De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Jakob vander Does
| ← Wallerant, Jan, Bernard, Jaques en Andreas Vaillant | De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen, deel 2 (1719) door Arnold Houbraken | Theodoor Helmbreker → |
[ 105 ]Nu volgt JAKOB vander DOES, geboren tot Amsterdam 1623 den 4 van Lentemaand. [ 106 ]
Zyn Vader was geheimschryver van de Assurantie-Kamer, en zyn Grootvader Geheimschryver van de vermaarde koopstadt Amsterdam. Zyn Vader, die een eenige Zoon was, en waar mee het ging als het spreekwoord zeit, mal Moertje, mal Kintje, nam naderhant weinig acht op zyn staat, en ging door onbedachtzame Borgspreking te gronde. Deze vroeg gestorven werd beslooten, dat men onzen Jakob de Konst van Schilderen (daar hy van Natuur toe geneigt was) zou laten leeren om zyn kost daar mede te winnen, by Nicolaas Mojaart. En na dat hy eenige Jaren by den zelven geweest had, en byna op eigen wieken dryven konde, ging hy met zyn 21 Jaar naar Vrankryk, en voort te voet met gezelschap naar Italien. Te Rome gekomen ontmoette hy straks verscheide Schilders die hy in Hollant gekent had, welke hem met veel liefde verwelkomden, en naar den naasten drinkwinkel wilden slepen, dat hem verlegen maakte; aangezien zyn beurs ledig was, waarom hy ’t weigerde. Zyne kennissen dien dit doen vremt voorkwam drongen hem al schoorvoetende ter Herberg in, wanneer eindelyk het harde woord, dat hy geen geld had en voornemens was soldaat te worden, daar uitquam, daar wel hartelyk om gelachen wierd van de Hollanders, die gewoon zyn hunne Lantslieden niet in verlegentheit te laten. Dus spraken zy hem moed in ’t hart, verzochten hem lustig te willen wezen, maakten hem dien zelven avond Bendvogel, en noemden hem; om dat hy gesegt had soldaat te willen worden, en om dat hy kort van Persoon was (dewyl men gewoon is de kortsten tot Tromslagers te gebruiken) Tamboer. Verscheiden jaren bracht hy te Rome met yverig teekenen en schil[ 107 ]deren door, oeffenende zig naar de beste voorbeelden, inzonderheit van Bamboots. Doch hy maakte geen grooten opgang: aangezien hy zig door zyn wyze van leven niet wist bemint te maken, zynde doorgaans stil, en droefgeestig, het welk ontsproot uit naaryver dien hy had, wanneer hy zag dat anderen hem in Konst voorby streefden, waarom hy zig zelven door ’t Penceel zelden genoegen konde geven, ook wel de konstoeffening, als het niet na zyn zin uitviel, vervloekte. Weder in ’t Vaderlant gekeert (zyn Moeder onderwyl was tot Amsterdam gestorven) zette hy zig ter neer in den Haeg met zyn zuster die het Huisbestier waarnam tot dat hy kwam te trouwen met Margarite Boorfers, daar hy veel gelt mee behuwlykte. Dese Margarite was ook zelf een liefhebster van de Schilderkonst en oeffende zig in ’t teekenen. Hy kreeg by haar vier Zonen en een Dochter, waar na hy haar in ’t Jaar 1661 door ’t sterflot verloor. Zulks hem zyn zuster doen weer te pas kwam tot de opvoeding zyner Kinderen. Hy maakte grooten rouw over zyn Vrou, zoo om dat hy haar minde, als om dat hy een jaarlyks inkomen van 700 gulden lyfrenten met haar miste. Dit bracht hem eerst tot lusteloosheit, daar na tot traagheit, zoo dat hy in vier agtereenvolgende jaren geen een Penceelstreek op Paneel zette, ook naderhand traaglyk aan ’t Schilderen was te brengen, en zoo hy ’t al deed met luttel yver, waarom zyne Vrinden die hy tot Amsterdam hadde, voorsiende dat hy tot Armoede zoude geraken, hem het Sekretarisampt te Sloten buiten Amsterdam bezorgden; ’t geen hem den Schilderlust scheen op te wekken; want hy daar een stuk dat seven jaren onder de hand geweest had, afmaakte, ’t geen [ 108 ]de beruchte Konstminnares Juffrouw Oortmans voor een goede som gelts van hem kocht; want dit geluk had hy, dat hy in zyn leven meer prys daar voor bedongen heeft, als de zelve nu mogen gelden. Verscheiden andere stukken meer heeft hy in dien tyd gemaakt, die den maker wel altyd zullen roemen. Hy kwam ook andermaal te trouwen met een Juffrouw daar hy veel geld mee had, en eenen Zoon by won, die hy noch in korter tyd als d’eerste door de dood verloor. Hy hield in dien tyd kennis met den braven Konstschilder Karel du Jardin, doch zy waren altyt, wanneer zy over de Konst spraken, met malkander in geschil; aangezien Karel de heldere en hy de bruine wyze van schilderen voorsprak; egter altyt goede vrienden. Gelyk die ook voor zyn sterftyd (welke voorviel op den 17 van Slachtmaant 1673) opzichter over zyne nalatenschap gemaakt werd. Hy liet na twee Zonen en eene Dochter van zyn eerste, en een Zoon van zyn tweede Vrouw, van welke Hy Simon alleen tot de Konst opgekweekt heeft dien wy op zyn jaarbeurt gedenken zullen.
Zyn Beeltenis gevolgt naar een Afteekening kan men zien in de Plaat F. 2.
Wat zyne Konstwerken aanbelangt, die zyn yder bekent, dus zeg ik alleen tot zyn roem, dat hy de verkiezing van ’t licht en bruin, en de Koppeling der Dieren wonder wel verstaan heeft, en dat niemant in ’t schilderen van Schaapjes, zoo in natuurlyke tykening als wyze van schilderen, hem te boven gaat.
