De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Jan en Andries Both
| ← Nikolaas Berchem | De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen, deel 2 (1719) door Arnold Houbraken | Johan Torrentius → |
[ 114 ]’T zal niet onvoeglyk wezen dat wy zynen braven tydgenoot JAN BOTH, die met hem op eenen tyd om prys in ’t loopperk der Konst om de eerlaurier gedraaft heeft, met zyn Broeder ANDRIES agter hem ten Toneel brengen.
JAN en ANDRIES BOTH geboren te Utrecht, (in wat jaar weet ik niet) hadden de beginselen van de konst eerst by hunnen Vader, (die een Glasschryver was) en daar na by Abr. Bloemaart geleerd. Zy trokken (zeit Sandrart) te zamen eerst naar Vrankryk, en van daar naar Rome, en namen hun tyd naarstig in acht. Jan zette zig tot het schilderen van lantschappen, en bootste daar in den aart van Glaude Loreine na, ’t geen hem wel gelukte: want zyne agting groeyde aan, en die van Glaude nam af, doordien hy wel fraje Lantschappen maakte, maar slegte Beeltjes, en Beesten, daar ondertusschen Jan zig bediende van zyn Broeder, die een braaf Beelt- en Beestenschilder was, en de handelinge van Bamboots zig had aangewent. Zy waren zonderling vaardig in ’t schilderen, waar van daan men hunne stukken by menigte zoo te Romen als te Venetien (daar zy ook een langen tyd gewoont hebben) by Konstminnaars, en Konsthandelaars zag: want de zelve ras geschil- [ 115 ]dert, en ras verkocht waren. De meeste die men ziet zyn groote stukken, en vele der zelve verbeelden door de boomen, boven het gebergte d’opgaande zon, stralende over de velden, die natuurlyk schynen met morgendau overspreit te wezen, wordende alles wat in afstant leit door schemeringe ontdekt. Duydelyk zyn de verdeelingen van den dag aan de verschelige temperinge der Verwen, in de zelve te bespeuren. Men ziet den morgenstond, de Velden met een blaau floers
overkleeden: de klaren middag de voorwerpen duidelyk ontdekken; en den Avondstond door zynen safferaanverwigen gloed groene Velden, Boomen, en Gronden taanen[.]
’K heb eenige jaren geleden een wonderschoon en konstig geschildert stuk van hem gezien by den Konstminner de Jode, toenmaals Drost van ’t Haagse Hof, ’t geen, om dat het by al zyn werk uitstak in helderheit, zuiverheit, uitvoerigheit, en natuurlykheit, genoemt werd het Testament van Both: dat zeggen wil, het stuk dat hy tot een staal van zyn konst, en om zyn roem op te houden, naargelaaten heeft. Dit stuk was ruim 6 voeten groot in de hoogte, en in het zelve verbeelt de Fabel van Argus en Merkuur, die redelyk groot, braaf geschildert, en geteekent waren. Voorts was het gansche lantschap, gelyk ik gezeit heb helder, en ’t groen
natuurlyk fris van koleur, nochte zoo gebraden of getaant alsmen veeltyts van hem
ziet.
Zy hebben vele jaren te samen in Italie gewoont, leefden in min, en deden malkander in ’t schilderen veel dienst, en zouden zekerlyk langer, daar gebleven hebben, zoo niet de doodt een scheiding tusschen hen beiden gemaakt had, tot [ 116 ]smart voor de Konstgodes, daar dit vaars op zinspeelt:
De Konstgodes had straks haar treurkleed aangetogen:
En dekte met een floers haar nat bekreten oogen,
Als haar de droeve maar wierd door ’t gerucht gebracht
Dat ook de Dood de [1] Both gevelt had onverwagt.
Jan Both de Fenix der Lantschapschilders van zyn tyd, om rust te zonken, en de gedagtenis van het lant te ontvluchten, of t’ontvlieden, ’t geen zyn broeder Andries versmoort hielt, als de dood hem stil bekropen en den draad zyns levens had afgeknipt op ’t jaar 1650, trok naar zyn Vaderlant en geboortestadt, daar hy voor zyn konst wel betaalt wert, en veel te doen had. Maar hy leefde niet lang na dien tyd: want
Gelyk een Tortelduif ’t verlies,
Van haar gepaarden steeds betreurt:
Zoo treurde Jan ook om Andries
Zyn broeder, van hem afgescheurt,
Door ’t droevig sterflot, dat zig niet
Bekreunt het klagen, of verdriet.
Wat toeval oorzaak heeft gegeven tot het verongelukken van Andries zal ik straks melden.
Sandrart zeit: Dat hy van ’t gezelschap afgedwaalt, in den nacht verdronk. En de Schryver van ’t Boekje Abrege de la Vie despeintres, zeit: Henrik was de Lantschilder, en verdronk, of versmoorde, lequel étant à Venise & se retirant chez lui de nuit tomba dans un Canal, Fol. 429. Wie heeft ooit van Henrik Both gehoort? En by gevolge kan de Lezer zien wat staat ’er kan ge[ 117 ]maakt worden op Schryvers die buitens lants wonende geen gelegentheit hebben om de zaken te onderzoeken: ’t geen ook een van de reden geweest is, waarom ik my niet heb willen inlaten tot het beschryven der Italiaanse en Franse Konstschilders, of buiten myn kreits (uitgezondert in eenige buiten weidinge) begeven, maar binnen de zelve ben gebleven, daar de gedachtenissen der overledenen nog niet geheel uitgewist zyn, en waarvan men uit het nageslagt berigt ontfangen kan. Daar men andersins gewoon is, van dingen die lang geleden, en veer af geschiedt zyn, elkander (als het spreekwoord zeit) Knollen voor Citroenen in de vuist te stoppen.
Gelyk wy, zoo wy Du Pilé in de voorgaande levensbeschryving gevolgt hadden, eenen groven misslag zouden begaan hebben, wanneer wy van geen zekerder berichten voorzien waren geweest: ’t welk ons zedert agterdenken gegeven heeft, en besluit doen nemen geen staat te maken op buitenlantse Schryvers; zoo is het ons egter in het begin van ons eerste Boekdeel gebeurt, daar nu niet anders op is te vinden, als het zelve te reklameren of te herroepen.
- ↑ Andries.