De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Johan Henrik Roos
| ← Nicolaas Maas | De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen, deel 2 (1719) door Arnold Houbraken | Filip Roos → |
[ 277 ]JOHAN HENRIK ROOS, geboren te Frankfoort, wiens beeltenis hier tegens over in de plaat K. boven aan te zien is, heeft de Konst geleert tot Amsterdam by Barent Graat, daar hy zig inzonderheit oeffende in ’t schilderen van Schaapjes, Geitjes enz. waar in hy in korte jaren zoo toenam dat hy in den jare 1673 schilder wierd van Karel Ludowyk Keurvorst van de Palts, voor wien hy veele konstwerken die roem verdienen gemaakt heeft. [ 278 ]Naderhand is hy gaan wonen met zyn huisgezin te Frankfoort, daar hy menigte van pourtretten gemaakt heeft, waar in elk een goed bevallen had; aangezien hy in den agtergrond, of een sierlyk lantschap, of Beesjes te pas bracht: gelyk hy ook dikwils verscheiden pourtretten tot een Historie schikte, zoo uit den bybel als andere oudtydze geschiedenissen, daar Beesten en Lantschappen by vereist werden, waar door hy niet alleen veel geld won, maar ook veel over ley; en dus door een levendig voorbeeld aan zyn Zonen (die hy alle in de Konst opkweekte) liet zien, dat de oude spreuk: Sparen is een goede schat, waarheit zeit.
Egter droeg hy zig als een braaf Man betaamt, en had verkeering met de braafste en aanzienlykste luiden van die Stad. Maar (wie kan zyn noodlot ontwyken?) hy verloor alles wat hy gespaart had op eenen stont door een fellen brand op ’t laatst van ’t jaar 1685. Deze brand ontstont door agteloosheit in de Stads Pakhuizen, of wel eerst in de Broodbakkery voor de Stads Soldaten, welke agter zyn huis aankwam, en sloeg van daar voort, en zette een groot deel van de Stadt in vlam. Hy die in dien nood noch wat van zyne goederen meende te bergen, vloog door de vlam, om weg te dragen, ’t geen hy onbeschadigt vond, onder andere een Porcelyne vlesje met een goud dekzel; maar alzoo hy daar mee nevens ander goed in alleryl kwam aantorsen, ontviel hem het flesje en brak. Hy in verbaastheit niet wetende wat hy deed, bukt naar het zelve om ’t dekseltje te krygen, maar word inmiddels door den stoom, en zwaren rook bevangen, en zygt neer. Sommigen dit ziende drongen daar op in, en sleepten hem zoo zy best konden, doch tot zyn onge[ 279 ]luk, met het hoofd om laag de trappen af uit den brand. Of nu dit ongemakkelyk torsen, of de schrik oorzaak van zyn dood geweest zy, weet men niet, maar hy stierf dien zelven morgen naarlatende 4 Zonen en een Dochter. Alle zynze brave Schilders geworden, maar niet een die zyn Vaders voetstappen in wyze van leven nagetreden heeft.
