Naar inhoud springen

De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Lely

[ 41 ]Nevens dezen verschynt ten toneel de groote LELY.Engelant heeft eerst, naderhand ’s Gravenhage zig de eer van zyn geboorte willen toeëigenen. S. van Hoogstraten noemt hem den Gelderschen Lely. Thans hoest ’er geen blinde twist als over Homeer aangevangen te worden, aangezien ik eindelyk geholpen door den yver van den Konstschilder Matteus Terwesten, eenigen van zyne geslachtgenooten heb ondekt, welke de goetheit [ 42 ]hebben gehad (schoon met ’er woon afgeleegen) my daar ontrent te berichten, en eene nette aanteekening van zyn geboorte en sterstyt by geschrift toe te zenden, waar uit wy gezien hebben, Dat
PIETER vander FAES, genaamt LELY, is geboren tot Soest in Westfaalen op den 14 van Herfstmaand 1618.
Zyn Vader Johan vander Faes, bygenaamt Lely (waar van wy den oorspronk zullen aanwyzen) was een Hopman te voet, in dienst van den Staat: dog naderhant in dienst des Keurvorsts van Brandenburg, en zyn Moeder Abigael van Vliet was herkomstig van Uitrecht uit een deftig en aanzienlyk geslacht, zulks veelen van hare namaagschap aldaar in de Vroetschap zyn geweest.
’T is bedenkelyk dat zyn Vader te Soest in guarnizoen zal gelegen hebben (aangezien luiden van zulk beroep dikwils worden verplaatst) en by die geleegenheid onze LELY daar voor de eerstemaal ontlooken is, waarom ook de Predikant en Dichter Joh. Vollenhove (geboren te Zwol, op de grenzen van Westfalen) hem zyn lantsman noemt, in een zyner vaarzen, dat wy straks te pas zullen brengen.
Zyn Vader ziende dat hy van der jeugt aan meer tot de Schilderkonst dan tot de Krygsoeffening geneigt was, en liever ’t penceel dan den deegen hanteerde, bestelde hem tot Haarlem by den Konstschilder Piet. Fr. Grebber daar hy twee agter een volgende Jaaren heeft gewoont, en door yver en vlyt zoodanig toenam dat zyn Meester voorzeide: dat hy hem in de Konst boven ’t hooft komen zoude, gelyk gebeurt is. Want hy met zyn 25ste Jaar al zoo veer in de Konst opgeklommen was dat de grootsten van ’t lant zyn penceelkonst [ 43 ]beminden, en dit is ’er de proef of, dat hy in den Jare 1643 als Willem de tweede. Prins van Oranje naar Engelant ging om met de Dochter van Karel den eersten te trouwen, met hem mee overscheepte. Dezer beeltenissen maalde hy zoo konstig af dat zy yder der Hovelingen bevielen, en hy daar op straks van den Koning voor zyn Hofschilder wierd aangenoomen.
Of hy nu na de dood van Karel den eersten, of onder de Regeering van Ol. Kromwel aan ’t Hof gebleven is, dan of hy in dien tyd weder in Hollant geweest is weet ik niet, maar wel dat Karel de tweede, zoo haast hy tot de Kroon gekomen was, hem voor zyn dienst 4000 Guldens ’s Jaars toeley, en hem naderhant Ridder sloeg, en Edelman van zyn Bedkamer maakte.
Verscheiden van die welke in Engelant omgang met onzen Lely gehad hebben hebben my verhaalt: dat hy hoflyk leefde, dat hy ’s morgens laat opstont, en niet voor negen uuren ging schilderen, dat hy verscheiden knegts en kamerdienaars had, waar van ’er een aanteikening hield, wiens beurt het was om te komen zitten: zoo dat wanneer een Dame, of wie het ook zyn mogt, op haar beurt niet kwam, moesten de zelve daar voor zoo lang weer wagten tot dat de geheele rol afgeloopen was, om weeder een beurt te krygen. Hy schilderde van ’s morgens ten negen uuren tot naarmiddags ten vier uuren, wanneer hy ging spyzen: zelden zonder bezoek; want hy altyt voor twaalf menschen liet opdissen, daar zyne kennissen of vreemden die iets met hem te verrichten hadden vrye toegang vergunt wierd, wordende onderwyl in een ander vertrek konstig gespeelt en gezongen. [ 44 ]
Hy hielt zig by de grooten groots, en by de gemeene gemeenzaam, waar door hy oorzaak gaf dat veele hem roemden.
Waar onder ook Johannes Vollenhove, die gemeenzamen omgang met hem in Engelant gehad heeft, moet getelt worden, die ook een Lofdicht hem ter eeren heeft opgezongen geplaatst in zyne Poëzy op Pagina 490, 491, 492. waar in hy de kracht van zyn penzeelsvermoogen, zoo verstandig en volkomen, dat ’er niet meer aan rest te zeggen, aldus heeft uitgedrukt:

ANIMUM PICTURA PASCIT.

O Leli, Londens dierbaar pant,
En eer van ons geboortelant,
Niet ongelyk de zuivre leli,
Vorstin der bloemen, ruim zo schoon,
Als Salomon op Judaas troon,
Van God geschat in ’t Evangeli:

Hoe eert myn dankdicht u, verplicht
Door al dien wellust van ’t gezicht!
Hoe voer myn geest met d’ogen spelen!
Hoe weiden myn gedachten noch
In zulk een’ beemt, vol zoet bedrog,
En schoonheit van uw Kunstjuwelen!

Ik zag geen verf, nog doek, ô neen,
Maar vel en zenuw, vleesch en been,
Kwam[1] Vee of Vogel ooit, bedrogen [ 45 ]
Door kunst, of beelt en tafereel
Toeschieten, uw beroemt penceel
Speelt, als [2] Parraas, dit menschen ogen.

Wat hangtge kunst van Holbeen, Dyk,
En Rubbens, of Itaalje, ryk
Van geesten, die geen ouden weken,
In ’t kleen of levens groot, ten toon?
Of steekt uw hand dus uit, gewoon
Die meesters naar de Kroon te steken? [ 46 ]
Doorzag [3] Protogenes, om hoog
Verrezen, met zyn keurig oog
Dien schat van gestoffeerde zalen,
Hy riep, door Lelys geest en gunst
Verrukt: dit ’s wis Apelles kunst:
Geen ander meester kon dit malen.

ô Kunst, van leven niet misdeelt!
Gy tart natuur met beelt by beelt,
Voor kenners altyt aangenamer.
Zo zagt, zo levendig, zo ront.
ô Schildergeest! ô eedle vont!
ô Rykdom van een Schilderkamer!

Daar blinkt de Majesteit van ’t Hof:
’t Gezigt des Krygsman vlamt op lof:
De schoonheid, ruim zo sterk, schiet lonken,
Bekwaam te spreken zonder taal,
Te heerschen, en met straal op straal
Een hart zo kil, als ys, t’ontvonken.

Hiel ’s Hemels gunst niet milt en eêl
De hand aan ’t geestig kunstpenceel,
In ’t Engelsch ryk, hier nooit verovert [ 47 ]
Door ’s afgronts list, elk riep, elk zwoer,
Van Withal tot voor by den Tour;
’t Is niet geschildert, maar getovert.

Gaan [4] Dicht- en Schilderkunst gepaart,
Van outs als Zusters, eens van aart,
Hier sprak myn lofdicht minst verwildert,
En maalde een stomme Poëzy:
Maar hier bezwykt myn toon, en gy
Hebt ook myn dichtkunst stom geschildert.

Te Londen in Wynmaant, MDCLXXIV.

Om nu den oorspronk van den bynaam Lely (als wy belooft hebben, en waar by hy alleen in Engelant bekent is) aan te duiden, zoo moet de Lezer weten dat zyn Vader, die voor hem dien bynaam gehad heeft, geboren is in ’s Gravenhage in een Huis, daar een Lely in den gevel stont; en hierom in de wandeling Kapitein Lely genaamt wierd. Gelyk ook dus de Konstschilder Abraham de Zoon van Lambert Jakobze, om dat in de voorgevel van ’t huis daar in hy tot Leiden woonde, een Tempel stond, Abraham vanden Tempel genoemt wert.
Ik heb in de Levensbeschryving van Godf. Knel[ 48 ]ler aangemerkt, hoe hem inwendig smarte dat Kneller van tyd tot tyd in de gunst van ’t Hof drong, schoon hy zulks tragte te ontveinzen. Zyn Doctor die gewoon was hem alle morgen (meer uit eigen Konstliefde, als noodwendigheid om zyne onpasselykheid) te komen bezoeken voor hy aan ’t schilderen ging (waar door hem geen ondienst geschiede) wyl hy al dikwils uit denzelven vernam wat Kneller al maakte, en wat de Hovelingen daar van zeiden: kwam op een morgen terwyl hy bezig was met zyn palet op te zetten, dewyl een Dame had laten vragen, om te komen zitten. De Dokter voelde naar gewoonte zyn pols, en vond den zelven zoodanig ontstelt, dat hy hem riedt zyn rust te nemen en Medecynen te gebruiken, liever dan te schilderen: maar hy antwoordde daar geen tyd toe te hebben. Wat gebeurt ’er? de Doktor is pas vertrokken, wanneer hem een flaaute overvalt, die hem, eer de zelve te rug gehaalt was, uit dit leven wegsleepte. De Dame kwam op haaren tyd en stont verwondert, dat zyn dienaar tot haar zeide dat ’er geen gelegenheid was om geschildert te worden, en nog meer verzet, wanneer daar by gevoegt wierd dat Lely gestorven was. Dit was in ’t jaar 1680.
Dergelyk gebeurde den Konstschilder Abraham Begyn aan ’t Hof van Pruissen, August. Terwesten, verzelt met nog een stuk of twee Konstenaars, komt in de zaal daar hy zat te schilderen, om hem tot een uitspanning te nooden, dien hy antwoordde nog iets te moeten doen, daar hy maar een uur tyd toe noodig had, en dan by hen te zullen komen. Dit verricht hebbende treed hy af van den stelling, maar gevoelende eenige zwymelinge of flaaute, [ 49 ]hout zig beneden gekomen aan de trap vast, en sterft met het palet in zyn hant. Men ziet de Beeltenis van Lely in de Plaat B 2.

[ Plaat B ]
 
B. 19.
 
  1. ↑ Van een’ hengst, die op het gezicht van een’ geschilderde merrie brieschte; van honden, door een’ geschilderden hond tot baffen verwekt; en van eenen stier, die trek tot een kopere koei kreeg, gewaagt Elianus in zyne velerhande Historie, II, 3, en Valerius Maximus, VIII, 11.
    Niet minder opmerking verdient het geval ’t geen S. van Hoogstraten in zyn Boek van de Schilderkonst op pag. 170 verhaalt:
    Het gebeurde (zeit hy) dat myn Vader Theodoor in een Bachanaal een Geyte naar ’t leven schilderde, welke ik, nog zeer jong zynde, voor hem vast hield, met behulp van touwen en koorden, om haar in bekwamen stant te onderhouden, ’t welk ik met grooten arbeit ten einde toe uithielt: maar de geschilderde Geyte nu byna gedaan zynde, en myn Vader het stuk, dat al redelyk groot was, wat uit de hand zettende; om het zelve eens van verre te zien, zoo geviel ’t, dat de Geyte by geval de geschilderde ook gewaar wiert, waar over zy, als in gramschap uitbarstende, uitspatte, brekende de touwen en my ter aarde werpende, vloogze met zulken gewelt tegens de hoornen van haar geschilderde zuster aan, dat zy den doek door scheurde, en de Schildery bedorf; tot verdriet van hem die zyn vlyt daar in zoo loflyk had betooont.
  2. ↑ In den schilderstryt van Zeuxis en Parrhasius, by Plinius verhaalt in zyn Natuurlyke Historie, XXXV, 10, bragt de eerste geschilderde druiven te voorschyn, daar de vogels op kwamen aanvliegen, maar de tweede een linnen behangsel, zoo natuurlyk geschildert, dat Zeuxis dit voor een gordyn aanziende, die de schildery bedekte, en zyn misverstand met schaamte merkende, Parrhasius den strydt gewonnen gaf; dewyl hy wel vogels, maar zyn party hem had bedrogen.
  3. ↑ Apelles, naar Rodus gereift uit lust om Protogenes kunst te zien, doch hem niet t’huis vindende, maalde eenen trek op zyn tafereel zo dun en kunstig, dat Protogenes, t’huis gekeert, terstond zag en zeide dat het Apelles werk was, als van niemant anders zoo volmaakt re verwachten. Hy voegde ’er zelfs nog een dunner trek van andere kleur by, waar aan Apelles, als hy weder kwam, zyne hant mogt kennen; maar die door een’ derden trek, in kleur wederom verschelende, van Apelles weirt overtroffen. Het tafereel, niet anders behelsende, als deze dry meesterlyke, nauwlyks zichtbare trekken, wert dusdanig bewaart, tot verwonderinge der nakomelingen: en Plinius schryft XXXV, 10, dat hy ’t zelf gezien heeft, eer het door brant verongelukte.
  4. ↑ In Plutarchus Schriften van ’t Gebruik der Poëten en de Glorie der Atheneren vint men Simonides deze spreuk toegeschreven, en van ieder een gebruikt, dat Poëzy sprekende Schildery, en Schildery stomme Poëzy is: dewyl Poëten, zoo hy zegt, de dingen, als geschiet, verhalen, die de Schilders vertonen, als warenze tegenwoordig; en de leste het zelve door beelden en kleuren uitdrukken, dat de eerste door woorden melden; in stoffe en manier van navolginge alleen verscheelende. Maar redenen van overeenkomste dezer twee edele kunsten worden bygebragt van Fr. Junius in zyn werk van de Schilderkunst der Aalouden, I, 4.