De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Johan Torrentius
| ← Jan en Andries Both | De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen, deel 2 (1719) door Arnold Houbraken | Paulus Potter → |
[ 117 ]Wy hebben in ons eerste Deel pag. 137 van JOHAN TORRENTIUS, volgens de beschryving van Du Pilé gezeit: Dat hy door last van’t gerecht tot Amsterdam wierd in hegtenis gebragt, daar men Haarlem voorlezen moet. Gelyk ook Sandrart doet. En op pag. 138. Hy stierf onder ’t pynigen, dat Flor. le Comte schynt te bevestigen met te zeggen: dat hy door schrikkelyke pynen gestorven is, ’t geen my des te meer gerustheit gaf, dat die zaak naar waarheid geboekt was. Maar als my de beschryving der Stad Haarlem door [ 118 ]Theod. Schrevelius in de hand kwam, en ik die doorbladerde ontdekte ik haast den beganen misslag. De meeste omstandigheden lopen op eenen weg uit, maar in twee der zelver heb ik door naarvolging misgetast, dat de Lezer haast ontdekken zal, als hy dit onderstaande leeft. Dit zyn des Schryvers eigen woorden:
Joh. Torrentius is onder de Konstschilders geen van de minste geweest, maar was in ’t schilderen van naakte Vroutjes, op allerhande geyle wyze, als openbare Hoeren gewoon zyn, de tweede Apelles. Hy kwam van Amsterdam tot Haarlem wonen in een huis van den ouden Coltermans, wist zig byzonder door zyn fluweele tong in de gunst der braafste Borgers in te dringen, was allemans vrient, maar inzonderheit wist hy de Vroutjes zoo wonderbaarlyk te vleyen en te believen, dat hy ’er vele aan zyn huis lokte, zelf in weerwil van hare Mannen. Hy hielt zig op straat gaande heel statelyk, altyt in zwart Fulp gekleed, en groette yder een met een minlyk en zedig wezen, zulks yder het oog op hem had: maar binnenshuis maakte hy dagelyks goedsier als een Epicurist met drinken, eeten, en andere wellusten, en geloofde aan Hemel noch Hel, met een woort, hy was onder schyn van een vroomaart een verleider van de jeugt, een bederf voor de Vrouwen; een bedrieger van ’t Volk, en een verkwister van zyn eigen en anderer luiden gelt.
Dit brak eindelyk uit, zoo dat vele Borgers, daar de vreeze Gods by huisvestte, zig daar aan ergerden, die godvergete wyze van leven verfoeiden, en uitkreten hem niet waardig te wezen dat hy een bewoonder hunner Stad was.
Dit ter ooren gekomen van de Magistraat dier [ 119 ]Stadt hebben zy amptshalven, op dat het gemeene best geen schade daar door leed, dit monster in de gevangenis doen brengen, en naa ernstig nazoek van zyn verfoeilyke wyze van schilderen, gedrag en redenvoeringen, hem daar op ondervraagt, en wanneer hy niets van ’t geen waar mede hy beticht werd, wilde bekennen, hem op de pynbank gebragt, doch hy stont de pyn styfkoppig door zonder eenige bekentenis, wanneer zy hem in ’t Tuchthuis banden voor 20 jaren. Dit was in ’t jaar 1630 op den 25 van Hooymaand.
Als hy daar een geruimen tyd gezeten had, is hy daar uit verlost door voorspraak van groote luiden, onder welke ook was de Ambassadeur van Engelant met welken hy overscheepten, en zich een tyd lang in Engelant onthielt, tot dat hy tot Amsterdam kwam woonen, daar hy ook gestorven is.
Deze leerles is niet nieuw, maar een grage maag lust ook wel verwarmde spyze, inzonderheit als die door een versche saus verfrist wort.
’T is niet voegelyk dat men geheime schandelykheit, geile, walghelyke en vuile bedryven, die in den duister, of uit eigen schaamte achter de gordynen gepleegt worden, bloot vertoont.
De Schilderkonst, en Dichtkonst zyn gesusters, en beyde door de kuissche Parnasnimfen opgekweekt, welker eer door zulks te doen te kort gedaan wordt. Wat meenje is de rede dat het spel van Josef van velen van den Schouburg word afgeweert? [ 120 ]
[1] A: Pels zal het zeggen:
........... Zoo gy wilt weten, hoe men ’t kwaad
Van eene geilen gloed, verdartelt, en verwildert,
Met wulpsche woorden, en verbeeld omhelzen schildert;
Hoor Jempsars redenen tot Jozef eens, en let
Op haar’ gebaarden, en den toestel by het bed.
Die ritze tokkeling moog’ Jozefs hette dooven;
Maar ’k durf dat wonder van den kyker niet gelooven.
En wat lager daar hy van andere spelen spreekt:
’T is wel te vreezen, dat zulk lieven, lonken, lachen,
Zoo lodderlyk, en los malkand’re om lusjes prachen,
De jeugd in brand zet, en alzoo van ’t Schouwtooneel
Den dwaalweg regelrecht doet inslaan naar ’t bordeel.
Met nog meerder reden hebben de Vaders van de eerste Kristen Kerk de Schoutooneelen gedoemt;
Dewyl geen Schouspel ooit vertoond wierd, of ’t was in
Gestelt ter eere van een dartele Godin;
Of dronken God op hunn’ verdoemlyke offerfeesten;
Daar al die wilden, als onredelyke beesten,
In volle vryigheid hunn’ wellust pleegden met
Gehuurde Vrouwen op het wullepsch feestbanket.
Tot welk een einde (ô schrik) die lichtekoojen zaten
In ’t spel op ’t voortooneel, om geil, en uitgelaten
Hunn’ waar te veilen, en te venten na het spel.
Zeker niemant, by wien de rede huisvest, en de Godvrucht inwoont, is ’er of hy zal een afkeer van zulks hebben. En zoo het beuren mocht dat het van zommigen geprezen word, zulk pryzen geeft niet anders als den bedorven aart van die het pryst te kennen. Van Parrasius was ’er te Rome een schandelyk Tafereel van Meleager en Atalanta, maar werd het daarom van elk geprezen? gewis niet. myn Meester Sam. van Hoogstraten zeit, ik schame my ’t zelve te beschryven. Met een woort: zulke vertoonselen, ’t zy die op ’t toneel, of in schildery verbeelt worden, zyn krabbers, daar de wortel van ’t zondekruid mee boven geschoffelt word; waarom ook gemelde Hoogstraten in zyn vyfde Boek van d’Inleiding tot de Hooge Schole der Schilderkonst, p. 176. Thalia zeit: Wacht u dan ô eedle geesten, van de schandelyke onkuisheden van Tiberius in ’t Eylant Kapreen in uwe Tafereelen te vertoonen. Laat ook den oudvader Noë niet schaamteloos naakt leggen, daar Sem en Japhet hunne aanzigten van afkeeren. Want die tot zulke schandelykheden geneigt zyn, verdienen den vloek zoo wel als Cham.
My gedenkt ook nog, als ik by hem woonde om de Konst te leeren, dat toen de Minnebrieven van Nazo door A. Valentyn vertaalt, waren in druk gekomen, en ik uit leeslust, die ter leen verzocht, maar tot antwoord kreeg, Zulks is niet dienstigh; den Dichter is ’er om gebannen geweest in Pontus, en de Vertaalder behoorde daarom voor [ 122 ]altyd in ’t Rasphuis verbannen te worden, om dat ’er dingen in zyn die nutter waren verzwegen, of verduistert, dan ontdekt, en over zulks die nooit geweten, nooit ter proef zouden zyn gesteld geweest, tot bederf van de wulpse en losse jeugt.
Eindelyk mag de Schilderjeugt dusdanig ergerlyk wullustig leven als Joh. Torrentius geleit heeft, zig ten spiegel van afschrik voorstellen; want zulks zyn Sireenenzangen die het jeugdig hart vleien en streelen tot hun bederf: waarom ook de zedeschryver Seneka het oog op diergelyks hebbende zeit: Verdryf voornamelyk de wellusten, draag een doodelyken haat tegen de zelve; want zy zyn van dien aart, als die d’Egiptenaars Philetas, dat is, Kussers noemden, die omhelsden om te verworgen.
Theodoor Schrevelius gedenkt in zyn Boek van Haarlems oorspronk aan verscheiden Konstschilders en Schilderessen, welke in zyn tyd in bloey waren; Als Pieter Grebber, de Soon van Frans Pieterze Grebber, van wien van Mander melt in zyn boek op pag. 213, en Gerard Srong de Zoon van Korn. Engelze, aan wien van Mander gedenkt op pag. 107. B. beide deze Zonen hebben hunne Vader in de Konst overtroffen.
Pieter Grebber, die behalven zyn Vader ook Hend. Goltzius tot onderwyzer gehad heeft, is een braaf beeld, en pourtretschilder geweest. Tot Haarlem waren ’er in dien tyd nog verscheiden stukken van te zien, van welke wel ’t voornaamste was Jubalinus, tot lof van de Muzyk, gemaakt voor den Borgermeester Guldewagen, die een beminnaar van de zang-, en speelkonst was.
Onze Pieter Grebber had ook een Suster Maria Grebber genaamt, die met veel [ 123 ]roem de Konst hanteerde; ook in de Bouw- en Doorzichtkunde bedreven was.
Gerard Sprong, die met een lugtigen sprong (zeit de Schryver) in de Konst te doen, zyn Vader veer voor by is, heeft verscheiden Corporaalschappen van Schutters in zyn tyd geschildert, als nog in de Doelen te zien, die de Konst van hun maker pryzen.
De Schryver meld ook op pag. 383. van eenen Hendrik Pot, die by alle om zyn Konst en minzaamheid bemint was. Hy heeft in zyn tyd de eer gehad dat hy den Brittannischen Koning met zyne gemalin naar ’t leven geschildert heeft, nevens verscheiden Grooten van dat Ryk. Op ’t Princen Hof te Haarlem hangt van hem een groot konststuk, verbeeldende den Triumfwagen van Prins Willem van Oranje, en op de Schutters Doele een Korporaalschap: maar ’t waardigste dat in dien tyd van zyn penceelkonst was te zien, was een Tafereel waar in Judith en Holofernes afgebeelt stonden, hier in had de Meester (zeit de Schryver) zyn uiterste vermogen getoont, en’t was in ’t Kabinet van den Heer Hofman te zien.
Vorders word ook van eenen Kornelis Wieringen gesproken. Deze was een knaap die lang ter Zee gevaren had, dus kundig van al den toestel die tot een Schip behoort, ook van de wyze hoe de zeilen bestiert worden. Dit was hem een groot behulp, wanneer hy de Zeevaart vaar wel gezegt hebbende, stil zig in de aftekening van de zelve bezig hielt. Gelyk hy ook door byzondere konstdrift zoo veer daar in gevordert was, dat hy in ’t schilderen van Zee en Schepen Hendrik Vroom, in konst heel na by kwam. In deze verkiezing van schilderen was ’er ook een Korn. Verbeek [ 124 ]en Joh. Goderis. En onder de Lantschapschilders roemt onze Schryver Kornelis Vroom, den Zoon van Hendrik Vroom, Joh. Jakobsz, die lange Jaren in Italie was geweest, Nicol. Zuyker, Ger. Bleyker, Salom. Rustdael, Reyer, enz.
Zoo gy een Schilder zoekt (zeit onze Schryver) van allerhande vruchten, hier hebt gy Floris van Dyk, die met zyn Konstpenceel de beluste vrouwen, ja ’t gevogelt zou konnen lokken, en verschalken, en in die zelve konst Willem Heda.
Hy meld ook van eenen Roelant van Laar, den broeder van Pieter, die hy noemt Broeders van een bed, te Haarlem gewonnen en geboren, en van Kintsbeen af in de Schilderkonst geoeffent. Zy hadden beide eene wyze van schilderen, en hebben eenige Jaren te zamen in Italie gewoont. Roelant de oudste zynde, is in ’t bloejenst van zyn leven te Genua gestorven. Pieter is weder t’huis gekomen, en heeft zig een wyl tot Haarlem onthouden, maar konde Italie niet vergeten, dat altyd een voester is geweest van doorluchtige geesten; derhalven werd hy voornemens die reis op nieus aan te vangen. Hy heeft dan van zyn vrinden afscheit genomen, dat zy nimmer zoude op zulk een wys weten waar hy vervaren was, dat ook Empedocles voor had, zeit onze Schryver, ’t geen niet duister te kennen geeft dat de Schryver van zyn slechten uitgang wel geweten heeft, maar dit onder het zeldzaam koppig voornemen bedekt.
Onder de Glasschilders van dien tyd roemt hy Pet. Holstein, en Joh. Boechorst, die de Triumf van Damiaten in de glazen op de groote Zaal der Vroedschap van Haarlem geschildert heeft, daar S. Ampsing een langdradig rym op gemaakt heeft, ’t geen dus begint: [ 125 ]
Als Keizer Frederik voor eenig hondert jaren
Een groot en magtig heyr te zamen deed vergaren,
Op ’t ongeloovig Volk, den Turk en Zaraceen,
Rukt Floris, Hollants Graaf ook al zyn macht by een,
Met Willem zynen Zoon, byzonder uitgelezen
Van onze Borgery, en wat hier puik mocht wezen,
De bloem van onze jeugt. Dus zyn zy ’t zeyl gegaan
En doen in Palestyne, eene open haven aan.
Zy zetten voet op ’t land, en hebben steên met hoopen
En sterkten, met gewelt en stormen afgeloopen.
Wat leit ’er menig Turk en Zaraceen in ’t zant
Gevelt, en om gebragt, door Haarlems heldenhant?
En daar nu ’t moedig heir vast alles had verkregen
Naar wens in’t Heylig lant, door Godes ryken zegen,
Begeeft het zig te scheep, en dryft met zyne vloot,
Daar Damiaten leit aan Zee in Nilus schoot.
Die meer van dit oud Haarlems heldenbedryf belust is te weten, vervolge dit rym ’t geen geplaatst is, agter de beschryving van Haarlem door Schrevelius.
- ↑ Gebruik en Misbruik des Toneels, pag. 22. 23.