myne Konstgenooten, in meerder volkomenheit ten Toneel te brengen.