Naar inhoud springen

De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Johannes Lingelbag

[ 145 ]Na hen verschynt de brave konstschilder JOHANNES LINGELBAG geboren te Frankfoort aan de Mein, in ’t jaar 1625.
In wat tyd, of door welke gelegenheit hy met ’er woon in Hollant gekomen is, of wien hy tot zyn onderwyzer in de konst gehad heeft weet ik niet te zeggen: maar wel dat hy gespoort tot reislust, zig in den jare 1642 van Amsterdam naar Vrankryk begaf en naa verloop van twee jaren naar Roomen, daar hy zyn konst met yver en vlyt oeffende tot het jaar 1650, wanneer hy op den 8 van [ 146 ]Bloeymaand, op Zondag, van Romen, zyn te rug reis door Duitschlant nam, en in Wiedemaant weder in goede gezontheit tot Amsterdam aanquam.
Veel groote en kleine konststukken, natuurlyk, woelig en geestig van vinding, ook aangenaam door zyne konstige en vleyende penceelhandeling zyn van hem in Nederlant, inzonderheit tot Amsterdam, te zien: die van de grootheit zyns vernufts, klare kenteekenen dragen, ten bewys dat hy in Italien acht gegeven heeft op ’t geen bevallig en schilderachtig stont, dat zelve zich ten gebruik gemaakt, en in zyne penceelwerken te pas gebracht.
Vele zyner konststukken verbeelden d’een of d’ander Italiaanse Zeehaven, daar men, of een grootsgeboude stedepoort, verciert met beeldwerk in nissen als anderzints ziet, dat hy heel natuurlyk, zoo ten opzicht van der zelver bouwvalligheid, en veranderinge van koleuren, met welke het bederf des tyds de zelve schildert, begroeit met most, en ruigte, wist na te bootzen, en op zyn doeken te vertoonen: of ook wel eenige opgerechte beeltenissen, of gedenkteekenen op verheven voetstukken, waar aan men mede (als boven gezeit is) zien kan de kenteekenen door de tanden van den tyd daar in gedrukt, waar uit hunne oudheit te bespeuren is.
Dus heeft hy ook meest in ’t verbeelden van zyn Roomsche Markten (die hy veel, doch altyt met veranderinge, gemaakt heeft) eenig groots Monument, of gedenkteeken, ’t zy een groep van Beelden, een Fontein, of Zegezuil, te pas gebracht, en dan vorder het tafereel gestoffeert met allerhande soort van Mans en Vrouwen Beelden, Ezels, Paarden enz. doende elk zyne werkingen; [ 147 ]d’een met dragen d’ander met slepen; hier een Groenwyf welker stal met allerhande fruit verzien is: daar een Gaarkeuken onder een overdekte tent, waar voor een Bedelaar met opgeschorte schouders staat te bedelen. Ginder een groep beelden die na ’t Prediken van een Monnik staan te luisteren: en weer in een anderen hoek daar ze met open mond zoo yverig staan te gapen naar ’t gezwets van een lapzalver, dat hun onderwyl de beurs gelicht word. Gelyk hy ook inzonderheit in de verbeeldingen zyner Zeehavens (boven aangeroert) den onderscheiden landaart der koophandelaars, by het laden en ontladen der Zeeschepen of Galeyen, in hunne kenbare drachten verbeeld, en onderscheid, en die vorder met een aangenaam watergezicht, blaauw verschiet, en dun bewolkte lucht bewerkt, het voorste werk kracht geeven en doen voorkomen.
Zyn Beeltenis gevolgt naar ’t geen hy zelf geschildert heeft staat in de Plaat G onder aan nevens het Afbeeltzel van Jan van Hoogstraten op de linker hand.

[ Plaat G ]