De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Jan de Baan
| ← Gerard Uilenburg | De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen, deel 2 (1719) door Arnold Houbraken | Willem vanden Velde → |
[ 303 ]Onder die welke in hun jeugt den Leertyd yverig en naarstig waargenomen hebben, word ook getelt de konstige pourtretschilder JAN de BAAN, geboren tot Haarlem op den 20 van Sprokkelmaand 1633.
Zyn Vader was een koopman in Linnen en Vlas: doch deze, en zyn Vrouw werden door de doodseis afgemaait, als hy pas drie jaren oud was. Van welken tyd af zyn Oom Piemans Hopman en Veertiger tot Emden (die ook de Schilderkonst oeffende, op de wyze van Jan Breugel gebynaamt den Fluweelen), hem in zyn huis nam, en onderwees in de beginselen der Konst. Hy maakte ook veel werk van hem, aangezien hy vernuftig was, en zyn handen tot alles wist te zetten, zelfs des Winters avonts tot naayen en breyen, en andere Vrouwelyke bezigheden, daar zyn Moey groot behagen in had, en hem tot haar gezelschap ook liet voor haar lezen in de Boeken van Amadis van Gaulen. Doch hy had altyd meer zucht tot het leven der Schilders te lezen door Kar. van Mander beschreven, waar toe zy hem nooit behoefde aan te manen.
In ’t jaar 1645 kwam deze Oom te sterven en werd de Baan het jaar daar aan volgende, zynde toen 13 jaren oud, tot Amsterdam bestelt om de Konst onder opzicht van den Konstschilder Bakker voort te leeren, daar hy de gansche dagen, en voort de halve nachten aan zyn huis met vlyt de Konst oeffende, zoo dat zyn opzichtster, daar hy by woonde, dikwerf daar over gromde. [ 304 ]
De noodwendigheit van zyn tyd vroeg en laat in acht te nemen scheen geen wichtige reden by haar te wezen, om nem zulks niet te beletten, of tegen te spreeken. Dus zocht hy zyn oogmerk door list te bereiken. Wat deed hy? Hy stapelde tafel en stoelen op malkander, en maakte zig een stelling in den Schoorsteen van zyn vertrek, op dat men het licht niet zoude ontwaar worden, wanneer men hem kwam bespieden, en zat daar dikwils zoo lang, en zo laat in den nacht te teekenen, dat hy door de kouw welke door den Schoorsteen kwam, zyn Teekenpen door verkleumtheit niet langer kon voeren. (Al wat men willig doet, zeit de spreuk, is geen last) en dus genootzaakt werd om na zyn bed te gaan.
Door dezen yver nam hy zoodanig in ’t schilderen en teekenen toe, dat zyn meedeleerlingen hem daar om nydig wierden, en hem allen smaat en hindernis aan deden, besmeerende zomwyl zyn schilderwerk en gereedschappen met drek en vuiligheit, ’t welk hy alles opkropte, zonder daar over aan zyn Leermeester klagtig te vallen, tot dat die eens onverwagt in zyn schilder vertrek kwam, en hem krytende vont, ’t welk hy wel zocht te verbergen, maar gevergt, zyn noot klaagde. Bakker dit ongelyk niet willende dulden, nam die kwaadaardige knapen hevig deur, en bestrafte hen niet wynig, zeggende onder andere, dat zy nydige beesten waren, en geen van hun alle zoo veer in de Konst komen zoude, als die jonge borst reeds was. Bern. Vaillant de Crioneerder was een van die knapen. Bakker nam het stukje van zyn Ezel, bracht het in zyn Kamer en sprak hem een hart in ’t lyf zeggende: Gy zyt [ 305 ]reeds een meester in de Konst, en niemant zal u dat (’t was een vrouwe Borstbeeld) verbeteren. Hy hielt het te zyner gedachtenis, en vertoonde het tot een wonder aan alle Konstkenners, die hem kwamen bezoeken, die het zelve, vleezig, rond, en krachtig geschildert, prezen.
Na dien tyd nam Bakker hem mee als hy by gezelschap ging, en verzuimde niet zyn Konst, daar ’t pas gaf, te pryzen, om hem bekent te maken, tot dat hy met zyn 18 Jaar zyn onderwyzer plichtig bedankte, om proef te nemen wat hy uit zig zelf zou konnen verrichten.
Nu moest hy zig een wyze van schilderen voorstellen die prysselyk was om zig daar aan te houden. De penceelkonst van Ant. van Dyk was in groote agting, en die van Rembrant vond ook veel aanhangers. Op dezen tweesprong stond hy lang te dutten, niet wetende wat weg best in te slaan, doch verkoos de handeling van den eersten als van een duurzamer aart, tot zyn voorwerp.
In den jare 1660 werd hy door een Konstlievend Heer van Amsterdam naar den Haag gelokt, die hem eens plots op den kruiwagen van zyn geluk beurde; want hy daar van eersten af zoo veel te doen kreeg onder luiden van den eersten rang als hy af konde maken. Onder deze waren de Graaf van Hoorn, de Prins van Tarente, en anderen, waar door de roem van zyn Konst zig verspreidde tot het nabuurig Engelant; zulks dat Koning Karel hem niet alleen liet ontbieden, maar ook door den Lord Killegrey met het Konings Zeejagt afhalen, om zyn en de Koningins pourtret te schilderen. By welke gelegentheit hy ook verscheiden anderen aan ’t Hof schilderde, waar door [ 306 ]Pieter Lely niet weinig floes spon, als het spreekwoort zeit, en bly was als hy hem van achteren zag van daar vertrekken naar s’Gravenhage, daar hy welkom was, en straks gelegentheit vond om de Beeltenis des Hartogs van Cel, nevens eenige schoone Hofdames, te schilderen, daar hy acht dagen over bezig was, en voor zyn Konst met duizent Ongersche Ducaten beschonken werd. Ter zelver tyd schilderde hy ook het pourtret van den Groot Hartog van Toskanen, beschonk ook den Hertog met zyn eigen afbeeltzel, daar de Hartog hem 100 Ducaten voor vereerde, welk borstbeeld nu noch in de Vorstelyke Konstgalery, onder de Beeltenissen der deftigste Konstschilders te zien is. Ook schilderde hy ter zelver tyd de afbeeltzels der Heeren Joan, en Kornelis de Wit, en den Ruwaart in ’t byzonder noch eens levensgroot ten voeten uit in een groot stuk, hebbende ten zetel een opgestapelden hoop Oorlogsgereedschappen, en rustende met zyn eenen arm op den tromp van een swaar geschut. In de bovenlucht van ’t stuk zagmen eenige vliegende Kintjes die zyn heldenhoofd laurierden. Nevens de zelve de snel gewiekte Faam bazuinende zynen lof, en nevens hem ter linker zyde een Vrouwenbeeld en eenige Kindertjes, stortende een overvloetshoorn aan zyne voeten uit. Aan den anderen kant in ’t verschiet vertoonde zig de verovering van Chattam, en de Rivier, neffens het verbranden der Schepen, en Zeekasteelen. Andere Schepen zag men daar de Hollantsche vlag op afwimpelde. Dit stuk konstig en kragtig geschildert, werd geplaatst op het Raathuis te Dordrecht, tot gedenkteeken van die Heldendaat. Maar dit stak den Engelanders te byster in ’t oog, [ 307 ]waarom dit ook daar na onder de Redenen van Oorlog (onder voorgeven dat de Kroon van Engelant smaatheit aangedaan was met de zelve onder den voet van den verwinnaar te plaatzen) als een grieve geplaatst wert. Men zeit ook dat het in den beginne dus wel geschildert was, maar op het eerste gezicht van een Heer weder uitgevaagt wierd. Dog D. Vincentius, die met zyn Dochter getrout is, verklaart my in een Brief geschreven den 2 van Sprokkelmaand 1717, dat zulks nooit geschiet is, en hy ook zulks aan ’t stuk niet heeft konnen ontdekken, ’t zy aan den voet, of in de Cornu Copiae, die van eersten af wel met beeltenissen van Rykdom, maar niets met ’t geen naar Kroon of Septer zweemde, bemaalt was, en by gevolge dit maar een uitstrooizel, en gezogte reden tot Oorlog is geweest. My kwam dit volgende vaars, zinspelende op het bovengemelde Konststuk in de hand, en heb het niet onvoeglyk gedagt hier te plaatzen.
Dus komt de Konst de Wit te maalen,
En ’t Brittenlant rontom in Zee,
De Theems en Chattams kromme ree.
Zoo breektmen ketenen en paalen.
Hier raakt de Britze Vloot in brant,
En ’t geen de vlam ontvlucht aan strant.
Nog een ander.
Den Borgerheer, op wiens verstant, en goet beleit [ 308 ]
De [1] Stadt, en Staat hun rust, en welvaart konnen vesten.
De Faam verbreit zyn lof, van ’t Oosten tot het westen:
En tuigt hoe Londen schrikt, en hoe dat Chattam beeft,
Door ’t staal, en ’t vuur benart, dat ons den Vrede geeft.
Nog een.
Is eeuwig Dordregs roem, de Borgerheer de Wit.
Hoe onvast de Staat der Grooten is, en hoe licht veranderlyk de begrippen van ’t gemeene volk, daar van zyn menigte van voorbeelden die zulks bevestigen.
Vertrouwen zet, in ’s Waerelds dal;
Steunt op een Rietstok.
Want ’s Waerels goet is enkel wint.
Dit driftvuur tot Beeldeschennis sloeg voort tot Dordrecht, daar het graau dit pronkstuk van 's mans Konst geplaatst op 't Raathuis (daar wy even van [ 310 ]gemelt hebben) van een reet, en aan flarden scheurde, zoodanig dat ik naderhant (wanneer Romein de Hooge ’t zelve in plaat zoude brengen) werk had, om uit vele stukken en brokken, (den beeldeschenners in dien tyd ontfutzelt of voor weinig gelt afgekocht) by een verzamelt, een schets van den zamenhang van dit stuk op te maken. Want in dien tyd was het eerste model van dit stuk nog in een onbekenden hoek verduistert, ’t geen thans te Dordrecht by den Konstlievenden Heere Pompe, Heer van den Oostendam in een kas aan den wand te pronk hangt, en nu wel (die stormbuy over gewaait) ter eeuwiger gedagtenisse in dat Stamhuis zal bewaart worden. ’T is ook by de Dochter van den Ruwaart, getrout geweest aan den Heer Simon Muis van Holy, Raad der Stadt Dordregt.
Nog een opmerkelyk voorval is onzen de Baan ontmoet in het voorgemelde troubeljaar, wanneer de Franse Haan met wyde schreden was genadert tot voor den Hollandschen Leeuwentuin, het geen ons lust aan te merken.
Wanneer de Koning van Vrankryk men zyn Krygsmacht tot Uitrecht was gekomen, kwam ’er een Brief aan onzen de Baan geteekent door den Hartog van Luxenburgh, toen Gouverneur van Uitrecht, beneffens een vrye pas, geteekent door den Kommandeur Stoupa, ten einde hy op Seyst buiten Uitrecht wilde komen om des Konings Beeltenis te malen, met belofte van een grote somme gelts daar voor te zullen genieten, dat hem in den Haag betaalt zoude worden; waar voor twee Heeren borg bleven, als mede dat hy buiten eenig gevaar weder te rug zou geleid worden. De Baan vond zig hier door wel ver[ 311 ]eert, maar konde in opzicht van dien tyd, hier toe niet besluiten, overwegende het gevaar, van by ’t gemeen, kwaad agterdenken te zullen geven. Zyn Vrouw riedt het hem ook sterk af, en niet zonder rede: want het konde hem gegaan hebben, als de fabel melt van den Vos en den Ezel. Deze ging naar ’t Hof van den Leeu, daar hem de Vos tegen kwam, dien hy vraagde waar hy zoo schichtig na toe liep? weet gy niet (zeide de Vos) dat de Koning der Dieren een gebod heeft laten uitgaan, waar by alle gehoornde dieren zyn Hof (op lyfstraffe) ontzeit wort? wel Vosneef (zey de Ezel) gy hebt immers geen Hoornen, maar ooren. Dat ’s waar, zeide de Vos: maar als hy nu eens zeide dat myn ooren Horens waren, dan waar ik ’er immers mee gebruit?
De bevinding had hem in dien tyd doen zien dat een kwade naam, of kwaad vermoeden alleen genoeg was om een man van kant te helpen; des ging hy te rade met verstandige luiden, onder andere met den Vorst van Waldeck, die hem wel verzekerde van goed onthaal, en betaling, maar gaf hem in bedenken, ’t geen hier boven gemelt is, van hier door in kwaad vermoeden te zullen vallen by ’t onbezonnen graau, in aanmerking van dien tyd. Te meer wyl hy Hopman van de Borgery in zyn wyk was. Hy liet dan den Hertog van Luxenburg bedanken, en bleef t’huis. Egter is hy naderhant by den Koning van Vrankryk in gedachtenis gebleven, als de voornaamste pourtretschilder in Nederlant; ja de Koning heeft naderhant gewilt dat zyn Ambassadeur d’Avaux, die order had om Konst voor hem te koopen, zig van zynen raad, en oordeel zoude bedienen.
Hy heeft ook veel eer en voordeel genoten van [ 312 ]den Keurvorst van Brandenburg Frederik Wilhelm, wiens beeltenis hy verscheiden malen heeft geschildert, als ook vele Vorstelyke Perzoonen.
Eyndelyk heeft gemelde Keurvorst by een verzegelde Acte geteekent den 23 van Hooymaand 1676, hem verkozen tot zyn Opperhofschilder en Surintendant van zyn Konst, en Konstacademie, en toe geleit een Jaar gelt van zes duizent guldens. Doch zyn Vrou, zedig en borgerlyk van aard, had geen geniegtheit om te Berlyn aan ’t Hof te wonen; zulks hy zyn Keurvorstelyke Doorluchtigheid moest bedanken, die dan verzocht een van zyn beste Leerlingen, waar toe hy uitkeurde Jan van Sweel welke veer in de Konst gevorderd was, en de handeling van zyn Oom na by kwam. Deze ging daar heen, en kreeg Jaarlyks twee duizent gulden, de vrye tafel, en een eygen paard op stal.
Vier of vyf malen heeft hy den Prins van Oranje (naderhant Koning van Engelant) op verscheyden tyden, ook met zyn Princes, als ook den Hartog van Jork (als hy hier te land was) geschildert, neffens een groot getal van minder Heeren, en Borgerlyke Persoonen te lang om te verhalen. Waar onder het pourtret van myn Schoonvader Jakob Sasbout Souburg, Operateur, mee op de lyst komt.
Onder zyn grooter penceelwerken, waar in hy inzonderheit zyn konst getoont heeft, word getelt, het stuk van de Regenten van ’t Tugthuis t’Amsterdam. Tot Leyden op de Lakenhal de vier Staalmeesters in een stuk, gejaarmerkt 1675, op den nieuwen Doele in den Haag, de Borgermeesters, Schepenen, Geheimschryver enz. waar voor hy duizent Ducatons heeft gehad. Nog tot Hoorn [ 313 ]twee groote stukken, in ’t eene waar in de Heeren Bewinthebbers van de Oostindische Maatschappy, en in ’t ander de Hopman, neffens de mindere bestierders der Borgery geschildert staan. Maar ’t geen waar aan hy zonderling zyn Konst getoont heeft, is de Beeltenis van Prins Maurits van Nassou Ziegen, de welke zelf behagen nam zoo lang, en zoo dikwils te zitten als hy ’t begeerde, die zig daar ook van bediende, en het ten uitersten naar de Konst uitgevoert heeft tot groot genoegen van den Vorst en alle Konstkenners. Dikwils heeft hy te Kleef, en elders den Vorst tot gezelschap geweest, welke veel werks van hem maakte. Ook maakte de Vorst dit bovengemelde konstig geschilderde pourtret voor zyn overlyden weder aan hem, die het om die waardige gedachtenis, door ’t dagelyks zien, te vernieuwen, als ook om dat dit het proefstuk van zyn penceelkonst was, ’t zelve zoo lang hy leefde (hoe dikwils daar om aan gezocht) niet wilde verkoopen, en ook aan zyne Kinderen (op zyn ziekbed leggende) met nadruk belastte ’t zelve niet te verkoopen, dan alleen aan ’t Hof van Brandenburg, gelyk dit stuk dan ook eerst in den jare 1702 (wanneer de Koning van Pruissen in den Haag was, de Baan dat zelve jaar gestorven zynde) door zyn Dochter aan den Koning werd geprezenteert, en verkocht voor vier hondert Ryksdaelders.
Hy heeft in zyn tyd door de Konstoeffening veel gelt gewonnen, maar heeft ook rykelyk daar van geleeft en al die hem kwamen bezoeken waren hem welkom. Een nieuwen Hoed, (dit was zyn spreuk) en een Oxhoofd wyn op een jaar meer, daar maak ik veel goede vrinden mee. Hy kreeg ’er ook vrienden door, maar wel meest panlikkers, [ 314 ]of tafelbezems, waar onder was de lantschapschilder B. Appelman, die weeken lang gewoon was op vreemde bodems te oorlogen.
Men leest by Livius, hoe Menenius Agrippa van den Roomschen Raad tot de afgevallen Borgers gezonden, om hen tot wederkeeren te bewegen, deze Fabel, of gelykenis voorstelde: Dat de leden des menschen lichaams op een tyd met malkander in twist raakten, en klaagden over de maag. Hoe de voeten ’t geheele lichaam droegen. Hoe de handen arbeyden, en streden. Hoe het hoofd altyd met bedenkingen en overleggingen bezig was, en dat al wat zy daar mee wonnen of verkregen, altemaal door de maag verteert wierd, die niet arbeydde. Maar wy mogen wel zeggen (zinspelende op de schuimloopers waar van wy even melden) dat onze de Baan veel magen had, die ’t geen hy door zyn vernuft en handen gewonnen hadde, hielpen verteeren. Hier by had hy zes Kinderen en nog drie van zyn Zuster, en vyf van zyn Vrouws Zuster, zoo in als buitenshuis tot zyn last, die niet als de Steur, van den wind konden leven; dat hy aan zyn kas in later tyd best gewaar wierd; want zyn gelukstar was al eenige jaren voor zyn sterven onder gegaan.
Zyn Zoon JAKOBUS de BAAN oeffende mee de Schilderkonst, dog zyn levenslamp werd door de dood op zyn 27 Jaar gedompt, daar zyn Vader grooten rouw over droeg, in die twee jaren die hy na hem leefde. Wy zullen aan hem op zyn geboortejaar gedenken.
Nu heb ik noch een opmerkelyk en zeltsaam geval te verhalen, ’t geen onzen Konstenaar ontmoet is. Laat het u niet verdrieten Lezer zoo het [ 315 ]wat lang valt. Waren ’t beuzelingen ik zou my schamen u dien last aan te doen.
Alle dingen (zeit het spreekwoort) hebben twee handvatzels.
Dit ziet op de tweederhande of verschillige opvattingen, waar door de voorkomende zaken op het gemoet der menschen verschillige aandoeningen schynen te bewerken.
Schynen te bewerken (zeg ik) om dat alle voorkomingen eenvoudig enkel bespiegelend zyn, en de werkingen, die ’t zelve veroorzaaken, van de gestalte des gemoets afhangen, en de meerder, of minder aandoeningen, ten kwade of ten goede, van de goede of kwade geaartheit haar oorzaak hebben.
De gaven der Konst zyn ongelyk gedeelt, en de eene steekt in hoogte uit boven de andere als een Ceder by het lage kruid. De hoogste zyn de laagste (op de Schilderkonst toegepast) als het doel, waar naar elk mikt met den pyl van zyn gewiekt vernuft, en zal die, welke zig ’t yverigst daar in oeffent, ’t wit digtst by beschieten. Dit veroorzaakt in de genen die in ’t treffen te kort schieten (zoo de zelve een edelmoedigen geest bezitten) naayver en voelen zig gespoort om in die oeffening niet op te houden. Dus moeten de Konstoeffenaars zich ook onderling gedragen. Maar zoo haast ’er in dit opzicht afgunst ryst, is ’t een bewys van ’t kwaat gemoet, het welk in anderen benyd, ’t geen het behoorde te pryzen.
Dit ontdekt zig meest in lafhartigen, en die een lagen geest bezitten, die liever aflaten van zich voort te oeffenen; om hun werk te maken van het doen der bovenstrevers te verguyzen, en hun roem met scheef gezicht te begluuren. [ 316 ]
’T lust ons door loflyke voorbeelden aan te wyzen hoe de Konstschilders zig onderling onder malkander behoorden te gedragen, om de Konst aan te kweken, te bouwen, en haar agting op te beuren. Waar na wy de kwade gevolgen die uit afgunst spruiten, (wanneer men die drift den toom los geeft) met een zwarte kool (ten spiegel) zullen afschetzen.
De drie Gratien door Rafael van Urbyn geschildert te Rome in ’t Paleis Petit, of kleen Gegy genaamt zyn berugt voor een van zyne beste werken, en versieren het voorportaal van gemelde Gegy, of Chisi. Nu verspreyde het gerugt dat de Galathe, die hy in een der zaalen schilderde, noch ongelyk schooner en konstiger zoude wezen. Michiel Angelo belust om het stuk te zien wyl het nog onderhanden was, dog geen gelegentheit daar toe hebbende, zoo om dat niemant toegang daar toe gelaten wierd, als om dat zy geen goede vrinden waren, bedacht hier toe een list; hy verkleedde zig in boeregewaat, en waarde om de deur, tot hy gelegentheit vont van een huisdienaar die de deur opende aan te treffen, dien hy dan op een boersche wyze dus aansprak: Ik heb gehoort dat Rafael in een der zalen van dit Paleis een Zeegodin schildert, ik heb zulks nooit gezien, en over zulks verzoek ik dat eens te mogen zien, daar by voegende: Dan kan ik thuis komende aan myn Kinderen vertellen dat ik wat vreemts gezien heb. De Dienaar wees hem af, dog door lang aanhouden, en hem wat in de vuist te stoppen, werd hy in gelaten, en de zaal aan gewezen. Michiel Angelo zig alleen in de zaal bevindende (want hy had dit waar genomen op dien tyd als Rafael met zyn leerlingen, die meê aan die zaal schilderden, mid[ 317 ]dagmaalde) en alles besnuffelt hebbende, vind een houdskool, klimt op een stoel of bank, en teekent daar mee, in een ronde Nis boven de deur een menschen hoofd eens zoo groot als ’t leven agter over in de verkorting te zien, en gaat uit de kamer stil zyn weg.
Rafael gespyst hebbende, en in de zaal gekomen om weer aan ’t werk te gaan, krygt dit in ’t oog, en vraagt aan elk wie ’er in zyn afwezen in het vertrek geweest was. De deurbewaarder zeide niemant, dan alleen een Boer, en dat die daar zoo lang om aangehouden had dat hy hem in liet, maar vorders niet wist wie hy was. Dan zal ik het u wel zeggen (zeide Rafael) wie die Boer geweest is. ’T is Michiel Angelo geweest; want niemant anders kan zulks doen, als gy hier ziet, en wees op het geteekende opziende Hoofd, en maakte voorts den Heer van ’t huis bekent wat ’er gebeurt was.
Het werk van de zaal tot dus veer voltooit, zoo wilde de patroon dat dit vak ook beschildert zoude worden: maar Rafael weygerde zulks te doen, zeggende: dat die omtrek zoo konstig was dat niemant de zelve zoude konnen verbeteren, dat hy de hant daar aan niet wilde leggen, maar dat zulks tot een waardig gedenkstuk van Konst, zoo blyven moest. Gelyk ’t heden nog zoo staat.
Op gelyke wyze wort verhaalt van den Konstschilder Carats, dat hy in de kleene Kerk van St. Gregorius by het Colloze een Altaarstuk had geschildert, en twee van zyne beste Leerlingen, Dominicyn en Guidureni, ook elk een stuk zoude maken, en dat de Paters bedongen hadden dat hy (deze twee stukken voltooit zynde) de laatste hand daar aan leggen moest, ’t welk Carats hun had toe[ 318 ]gestaan. D’eerst gemelde had de Geesseling, d’ander de Kruisdraging van St. Andreas verbeeld. Als nu deze stukken afgeschildert waren en geplaatst zouden worden, drongen de Kloosterlingen uit hoofde van hun verding Carats aan, om ’t met zyn konstig penceel daar ’t gebrekkig was te verbeteren. Dog hy weigerde zulks, zeggende: dat hy die stukken heerlyk naar de Konst geschildert vont, en dat die de zelve wilde verbeteren, een grooter Meester dan hy in de Konst wezen moest.
De groote Rubbens ook, wanneer de Kloosterlingen aan van Dyk de waarde van zyn Konst niet wilden betalen (gelyk wy op zyn plaats breedwydig hebben aangemerkt) nam die naar zig en betaalde van Dyk; om de Konst haar waarde te doen houden, en op te beuren. En zoo nam ook de Konstschilder Bakker, Jan de Baan (even te voren in desselfs levensbeschryving vermelt) dezen zyn Leerling nog jong zynde, aldus in gezelschap met hem, en prees des zelfs Penceelwerk boven zyn eigen; en hebben dus deze kunstenaars voorbeelden nagelaten, hoe men de Konst opbouwen, en de Konstenaars opbeuren moet uit de verdrukking.
Zoo wy nu de welmeenenden, en de kwaad meenenden tegens elkander over in den evenaar stelden, de laatste zouden de balans merkelyk overhalen.
Die de schaamte ontwassen zyn steken met hunnen nydigen angel dat men het ziet: De Konstschilder .... Le Ceur kreeg in zyn tyd order om voor de Koningin van Vrankryk een Koepel te schilderen, waar van hy een teekening maakte die hy de Koningin in handen gaf, daar zy groot genoegen in nam. Maar C. le Brun (aan wien zy [ 319 ]die schets vertoonde) door wangunst gedreven zeide alleen: Dat dat geen werk was voor zoo een man, en daar mee was de voortgang verydelt, en le Ceur van de hand gewezen. Zulke Hovelingen leeren dit van hunne Vorsten, die (naar ’t zeggen van Salustius) alles wat hun dienstig is, en voordeel geven kan, eerlyk agten te wezen. Maar die kwansuis daar noch niet voor gaan willen, of zig daar voor bloot stellen, doen het zelve bedekt.
Dominikyn schilderde te Rome de Historie van den Heiligen Hieronimus voor de Paters van die order om boven ’t groot Autaar van hun Kerk geplaatst te worden: maar deze door Konstbenyders bedektelyk opgestookt, zetten dat Konststuk, als zulk een plaats niet waardig, elders in een hoek weg; niettegenstaande dat de Schilder menigwerf daar om aanhielt dat het mocht geplaatst worden daar elk het zien konde. Dit kwam een der Kardinalen, die byzonder Konstminnende was, ter ooren: Des zond hy een onpartydig Schilder uit zyn naam by de Paters, om het stuk te zien, en de Deugt desselfs t’onderzoeken, die het zelve tot in den hoogsten graat prees; des zig de Kardinaal aan dees verongelyking tot drukking van Dominikyn liet gelegen zyn, en ontbood die kwaadsprekers (onderzocht hebbende wie zy waren) by zich, en dwong de zelve reden te geven waarom zy dit gemelde stuk misprezen hadden.
Als deze dan zich met ernst gedwongen zagen opregt daar ontrent te biechten, beleden zy, dat, by aldien zy dit stuk naar zyn waarde prezen, de maker voor den grootsten Meester in Rome geroemt, en boven hen alle geprezen zou worden.
Zie wat de Nyd en Laster niet al vermag. Na[ 320 ]derhand hielt, en houd men nu nog dit stuk voor een der konstigste geschilderde Tafereelen die te Roome te zien zyn.
Ik heb ’er gekent, die, als hun eenig Konstwerk van anderen wierd voorgestelt, om te konnen zeggen dat zy geen woort tot nadeel daar in gesproken hadden, de schouders (als hun over de waarde daar van gevraagt wierd) zoodanig wisten op te trekken, en den bek te ploojen, dat de veragting daar uit duidelyk genoeg te verstaan was. En zommigen die voor Konstkwekers gegroet willen wezen, hebben mee een rol in ’t Spel. Deze, als hun naar eenig konstwerk gevraagt wort, zwygen of spreken, na dat het voordeel hun dryft, aangezien zy de regelen van ’t welleeven vergeten en alleen het Artykel van eigen voordeel onthouden hebben, en ’t zelve behartigen. Van deze die zwegen, daar zy spreken moesten, zeiden de Atheniensers. Hy heeft den Os in de keel, of heeft den Uil gezien; om dat in dien tyd hun gelt met de beeltenis van een Os, of Uil bezet was.
Ongelukkigen, die baatzuchtigen tot hun helpers aantreffen, dezen moeten de handen voor af gevoelig gekust worden, of zy moeten op ’t end de winst met hun deelen.
’T beurt elk niet een Kristoffel aan te treffen, die hem door de Wateren der verdrukking torst: of een machtigen Mecenas die hem zoo hoog opbeurt, dat de nyd hem niet bereiken kan, om heur gespitste nagels in zyn huit te hegten.
De Werelt is bedorven, en de bewoonders voor ’t grootste deel verbastaart. De Spinnen groejen sterk aan, en de Byen verminderen. Voorbeelden hebben ons doen zien, dat de een Konstenaar des anders werken lastert en schent. [ 321 ]
Le Ceur, een der braafste Konstschilders in zyn tyd te Rome, schilderde het leeven van den Heiligen Bruno, voor de Paters van die order in een Gaandery van hun Klooster. De vervloekte Afgonst, die zulk een fraay konstwerk in haar kwaad gezigt niet dulden konde, nog ongeschonden laten, heeft de schoonste en konstigst geschilderde wezens met heur schenzieke nagels uit gekrabt. Ja wat de verfoeylyke Afgunst uitwerkt als zy zig den toom los geeft, zullen wy in een opmerkelyk voorval den Konstschilder Jan de Baan wedervaren, zien: ’t welk wy van zyne levensbeschryving hebben afgeknepen, om het in deze redenvoering te pas te brengen.
De Baan berucht voor den besten pourtretschilder van Nederlant, en reeds vele Princen, en Vorsten met veel roem hebbende geschildert, werd ook ontboden aan ’t Hof van Frieslant om den Prins en zyn Gemaalin te schilderen. Dit stak byster in ’t oog van hem (wy zullen zyn naam niet melden) die lang als Schilder aan ’t Hof gewoont had. Hy vatte daar over een haat tegens de Baan op, doch deed daar van niet het minste blyken, maar veinsde egter zyn vrint te wezen, ’t geen ook van de Baan, die van een goeden inborst was, gelooft werd, waarom hy hem veel vrintschap bewees; doch deze kropte dien haat op tot dat dezelve eindelyk tot een vervloekt voornemen uitbarste, en toeleg maakte om hem te vermoorden. Hy kwam tot dien einde in den Haag, maar vond geen gelegenheit dit by avond of ontyde te verrichten, aangezien hy altyd met zyn Hont verzelt ging, daar hy zig op vertroude.
Deze moordlustige nam dan voor hem dit on[ 322 ]der schyn van vrientschap, in zyn eigen huis te doen, ging hem bezoeken, en verzocht zyn Konst te mogen zien. De Baan, geen kwaad vreezende, ontfangt hem beleeft, en leit hem op zyn ruime Schilderzaal: want hy woonde toen in het Groothuis naast aan de Schevelingze Brugh in ’t Noordende van den Haag.
Hier scheen de moorder de baan klaar te zien om zyn gruwelstuk uit te voeren, nu hy zig met hem alleen bevont.
Terwyl nu de Baan ’t eene stuk voor, en ’t ander na voor dien schoft op den Ezel zette, op dat hy de zelve best zoude konnen zien, trekt de godvergete mensch zyn moortpriem, dien hy tot dien einde onder zyn rok verborgen had, uit de schee, om agter hem staande, hem dien verraderlyk in de ribben te stooten. Wat gebeurt ’er? De Heer Bruyninks, een van de Baans vrinden, die hem dagelyks kwam bezoeken, en zonder te vragen maar stil de trappen op naar zyn Schilderkamer gewoon was te komen, komt juist in dat oogenblik, zonder gehoort te worden, den trap op tot op de Bordes, en ziende den moortpriem opgeheven, geeft een luiden schreeu, waar door het gansche Huisgezin in bewegen raakte. De Verrader hier door verzet, en zyn toeleg verydelt vindende, neemt in alleryl de vlucht, de Zaal af langs een anderen trap, ten huis uit, en ’t Nachtegaals Pad op, agter de Kloosterkerk, heen. Zyne Leerlingen en zommige Wagenaars die aan de Schevelingze Brug stonden, snelden hem wel na, maar hy was hun ontsnapt, en kwam ook naderhand niet te voorschyn.
Nog eens is hy van Nydigaarts aangevallen, waar by hy den middelsten vinger van zyn regter hand verloor. [ 323 ]
De Laster en Leugen speelden mee hun Rol, tot zyn nadeel. Zy strooiden uit aan verscheiden buitenlantsche Hoven dat de Baan niet meer schilderen kon, maar blind wierd. Zelf werd dit door den Haag alzins verspreit, ’t welk de Prins van Anspach Brandenburg (wiens afbeeldzel hy voor heen geschildert had) niet konnende geloven, liet zyn Koets inspannen, reed naar hem toe, en liet zig andermaal schilderen tot schaamte van die Addertongen. Dit is geweest in ’t jaar 1692. De Nyd bedient zig op alle wyze van snoode vonden.
Ik ben heel niet van dien aart dien de oude Tobias had, en ga niet graag ter begravenis: maar zoo de Nyd eens ter aarde gedragen wierd, zou ik vreugdig die Lykstatie volgen, en ’t Graf helpen toedelven.
De Schilderkonstoeffenaars, inzonderheit de Leerjeugt, moeten yder groot Meester aanmerken als een [2] Antenos die door brandende liefde tot de Konst opgegroeyt, tot nayver verwekt, en aanspoort om mee groot te worden.
Diogenes, door den roem welke de Veelweters kroonde, wordende de geleertheit toen zo hoog geschat, als nu het gelt; werd door nayver geprikkeld; en deze nayver spoorde hem voort tot begeerte en wakkerheit aan. En wanneer de spreuk: [ 324 ]
Die in zyn arremoe naar wetenschappen haakt;
hem zyn toeleg scheen af te raden, greep hy egter moet, en zeide tot zig zelven: de spreuk zeit niet nooit, maar zelden, en wie weet of ik niet een van die ben, welke de Goden die gunst bewyzen willen. Lucas van Leyden, (als hem gezegt wierd dat Albert Duurer, door zyn Konst grooten opgang maakte en de zelve zeer hoog geroemt wierd) vraagde: Of hy geen Mens was? en als zy ja zeiden vervolgde hy: Waarom zou ik hem dan door yver niet konnen inhalen? Zulk zeggen is grootmoedig en pryslyk, en past een edle ziel. Maar laat nooit de Nyd in uw boezem huisvesten, maar elders begraven blyven.
- ↑ Dordrecht] De Raadt dezer Stadt op de voorstellinge van den Heere Hugo Repelaar, Borgermeester van ’sHeeren wegen, keurde eenstemmig goet, van dat Heldhaftig bedryf een Konsttafereel te laten schilderen, om tot eeuwige gedachtenis op de groote zaal van het Raathuis op te hangen, tot welke bestellinge Gecommitteert werden, gemelde Heer Hugo Repelaar neffens de Heeren Roelant de Carpentier, Samuel Trip, en Gerard Brandwyk, op den 30 van Hooimaant 1667.
- ↑ Antenos was de Zoon van Venus. De gelegentheit of oorzaak dat deze van haar gebaard wierd verhaald Porfirio aldus: Venus had Kupido gebaart, maar als die Jongen even kleen bleef en niet groeide, vraagd zy daar over raad aan het Orakel, dat haar antwoordde, zoo lang Kupido alleen was zou hy even kleen blyven. Antenos geboren groeide op, en werd groot. Kupido dit ziende, dulde niet dat hy hem boven ’t hooft groeide. Stapte Antenos hem voor, hy klapte zyn wieken en stapte hem kloekmoedig na, enz.