Naar inhoud springen

De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Kornelis Bisschop

[ 220 ]Ter zelver tyd bracht de Maagt van Dordrecht, Hollants oudste Stadt, een schoone Konstbloem in ’t Wintersayzoen voort, waar op de gryze Merwe, het hoofd uit haar bevrozen kil van verheuging opstak, en de Ryn haar gebuurstroom haar met een bly gezicht toewenkte. Maar dit gewas ontydig uitgesproten, verging weer voor zyn schoonsten bloeytyd.
KORNELIS BISSCHOP of [1] BISKOP, geboren in ’t jaar 1630 den 12 van Sprokkelmaant, had tot onderwyzer in de Konst Ferd. Bol. Waar na hy door vlytig en stadig zig te oeffenen in de Konst grooten voortgang maakte.
Hy is wel de eerste, zoo niet de beste, geweest, welke allerhande soort van Beelden, op hout geschildert met levende koleuren, en uitgehakt, dienende om ergens in een hoek, of poortaal te plaatsen, wel het natuurlykst gemaakt, en ’t geestigst verzonnen heeft. Ik heb ’er van gezien die op hunne stantplaats gestelt het oog misleit, en de zelve voor levende beelden zouden doen groeten hebben. Hy schilderde ook zommige der zelve gedaagt en gekleurt op de wyze van kaarslichten: welke by donker een blaker met een brandende kaars in de hand hebbende een natuurlyke vertooning deeden. Ja men verhaalt dat zoodanig een beelt om de klucht van zeker Heer, wanneer hy gasten onthaalt had, geplaatst zynde aan de deur of den uitgang van de kamer, zommige der zelven die het voor de huismeit aanzagen, voor die gerieflykheit haar met een drinkpenning beschenken wilden, dog hun hand daar tegens aanstieten, en zich bedrogen, en dit dus stof tot lachen gegeven heeft. Dusdanige verleidingen door Konst noemt Filos[ 221 ]tratus de jonge, een genoechelyk en onschandelyk Bedrog. Maar die tyd is voorby geloopen, en men ziet thans van dien aart niet als vodden, door krukken en brekebeenen verzonnen, of naar de voorgemelde fraye beeldschilderyen gebrekkig nageaapt.
Niemant moet denken dat ik met dit verhaal de brave konst van myn Stadtgenoot tracht te ontluisteren; want ik ben gedrongen van hem te zeggen, als F. Junius van den ouden Pyrcicus: Dat hy bekwaamheit genoeg had om de grootste zaken in de Konst ter hand te slaan, maar dat hy zulks deed om de voordeelen die daar van kwamen. Ja Plinius, vermyd niet te zeggen van den grooten Konstenaar Protogenes. Dat hy tot zyn vyftigste Jaar Schepen geschildert heeft.
Onze Bisschop hield zich ook met zulk doen niet te vrede; maar oeffende zich ondertusschen tot groote ondernemingen. Een Edelmoedige geest (zeit zeker Spaans Schryver) wil liever middelmatig wezen in verheven bezigheit, dan uitmuntende in een middelmatige; want die zig vergenoegt met middelmatig te wezen in een geringe bezigheit, ’t is een bewys dat die geen Edelmoedigheit kent. Men moet Konst en Geest hebben, en daar na legt het behartigen daar de laatste hand aan. Gelyk ook zulks met hem gebeurt is, als aan menig konstig pourtret in Hollant, Zeelant, Brabant en elders te zien is. Daar benevens heeft hy ook verscheiden Historystukken gemaakt, die zyn roem in eeuwigduurent cement voor het vergaan behouden zullen. Een der zelve (bestaande in twee of drie beelden by Kaarslicht en voor een groote som gelt in Vrankryk verkocht) pronkt nu nog in ’t Kabinet van Koning Lodewyk. Hy werd door den [ 222 ]Koning van Denemarken tot Hofschilder aangezocht; doch de dood daar tusschen komende, is hy in de kracht van zyn leven en Konst gestorven in ’t jaar 1674, oud zynde 44 jaren, en liet elf kinderen na. Dus wy met reden de fraaye spreuk van Gratiaan, welke zeit: Alle de geenen die men wel noodig had dat zy leefden, zullen veeltyts vroeg sterven; en de genen die nergens goet toe zyn, leven lang. Daar op toepassen.
Onder deze waren drie Zoonen van welke ’er zig twee, als ook drie Dochters, tot de oeffeninge der Konst begeven hebben.

  1. ↑ volgens de spelling van L. Smits.