Naar inhoud springen

De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Jan Baptista Weeninx

Uit Wikisource
[ 76 ]Wat roem oudtyts Athene de School der Geleertheid gehad heeft: hoe in later tyd Rome, de kweekschool der Schilderkonst geacht wiert te wezen: als ook hoe zy hare Leerlingen uit alle oorden, om hare schoone voorwerpen, heeft weten uit te lokken; ja met hoe groote drift velen [ 77 ]hun Vaderlant vaarwel zeiden, derwaarts zig wendende, om hunne zucht, en neiginge te voldoen, hebben wy meer als eens voorheen aangewezen, en staat nader bekragtigt te worden, door het voorbeeld van den voornamen Konstschilder
JAN BABTISTA WEENINX gebynaamt de Ratel[1] geboren tot Amsterdam in ’t Jaar 1621.
Zyn Vader Jan Weeninx was een vermaard en Konstig Boumeester, waarom hy ook door de wandeling genoemt wierd, Jan met de Konst. Deze hem te vroeg, en als hy noch maar een Jaar oud was door de dood ontrukt, geraakte hy onder het bestier van zyn Moeder en Voogden die hem, die byzonder leesgierig was, by een Boekverkoper bestelden, om verstant van den Boekhandel te krygen. Maar wanneer zyn Meester met hem niet konde te recht raken, doordien hy in stee van acht op den Winkel te slaan, alle Papier dat hy maar bekomen konde beteekende, zoo bestelden zy hem in een Lakenwinkel, maar het was al ’t zelve, waarom hem zyn Moeder, om dat hy niet anders doen wilde, en zy hem van harte beminde, hem ten gevalle bestelde om de gronden van het teekenen te leeren by eenen Jan Micker, een gemeen Schilder; naderhant by den vermaarden Abraham Bloemaart tot Uitrecht. Daar won hy in korten tyd veel in de Konst aan, en besteedde zelfs zyn buiten tyd neerstig in ’t teekenen naar ’t leven, zoo wel van oude vervalle Schuuren, Huizen, als andere dingen die hem teekenagtig voorkwamen. Eindelyk leerde hy nog omtrent twee Jaren by Nicolaas Mojert, wiens behan[ 78 ]deling hy zoo even eens wist na te bootzen, dat men tusschen die van hem en zyn Meesters stukken geen onderscheit konde zien. Waar na hy by zig zelf de Konst voort oeffende, en veel fraje stukken in dien tyd schilderde.
Met zyn 18 Jaar trouwde hy met de dochter van den Lantschapschilder Gillis Hondekoeter, den Grootvader van Melchior Hondekoeter, die uitmuntende was in ’t schilderen van allerhande Vogelen.
De reislust die hem van jongs af aan in ’t hooft gemaalt had, en waar van hy eerst door zyn Moeder, naderhand door ’t trouwen belet werd, groeide zoo sterk aan, dat hy (niettegenstaande hy vier Jaren getrout was geweest, en een Zoon had van 14 Maanden, die nog leeft) voornemens wierd, om in der stilte, en zonder daar ymant, ook niet zyn eigen Vrouw, kennisse van te geven, daar te gaan. Gelyk hy ook vervolgens deed.
Zyn Vrouw die hem miste, en nergens konde opspeuren waar dat zy ook naar hem omhoorde, werd achterdenkende, om dat hy dikwerf getoont had groote geneigtheid te hebben van Rome eens te zien. Dus maakte zy verscheiden van zyne vrienden op, om door de Steden van Hollant, nazoek naar hem te doen, die hem eindelyk te Rotterdam aantroffen, en hem zoo veer bepraatten, dat hy met hun weder naar Amsterdam scheepte, onder beding dat hy maar behoorlyk afscheit wilde nemen.
Dit stuk ging aan, onder wederbeding dat hy niet langer dan vier maanden soude uitblyven: dog heel noode, en tot groote droefheit van zyn Moeder en Echtgenoot. Maar deze vier maanden verwisselden zig in vier Jaren, aangezien hy om zyn groot [ Plaat C ]
[ 79 ]vernuft en uitstekende konst alom in Rome bemind wiert, en de handen zoo vol werk kreeg dat ’er geen eind aan scheen te zullen wezen. Des hy na het verloop van twee Jaren (gedreven door liefde tot zyn Vrouw) aan den Kardinaal Pamfilio, (in wiens dienst hy toenmaals was, meermalen verzocht een reis naar Hollant te mogen doen; om zyn Vrouw en Zoon die hy daar gelaten had te mogen zien. Maar dit alles kon niet helpen by den Kardinaal, die hem by uitnementheit beminde, en om hem van zyn voornemen te verzetten hielp in dienst van den Paus Innocentius, voor wien hy een groot werk maakte, waar toe hy nog verscheide anderen in zyn dienst had. De een en de ander bespeurende zyne geneigtheid, droegen hem voor, dat hy zyn Vrouw zoude tot Rome ontbieden. Dit maakte hy werkstellig door verscheiden brieven, met betuigingen van zyn groot verlangen, met verzekeringen dat zy daar welkom wezen zoude, en hoe de Paus, en Kardinaal beloften hadden gedaan van aan zyn Zoon dienst te doen, en hem te bezorgen met een ampt. ’t Een en ’t ander deed haar besluiten, om te schryven aan haar Man, dat zy op zoo een tyd, en met zulk een Schipper op Rouaan meende te varen, en van daar haar reys voort te zetten naar Rome.
Zoo haast als deze blyde tyding kwam, werd ’er straks aan alle Nunciussen en Gouverneurs van al die plaatzen die zy moest doorreizen geschreven, om haar buiten onkosten, goed geleide te bezorgen. Doch alles te vergeefs; want hare vrienden hadden haar onderwyl weten om te praten, haar voornemen gestuit, en daar van afgeschrikt, met te zeggen, datmen haar daar zynde in een Klooster zou zetten, dat ’er voor hem Vrouwen ge[ 80 ]noeg waren, en diergelyke voorspellingen; want hare Vrienden die alle Gereformeerd of Mennonist waren, waren met een vooroordeel tegens de Roomsgezinden voor in genomen. Zy zond dan door hare Vrinden opgerokkent een brief van een geheel verscheligen inhoud naar Rome, te weten dat zy van voornemen verandert was, en niet wilde komen in zoo een landt, enz. Wat raad? zyn liefde drong hem om haar zelf te halen, zoo, dat wanneer hy geen verlof daar toe konde bekomen, hy in der stilte van Rome vertrok, en liet een open brief in zyn vertrek, waar in hy te kennen gaf, dat hy voornemens was binnen den tyd van drie Maanden weder te keeren.
Hier zynde werd hy van yder aangezocht, en gebeden om iets te willen maken. Zelfs de grootste liefhebbers van konst lieten hem niet ongekwelt, zulks het hem niet mogelyk was zoo haastig weder te konnen vertrekken, schoon ’er geduurig Brieven van den Kardinaal Pamfilio, en anderen kwamen.
Zyn Vrouws Broeder, die te Uitrecht woonde, ging hy bezoeken, en bleef daar om de gezonde lucht wonen, doch wilde egter alle Jaren weder naar Italien. Maar daar kwam niet af: want zyn Vrouw en goede Vrinden, waar onder menschen waren van den eersten rang, verbaden hem t’elkens, en verydelden dus dat voornemen, waar door het daar na geheel is agter gebleven.
In dien tyd heeft hy veel voorname konststukken gemaakt, en zou ’er meer konnen gemaakt hebben, indien hy zoo veel brave luiden niet aan zyn snoer gehad hadde, die hem gestadig van zyn werk aftroonden om zyne spraakzaamheid en verstand, zoo in geestelyke als waereltlyke zaken. [ 81 ]
Maar als hy eindelyk overweegden ’t verlies van zyn kostelyken tyd, door den aanloop van al ’t gezelschap, ging hy twee uuren boven Uitrecht, by het dorp de Haar, op het oud Adelyk Huys ter Mey woonen, om aldaar zyn konst met minder verlet te oeffenen, alwaar hy in ’t laatste van het derde jaar kwam te overlyden, in den ouderdom van 39 jaaren. Hy liet twee Zoonen na; waar van de oudste 16 jaar zynde, nog leeft en de Konst oeffent.
’t Geen tot luister van zyn naam moet gezecht worden, is dit, dat ’er voor hem geen bekent is geweest, die zoo de Konst in ’t algemeen verstaan heeft, als hy. En daarom is hy by alle Konstkenners hoog geschat geworden, om dat hy niet een deel van de Konst, als anderen, maar de selve in alle deelen volmaakt verstond. Het zy dan dat hy Beelden, Dieren, Landschap, Zee, Stilwater met Schepen, enz. maakte, elk was in zyn soort even natuurlyk en konstig, zoo dat hy alle Konstschilders te gelyk na de kroon dong, ja zelfs met van Aalst, vermaard in doode Vogels, en Emanuel de Wit, geroemt om zyn wetenschap in de Doorzichtkunde, om stryd geschildert heeft.
Het vast begryp dat hy van de verschillende voorwerpen had, en de lichte bevatting van de onderscheiden behandelingen, deed hem alles onderneemen, zelf het schilderen met duim en vingeren, daar in navolgende Kornelis Ketel, daar van Mander van melt, in zyn Boek op pag. 195. Hier toe nam hy ten voorwerp eenen Orions, opzichter van den Doms tooren, en bediende van het Capittel, die een beminnaar van de konst was, ook by wylen het penceel hanteerde. Dit pourtret geleek wel, en stont wat van de hand gezet, zoo [ 82 ]levendig en krachtig, al of ’t door het penceel geschildert waar geweest. Ook was hy inzonderheid in ’t groot uitnement vaardig, zoo dat zyn zoon, die my dit zelf mondeling betuigt heeft, hem op eenen dag verscheiden malen heeft zien beschilderen, een doek van 6 a 7 voeten breed, daar Gebouwen, Zee en Schepen, of een Bul en verscheide Honden naar het leven geschildert, in kwamen, met een Landschap en ander bywerk. Van gelyke drie pourtretten levensgroot half lyf met bywerk te schilderen op een Somersen dag, was voor hem maar speelen gaan. En schoon zyne geneigtheit wel het meest naar het groot helde, nochtans verstond hy ’t kleen schilderen meesterlyk, doch daar was geen grooter last voor hem als het kleen en uitvoerig schilderen, dat hy steets verwenste. Hierom ziet men dat ook maar zelden.
Het Konststukje verbeeldende een vrolyk gezelschap, zommige zeggen de Verloore Zoon, doch ’t meest bekent door den naam van ’t pissend Jongetje, nu door Nik. Verkolje uitvoerig in zwarte Konst gebracht, is geestig van vinding, konstig in zyn t’zamenstellingen, en met een klikkend en vet penceel geschildert. Het berust thans in ’t Kabinet van den konstliefdigen David Amori.
Maar het eenigste en uitvoerigste Konststuk dat in Nederland bekent is (de rest is opgekocht en naar buitenlandsche Hoven verzonden) is by de erfgenamen van den Heer Wiltschut tot Amsterdam, het geen zodanig uitvoerig geschildert is, dat het voor de konst van Dou of Mieris niet behoeft te wyken. Dit niettegenstaande heeft men hem dikwils hooren zeggen: dat het hem bedroefde en leet was, dat hy met zyne handen niet kon uitvoeren, [ 83 ]’t geen hy met zyn verstand begreep. Zyn Beeltenis van Bartol. van der Helst geschildert, en van ons gevolgt, ziet men in de Plaat C. 1.

  1. Deze bynaam kreeg hy in de Roomsche Bent, omdat hy zig wat verhaastte in ’t spreken, en wat stootende sprak, ’t geen hy uit een soort van beroertheid gehouden had.