De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Hendrik Verschuuring
| ← Roestraten | De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen, deel 2 (1719) door Arnold Houbraken | Wilhelm Verschuring → |
[ 192 ] [ 193 ]HENDRIK VERSCHUURING geboren tot Gorkom in ’t Jaar 1672, was de Zoon van een Hopman in dienst van den Staat. Deze, welke een teedere geneigtheit voor zyn Kind had, te meer alzoo het zelve in zyn vroege lentejeugt zwakker en teederder dan wel anderen was, had veel bekommertheit daar over, niet wetende wat daar mede te zullen aanvangen, of waar heen te leiden; wyl de jongen voor den Wapenhandel niet geboren scheen te zyn. Maar ’t leed niet lang of het middel van zyne kostwinning ontdekte zig in de geneigtheit, welke strekte tot de teekenkonst. De Vader dit bemerkende bestelde hem straks, ter ouderdom van acht jaren gekomen, by eenen Dirk Govertsz. Portretschilder, om in de beginselen der teekenkonst onderwezen te worden, by welken hy bleef tot zyn dertiende Jaar, wanneer hy besteet wierd by den beruchten Jan Bot tot Uitrecht, waar by hy nog zes agtereenvolgende Jaren bleef, naarstig en vlytig zig oeffenende in teekenen en schilderen. Toen bekroop hem de reyslust, zoo dat hy naar Rome ging; daar hy om zyn Konst voort te zetten, zig stadig bezig hield met teekenen naar de konstige marmere beelden; en het naakt op de vermaarde Roomsche teekenschool. Maar om dat zyn geest hem meer en meer leyde tot het schilderen van Paarden, Jachten, Rooveryen, Veltslagen enz. als ook tot het teekenen van oude ruinen, en gesloopte gebouwen, en Eerteekenen, vertrok hy gins en elders, om allerhande voorwerpen op te zoeken waar toe zyne genegenheit hem trok. Ook teekende hy het opmerkelykste in de voornaamste Steden waar hy gewoont heeft, als Rome, Florence en Venetien, zelf ook vele van de nieuwe gebouwen en Paleizen, waar door hy [ 194 ]Bouwkundig werd, ’t geen hy uit verscheiden stalen naderhant in zyne penceelwerken heeft doen blyken. Te Venetien was zyn penceelkonst inzonderheit gewilt, en hy door de zelve, en door zyn hups gedrag by alle grooten bemint. Na dat hy dus den tyd van tien jaren in Italien had doorgebracht, schryft du Pilé, (maar zyn Zoon de Heer Willem Verschuuring meld in een brief aan my geschreven van vyf jaren) keerde hy te rug na zyn Vaderlant; doch volbracht toen zyn voornemen niet; want nemende zyn reis door Zwitzerlant op Vrankryk ontmoette hy tot Parys den Zoon van den Heer Borgermeester Maarzeveen, die een speelreis naar Italien ging doen. Deze lokte hem (zonder veel moeite) van zyn voornemen af, om hem te verzelschappen in Italien, gelyk hy deed. Hy bleef daar drie jaren, en kwam eindlyk in den Jare 1662 in zyn geboortestadt Gorkom gezont, en vol schildervuur (om aan alle Konstminnenden te doen zien wat hy gevorderd was) met voornemen van daar zyn rust te nemen.
Hy zette zig zonder lang dralen tot het oeffenen van zyn Konst, daar hy straks beminnaars toe vont, dat hem den lust meer en meer deed wakkeren, en dus geen moeiten ontzien om de byzondere voorwerpen, daar zyn Konstzucht op doelde, na te sporen. Dus begaf hy zich gins en herwaard in de legerplaatsen en waar schermutzelingen (inzonderheit onder de Ruitery) voorvielen; waar hy dan een afschetzing maakte in een Boekje dat hy tot dien einde altyd by zig had. Inzonderheit vont hy daar toe gelegenheit aan de hant in de jaren 1671 en 72, achtgevende op de wyze van Camperen, orde in vechten, aftrekken, vluchten, en uitplonderingen der dooden en gekwetsten na den [ 195 ]Veltslag, vorders den ganschen toestel en omslag die tot een leger behoort. Van welke geschetste voorwerpen hy zig naderhand bediende, en gebruikte voorts het leven tot de voornaamste beelden en paarden: als my gebleken is aan een groot stuk woelig vol werk en konstig geschikt, verbeeldende een stroopery van Vee, en Menschen. ’t Verschiet vertoont een Zeestrant, en Schepen aan den wal, waar heen een gansche dreef van slachtvee, en geplonderde goederen vervoert word. Op den voorgront word een Heerschop geweldigerhand van de roovers gegrepen, die schoorvoetende tegens de vervoering, om verlossing uitziet, terwyl zyn Vrou aan het hoofd dier bende, rustig te paard gezeeten, veelerhande Zilverwerk, met gebogen knien daar voor aanbied. Dit alles is zoo natuurlyk geschildert, en fix geteekent, dat het wel onder de braafste Konst van onze Nederlantsche Meesters getelt mag worden. Thans is de Heer Gysb. van Aalst te Dordrecht daar bezitter van.
Door zyn geboorte, verstant, en prysselyk gedrag, waar door hy by elk bemind was, werd hem het Magistraatschap van zyne geboortestadt opgedragen, ’t welk hy met veel roem bekleed heeft. Doch hy liet egter niet na dagelyks de Konst te oeffenen, die hem goed voordeel by bracht, zoo dat hy lustig en gelukkig leefde.
Om een kleine reis te doen (wie kan zyn noodlot voorzien?) begaf hy zig te scheep, daar een sterke onweerbuy hem deed verongelukken, zynde twee uuren van Dordrecht, op den 26 van Grasmaand 1690, in den ouderdom van 63 Jaren.
F.G. Westhovius, Rector der Latynsche Scho[ 196 ]len te Gorkom, zond my dit volgende byschrift op des zelfs afbeeltsel (geplaatst in de Plaat H 1.) door hem zelf berymt in een Brief.
De paerel aan de Kroon van Gorinchems banieren;
Rechtschapen kroost als van Parrhasius geteelt,
Dat op zyn’ trekken trekt met onnavolgb’re zwieren.
Wil iemant klaarder licht dan uit dit beeld, en vaars?
Zoek hem in lofspraak by het puik der Konstenaars.
