De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Jakob Delff
| ← Zacharias Paulusz. | De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen, deel 2 (1719) door Arnold Houbraken | Jan Baptist van Duinen → |
[ 56 ]JAKOB DELFF, Zoon van den Konstryken Willem Jacobsz. Delff, die getrout was met de Dochter van den beruchten Apelles dier Eeuw Michiel Mierevelt, en gelyk als uit de konst geboren den 24 van Lentemaand 1619, heeft met geen reden konnen naarlaten zig daar in te oeffenen, hebbende het geluk van een Grootvader zoo roemrugtig tot leermeester, aan wiens konstvuur hy de fakkel zyns vernufts dagelyks kon ontsteken. En schoon geen nootdruft hem spoorde, nog hy iets behoefde te doen, is hy nogtans door eigen natuur-drift en yver, zoo veer in de konst gevordert, dat hy pourtretten heeft gemaakt, die nevens die van zyn Grootvader wel mogten gesteld worden; gelyk te zien is te Delf op de Doele, daar hy Hopman, Vaandrig, en Rotmeesters van het witte Vaandel ten voeten uit geschildert heeft, zoo meesterlyk en konstig dat het wel verdient op een openbare plaats te hangen om van konstminnaren gezien te worden, gelyk het ook, na dat de oude Doele door den slag van buskruid op Maandag den 12 van Wynmaand 1654 voor middaags ten half elf uuren was ingestort, is gebragt op de nieuwe Doele, en geplaatst tusschen de twee stukken van beide zyne Grootvaders, van Vaders en Moeders kant. Hy is geweest Raad en Have-meester der Stadt, en overleden den 12 van Bloeimaand 1661. Zyn naargebleven Huisvrouw, Anna van Hoogenhouck, heeft te zyner gedachtenis door Pieter Rycks meester Beelthouwer, een [ 57 ]sierlyk uitgehouwen steenwerk boven zyn Graf doen oprechten, met dit Latynsche opschrift:
DEO OPT. MAX.
ET
Piæ Memoriæ Amplissimo Viro
D. JACOBO DELFF,
Qui Senatoria Ædilitiâque, in urbe Delfensi,
Dignitate cum laude functus, prid. Id. Jun.
Ano. CIƆ. IƆC. LXIo. Ætatis vero suæ
XLIIo, vita cum morte commutata,
desideratus beatorum resurrectionem
hic expectat.
MARITO CARO ANNA AB HOOGENHOUCK
ABRAHAMI FILIA:
Hoc qualecunque Monumentum mœrens posuit.
SEQUAR TE DILECTISSIME CONIUX.