Naar inhoud springen

De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Gerrit Dou

[ 1 ]
At Ouders aangaande hunne Kinderen, en opzieners ontrent minderjarigen wel naar hunne beste meeninge tot nut der zelve besluiten konnen nemen van hen dit of dat tot hun beroep, ’t zv konst of handwerk, te laten leeren: maar dat de natuurdrift, wanneer die in de lente van hun jaren met kracht opwelt, en de genegenheit zig een weg verkiest tot hun kostwinning, veel zekerder het wit van hun bedoelingen treft, en hun geluk bewerkt, zal dit volgende levensverhaal bevetigen.
GERRIT DOU uit Frieslant herkomstig, dog geboren tot Leyden in ’t jaar 1613 op den 7 van Grasmaand, (wiens Beeltenis hier voor in de Plaat A boven die van Bartol. van der Helst staat) was de zoon van Douwe Janszoon een Glazemaker

[ 2 ]van zyn ambacht, en zyn Moeder Marytje, Jans Dochter genaamt. Deze ziende zulk een drift en begeerte in den jongen tot de Schilderkonst, hebben hem in den jare 1622 besteed by Bartholomeus Dolendo, een Plaat Snyder, om de beginselen der Teekenkonst te leeren, en na ’t verloop van een en een half jaar by den konstigen glasschryver Pieter Kouwenhorn, op dat hy die zelve konst mogt leeren, om ze daar na in zynen winkel te oeffenen. Twee jaren of wat meer was hy by dezen Pieter, en had in dien tyd zoo toegenomen, dat zyn Vader hem in zyn winkel by zich gehouden en gebruikt heeft tot het glasschryven, en glasmaken, waar door hy hem groot voordeel aanbracht. Dan ziende dat hy zoo onbesuist, en buiten eenigen schrik, in het opklimmen naar de glazen was, zoo in ’t stellen van nieuwe, als stoppen van oude, was hy t’elkens niet buiten vrees, dat hem eenig ongemak daar door zoude gebeuren. Over zulks nam hy besluit (hoewel tegens zyn wil, en tot zyn schade) van hem de Schilderkonst te laten leeren, en besteedde hem nu vyftien jaren oud zynde, den 14 van Sprokkelmaant 1628 by den toen al vermaarden Rembrant, by welken hy gebleven is omtrent drie jaren, in welken tyd hy zoo veer gevorderd was, datmen aan de beginselen wel zien konde, dat ’er (inzonderheid in ’t kleen en uitvoerige) wat goets te wagten stont, of van hem te gemoet te zien was.
Velen hebben zig verwondert dat uit de school van Rembrant zulk een eel konstpenceel ontsproot; doch die zyn niet bewust dat Rembrant in zyn eersten tyd uitvoerig geschildert heeft, gelyk wy dat in zyne levensbeschryving door verscheide stalen hebben aangeweezen. [ 3 ]
Wat nu vorder onzen Gerard Dou aanbelangt, hy schilderde alles met de grootste lydzaamheit, en gedult naar ’t leven, door een met draden ruitswyze bespannen raam; een behulp voor die zig het uit de vuist teekenen, niet toebetrouwen. Doch deze kruk is (om dat men zig daar aan door traagheid van veel te teekenen, gewende) by yder verbannen; waarom ook myn meester Hoogstraten zelf ’t gebruik van den passer (behalven daar ’t noodwendig was, als in gebouwen) wraakte, zeggende: Men moest het oog tot passen gewennen.

[ Plaat A ]