Naar inhoud springen

De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Jan Albertsz. Roodtseus

[ 11 ]Zyn Stadt- tyd- en Konstgenoot JAN ALBERTSZ. ROODTSEUS was een vermaart Schilder van levensgroote pourtretten, en daar in zoo veer gekomen dat velen dezelve zoo waardig van Konst hebben geschat als die van Bartolom, vander Helst waar aan wy zoo even gedagt hebben: dog dit, eer ik myn toestemming daar aan zou geven, moest eerst ter proef gebracht, en met malkander vergeleken worden, daar ik wel lust, maar geen tyd of gelegenheit toe gehad heb.
Hy was een Leerling van Pieter Lastman. Te Hoorn in de oude en nieuwe Doele zyn verscheiden gezelschappen van Schutters door hem geschildert, die byzonder geroemt worden, getekend 1651, 1652, en 1655, wanneer hy veertig Jaren oud was. Hy was een man zedig in zyn gedrag en byzonder naarstig in zyne oeffening; en liet een Zoon na Jakobus genaamt. Deze was een Leerling van den ouden de Heem wiens wyze van schilderen hy wonder wel wist na te bootzen, zoo dat hy in zyn tyd geld en achting aanwon; doch was van een zwaarmoedigen geest bezeten, waar uit zommigen, die aan de Predestinatie geen geloof slaan, besluiten dat hy zyn levensdraad ver- [ 12 ]kort heeft. Hy stierf ontrent den Jare 1681, out zynde vyftig jaren.