De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Hend. Goltzius
| ← Pieter de Hooge | De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen, deel 2 (1719) door Arnold Houbraken | Gonzalo Coques → |
[ 35 ]Tot den Jare 1604 heeft van Mander, van Hend. Goltzius, (zynde toen een man van 46 jaren) en zyn waarde Penceel en Graveerkonst naar verdienste gesprooken.
De agting die ik ’s mans werk toedraag, en de wyze van schryven die ik my heb voorgestelt, gebieden my ook de gedagtenisse van ’s mans sterftyd op ’t jaar 1617, door het vertoonen van zyn Grafschrift te gedenken.
EPITAPHIUM.
M. S.
[ 36 ]JACOBUS MATHAM VITRICO SUO OPTIME DE SE MERITO ÆRI INCIDIT SCULPSITQUE GRATITUDINIS ERGO. OBIIT HARLEMI AN. CIƆ. IƆ. CXVII. I. JANUARII. ÆTAT. SUÆ LIX.
J. van Vondel, doet de zark van H. Goltzius, dus tot D. Mathan Spreken.
Wie helptme nu een Grafstee bouwen,
En Konstig op het marmer houwen,
Uw Grootvaârs heerlykheit en kunst,
Die naar zig trekt een yders gunst.
Ja teffens oog en hart der Grooten
Uit hun doorluchte en hooge slooten?
Het doet van verre d’ Afgunst wee
Dat Bajervorst en Borrome,
Ten roem van Henriks duim en vingren
Medalje en goude ketens slingren.
Om zynen hals, enz.
Ik dacht dat zyn Stadts Schryver van zyne Konstwerken, na den jare 1604 (want hy zig daar in tot het einde van zyn leven bevlytigt heeft) iets zou hebben gemeld; maar ik sloeg dat boek te vergeefs op. De Schryver heeft verzuimt die schoone paarel aan Haarlems Stedekroon te vlechten.
Heeft Athenen oudtyts by alle andere Griekse Steden gestoft dat zy ten wieg verstrekt heeft van zoo menigen vernufteling, zoo konde Haarlem ook oulings boven andere Steden van ons Gewest roemen op het voortbrengen van Konstschilders, zoo niet door verzuim, of gebrek van agtinge voor die Konst, die luister harer Stedekroon, door haren Stads Historieschryver waar afgevaagt. Dank heb[ 37 ]be de Schryvers van Delft, Gouda, Leyden en Amsterdam, welke genoegzaam getoont hebben (het geen aan hunne wyze van schryven te zien is) dat zy byzondere agtinge voor de Konstenaren, en hunne roemwaardige werken hadden, en dat het een eer hunner Stadt was Konstenaars te hebben voortgeteelt. Maar wat nut geeft het dat Sam. Ampzing een gansche lyst van Konstschilders met hunne enkele namen even als Aterlingen, en of zy Moer nog Vaar gehad hadden optelt? had hy ten minsten, als men in de Godshuizen nog wel doet, het jaar hunner vondelingschap aangeschreven, men had nog iets tot aanleiding van verder onderzoek gehad. Ongelukkige Lievelingen van Pictura! was het den Schryver niet eens de pyne waard, dat hy om uw eens de pen versnee? Had hy dan maar zoo veel van u, als van de Weevers en hunne Weevery gezeit, zoo had ik u by de Konstschilders een plaats konnen inschikken. Want van hun en hunne beroemde werken melt de Schryver op pag. 342, dus: Daar werd in ’t Jaar 1598 een stuk Lynwaat tot Haarlem voor[1] 14 Gulde de Vlaamsche Ell verkogt om naar Vrankryk te ver- [ 38 ]zenden. En nog een Webbe van 75 Ell Hollantse maat is naar Spanje verzonden, welke maar 3 pond woeg. Noch in den jare 1606, den 16 van Oogstmaand is ’er noch iets zeldzamer gebeurt. Een welbekende Borger dezer Stadt Jakob Janzen Smuisers genaamt, thans woonagtig op de Beek, op den hoek van de Warmoesstraat, verruilde in ’t gemelde Jaar aan eenen Passchier Lamertyn een stuk Lywaat zoo fyn als ooit te voren gezien was, 50 Ellen lang, voor 45 okshoofden van den besten Wyn Court, het welke ongelyk meerder bedroeg dan het bovengemelde: en dit stuk NB. was geweven van eenen Govert Willemzen, toenmaals wonende in de Barrevoeterzusteren steeg, en koste 200 Guldens van Weefloon. Het garen was zoo fyn, en strekte zoo verre, dat van een loot gewigts, meer dan vyfvierendeels lakens was geweven. Wat dunkt u, Lezer, van zoo een naauwkeurig Schryver? zou men zig niet verbeelden mogen, dat men breed van de Konstenaren by zoo een Schryver zou geboekt [ 39 ]vinden; die zig zoo breed over ’t Wevers ambacht uitlaat? maar wat mag ik zeggen van Wevers ambacht? ik zou het Eerdicht op de Wevery gemaak in ’t jaar 1580, (en op een der hoofdpylaren van een der Kerken tot Haarlem met groote vergulde letteren geschreven) daar door te kort doen; dewyl het met aangewezen Texten uit de H. Schrift toont dat het een Konst is. Wy hebben om ’t oud Referein ’t der klucht waardig geagt om naa te schryven.
In Moyses tyden over menige jaren
Heeft die Konste van Wevery al gefloreerd,
[2] Bezaleel en Ahaliab getrouwe dienaren
Door Gods geest gedreven hebben ’t zelfs geuseerd.
Gevorderd, benaarstigd, ook daar mede gestoffeerd
’s Heeren Tabernakel (zoo staat ’er geschreven)
Alderley sydwerk Konstig gefatsoeneerd
Is eerst deur den spoel doen verheven.
En behalven deze ging ook tot het Weven
[3] Tobias Huisvrou, om haar kost te winnen
Met haar handen, zonder haar te begeven
Tot loch of bedroch zo wy bevinnen,
En noch meer andere, die wel konden verzinnen
Dit Godlyk gebod (datmen wel mag groot heten)
[4] In ’t zweet uws aanschhyns suldy uw brood eten.
Had onze Schryver nog van diergelyke Weverye en Weefwerken gesproken, waar van boven in ’t rym gemelt word, ’t waar eenigzins te verschoonen; schoon die behandeling maar een hantwerk, en geen konst genoemt mach worder, want de [ 40 ]welstant, en goede schikking van een tapyt alleen afhangt van een goet patroon, dat door ’t penceel voor af gemaakt moet worden.
Wy besluiten (al lang genoeg van de Wevery) dat wy de gedagtenisse van de Haarlemsche oudtydsche Konstschilders, aan niemant meerder dan aan van Mander verpligt blyven, wyl al wat de Schryver van de zelve met opmerkingen van den tyd
zegt, van woort tot woort uit van Manders Schilderboek gevolgt is.
- ↑ Voor XIV Guld.) ’t Verdient verwondering als men daar by eens bedenkt, in wat waarde dat om en ontrent dien tyd het geld geschat wierd. Dit is aan dit eene staal te zien, namelyk
De Copie van eene Acte, aangaande eenige Wedden, Emolumenten, ofte voordeelen voor den Rectoor van ’t Groote School, uit de Byscholen Ao. 1569.
Wy Borgermeesteren Schepenen en Raden der Stadt Haarlem, doen te weeten eenen iegelyken dat wy geadmitteert en toegelaten hebben, gelyk wy admitteren enz. mits dezen Hendrik Dirksz., om binnen de voorschreve Stede te mogen houden Byschole. In zulker voegen nochtans, en met konditie; dat hy de Jongens, die hy tegenwoordig heeft, en na dezen tyd meer aannemen zal, gehouden zal zyn by den Rectoor van de groote School aan te geven, en te zynen Register te doen stellen, en hem cautie en zekerheit te geven, voor zyn gewoonlyke recht, en Schoolgelde, te weten van elken Jongen vyf grooten voor elk vierendeeljaars, gedurende de zelve admissie tot onze wederzeggen, en langer niet. Des te oorkonden hebben wy ’t Zegel ter zaken der voornoemde Stede van Haarlem hier beneden aanhangende den XVden July Ao. XVC negen en t’zestig.Was geteekent: Raat.In den Jare 1627, hebben alle de Byschoolmeesters, zoo Duitsche, als Fransche, aan de Heeren Borgermeesteren de ontslaginge van gemelde belastinge der Stooters bv Requeste verzocht, de welke hun ook by Apostille der Vroedschappen is vergunt en toegestaan, hebbende de Heeren Borgermeesteren tot dien einden met den Rectoor van de groote Schole over de verhoginge van zyne Jaarlykze Wedde ofte gagie ten dezen aangezien gehandelt, en verdrag gemaakt.Zie de Beschr, van Haarl, door S. Ampzing, p. 511. - ↑ 1 Exod: 31. vs. 35,
- ↑ 2 Tob: 2, vs. 19.
- ↑ Gen: 3. vs. 19. 2 Tessal: 3 vs. 10, 11, 12.