De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Hendrik Graauw
| ← Mathias Withoos | De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen, deel 2 (1719) door Arnold Houbraken | Roestraten → |
[ 189 ]HENDRIK GRAAUW is geboren tot Hoorn van brave ouders; dog het Jaar van zyne geboorte heb ik niet konnen opspeuren; maar nadien hy is geweest een leerling van Jakob van Kampen ’t zamen met Mathias Withoos, die ook zyn reysgenoot was, vond ik reden om hem nevens den zelven op ’t Jaar 1627 ten tooneel te voeren.
Zyn eerste onderwyzer in de Konst is geweest Piet. Franze Grebber van Haarlem. Daar na raakte hy by Jak. van Kampen, Bouwmeester van ’t Raathuis te Amsterdam, daar hy ruim acht jaren by geweest is, doende in dien tyd niet anders als teekenen en allerhande voorwerpen ordineeren, tot dat Prins Maurits, toen uit West-Indien geko[ 190 ]men last gaf aan gemelden van Kampen, om vier groote vakken in de Coepel van de vermaarde Zaal van ’t Princen Huis in ’t Bosch te beschilderen, daar hy neffens zyn ouden Meester Grebber en noch twee anderen aangestelt werd.
In den jare 1648 kreeg hy zucht om Rome te zien, daar hy niet lang op draalde, want hy vont gelegentheit te water op Livorne. Te Rome gekomen heeft hy byzonder yverig en naarstig zig geoeffent, eerst in ’t teekenen naar de beroemde marmere Statuen, naderhant in ’t schilderen naar de beste voorwerpen, en maakte daar in zulken opgang, dat Nicolaas Pouzy, ’er van zyn werken ziende hem de hand op ’t hooft geleid heeft, zeggende in ’t Italiaans: Dat hy nooit geen Hollander had ontmoet, waar van hy groter verwagting had.
Drie agter een volgende jaren had hy te Rome geweest, wanneer hy alle zyne brave Teekeningen en Modellen oppakte en weder naar Holland trok, daar hy zig by wyle t’Amsterdam, by wyle t’Uitrecht onthielt, tot dat 1672 de Fransen in Nederlant gekomen, hy bevreest, alzoo hy kleinhartig was, zig tot Hoorn begaf.
Meer gemelde Bronkhorst heeft my verhaalt, dat hy hem eenige teekeningen liet maken op gegront papier, met Crion opgehoogt, als d’opvoeding van Bacchus, den Triomf van Julius Cesar, en andere, lang 7 à 8 groote bladen papier, waar in hy zyne bekwaamheid in ’t ordineren, kundigheit in het naakt, de rykheit van zyn Geest, en konstige wyze van behandelingen dede zien. Buiten dit bezat hy niets om zig bemint of aangenaam te maken by de waerelt; want hy was byzonder bloo en stil. Ten zy hy by liefheb[ 191 ]bers van de Konst was, en gelegentheit vont om over het schoone, de ziel van de Konst, te spreken.
Hy is tot Alkmaar gestorven, ongetrout, na dat hy acht of tien jaren daar gewoont, en weinig geschildert had.