De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Ludolf Bakhuizen
| ← Ary vander Kabel | De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen, deel 2 (1719) door Arnold Houbraken | Tusschenrede: misslagen van schilders → |
Deze was geboren te Emden in den jare 1631, op den 18 van Wintermaand. Zyn Grootvader was Predikant in Oostvrieslant, zyn Vader Gerard Bakhuizen geheimschryver, en hy Klerk op ’t Comtoir tot zyn 18 jaar. Dan hy verliet Emden, en kwam tot Amsterdam wonen in den jare 1650, om den Koophandel te leeren. De Heer Bartelot, die zyn Patroon was, had veel dienst van [ 237 ]hem, alzoo hy het Boekhouwen, en de Schryfkonst meesterlyk verstont. Maar hy bleef daar niet lang, alzoo de Konstgodin hem tot hare oeffenschool lokte; gelyk hy zig dan met zyn 19 jaar begaf tot het teekenen van den Scheepsbouw naar ’t leven, zonder dat hy ooit de wyze van tekenen, of de behandeling van de teekenpen gezien had. Het leven was zyn voorwerp; en de drift zyn onderwyster.
’T was in dien tyd de Gulde Eeuw voor de Konst, en de goude appelen (nu door akelige wegen en zweet naau te vinden) dropen den Konstenaars van zelf in den mondt. Weynig tyd had hy maar toegeleid op het teekenen van Schepen, wanneer hy zyn zweet door loon verzoet zag; want hy kreeg voor een teekening 10, 20, 30, eindelyk 100 en meer guldens; het geen zyn yver niet weinig aanzette.
In middels kreeg hy kennis aan deze en gene konstoeffenaars, die hem aanmoedigden tot de penceeloeffening, daar hy wel geneigtheit toe had, maar niet wist hoe de zelve te behandelen. Aldert van Everdingen was d’eerste die hem een palet met verf en pencelen in de vuist stak om ’er een proef af te nemen. Dit ging zoo ’t best mocht, met maken en hermaken; evenwel het werd een stukje schildery, en hy kreeg ’er 10 gulden voor. Dan vraagde hy eens dezen, dan eens genen, aangaande de tempering of vermenginge der verwen, maakte zig door zyne leerbegerigen aart by elk bemint, en kwam hen op hunne schilderkamers, en in hunne bezigheid bezoeken, om af te zien hoe zy ’t een en ’t ander behandelden. Grooten toegang had hy tot den Zeeschilder Hendrik Dubbels, toen den oudsten onder de [ 238 ]bend der konstenaren tot Amsterdam, door wiens openhartig bericht hem groote dienst geschiede.
Op dien grond boude hy voort en kwam eindelyk zoo veer dat de roem van zyn Konst een groot deel van de waerelt overklonk.
Hy was nyverig, stil, en borgerlyk van leven: deugtzaam van aard en bescheiden tegens elk. Nam hy eenige uitspanningen, ’t was altyt naar den Amstel, of Ykant, daarmen verschot van Vaartuigen vint, en altyt een Mastbosch van de toppen ziet wimpelen. Bestont Eool dan eens uit zyn windkolken te brullen, of de stormrioolen met zyn vuist op te rammeien; waar door de waterbaren, slag op slag schuimbekkende elkander vervolgen, den Zeeman met ingebonde reeven nootdrukkende om een goed heen komen te zoeken, naar de gereedste haven: dan geluste ’t hem (de minste zouden daar vermaak in vinden) zomwyle in een steigerboot te stappen, en zig te laten voeren tot voor den mond van de Zee, zoo om de barninge van ’t Zeewater tegens ’t strant, als de veranderinge van Lucht en Water in die gesteltheit af te zien. En wel inzonderheit deed hy zulks, wanneer hy voornemens was iet dergelyks te verbeelden op paneel; op dat hy daar van een levendig denkbeeld zoude meedragen, of het denkbeeld dat hy daar van had ververschen. Gelyk hy dan ook gewoon was, t’huiskomende zig op zyn schildervertrek op te sluiten, of niemant by zig te laten komen, tot dat hy zyn oogmerk in ’t schilderen bereikt, en aan zyn denkbeelt voldaan had. Met een woord gezeit: hy wist de menigvuldige veranderingen in die licht veranderende Elementen wonder wel na te bootzen. [ 239 ]
’T is veel gereeder, en ook met minder gevaar vermengt, Kool, Wortelen, en Rapen, Potten, Pannen, Bezem, en diergelyk keukengereedschap, naar zyn schilderkamer te torschen, om ’t zelve naar ’t leven af te beelden; ten minste kan ik begrypen dat Konstschilders, die met diergelyke denkbeelden zwanger gaan, geen grooten last daar van hebben, veel min bezorgt hoeven te wezen dat hun d’indrukzelen zullen ontschieten, aangezien dat hunne voorwerpen van dien aart zyn, dat, daar men ze eens geplaatst heeft, zy daar stil blyven staan. Egter hebben velen met het schilderen van beuzelingen hun voordeel bejaagt. ’t Mag my nog heugen dat de Konststchilder Gerard Dou, boven zyn bedongen loon, voor het schilderen van min dan 25 wormgaatjes in een oud Spinnewiel 25 guldens kreeg. Wat zal ik hier van zeggen? Als myn Meester S. v. Hoogstraten aan ’t Keizerlyke Hof was, was ’er ook een die zyn werk maakte van kleine pourtretjes in waterverf te schilderen, die hy zoo bevallig voor de Hofdames, met schoone koleurtjes wist op te pronken, dat zy ’er op verzot waren. Hoogstraten die vryborstig genoeg was, vreef dien Schilderbaas, (wanneer hy eens met hem alleen was) onder de neus: Dat al ’t geen hy maakte geen Konst mocht genoemt worden. Die daar op tot antwoort kreeg, na dat hy een hand vol goud uit zyn beurs gehaald hem liet zien. Mag dat geen Konst genoemt worden, daar zulks van komt? Wat zal ik anders zeggen, als dat het hedendaags noch beurt, dat menschen zig aan beuzelingen, die niet om ’t lyf hebben, en styve nettigheid zich vergapen; en Konstwerken die groots van vindin[ 240 ]ge, vast geteekent, en wakker gepenceelt zyn, over ’t hoofd zien?
Wy hadden van onzen Bakhuizen gezeit: dat hy de natuur wonder wel wist na te bootzen, en vervolgen; Dat zulks ook de Reden is geweest, waarom zyn Konst aan de meeste Hoven gewild was.
In den jare 1665, lieten hem de Heeren Borgermgesteren van Amsterdam een groot stuk schilderen, vol gewoel van allerley Scheepen, en Jachten en hun Koopstad in ’t verschiet, waar voor zy hem gaven 1300 gulden, en nog een vereering of geschenk daar en boven. Dit stuk diende tot een present aan den Koning van Vrankryk Lodewyk den XIV, die ’er groot genoegen in nam, en het in de Louvre, by meer fraye penceelkonst liet plaatsen. De Groot-Hartog van Toskane, de Koning van Pruissen, de Keurvorst van Saxen, en verscheiden Duitze Prinsen, hebben niet alleen van zyne Konstwerken gekocht, maar hem ook in eigen persoon komen bezoeken tot Amsterdam, om zelf keur te doen uit het geene hy gemaakt had. Gelyk hy ook de eer gehad heeft, dat de groote Czaar van Moskovien, hem niet alleen (terwyl hy eenigen tyd alhier zyn verblyf nam) heeft komen bezoeken, maar ook begeerde dat onze Bakhuizen in zyn byzyn verscheiden slag van Scheepen voor hem afteekende, en zyn Majesteit teekende op de zelve tyden (als inzonderheit geneigt om de Scheepsboukonst in den gront te leeren verstaan) mee eenige op papier. Op zyne Scheepsbouwkunde, en op de agting, die buitenlantsche Konstbeminnaars voor zyn Penceelwerk hebben, zinspeelt de puikdichter D. van Hoogstraten in dit volgende vaars, daar hy tot zyn lof dus spreekt: [ 241 ]
o Eer, o luister van uw’ stam!
De late nazaat zal u kennen,
Zoo lang alom penceel en pennen
In waerde zyn en hoog geacht;
Zoo lang de Scheepvaert blyft in kracht;
De Scheepsbou, hoog in top getrokken,
’T gezicht der kenners kan verlokken.
Dan streeft uw Schepeschildery
Alle andre kunstenaers voorby,
En praelt in ’t oog der Amstelaren,
Die dankbaer uwen naem bewaren;
Uw’ naem, niet hier alleen verbreit,
Maar door alle oorden uitgespreit,
Tot in de Vorstelyke Hoven,
Die ’t werk van uwe handen loven.
Dan helpt gy Dichteren aan stof,
Om uit te weiden in uw’ lof.
Dan nooptge Apollen en Apellen,
Om u een eeuwige eer te spellen.
De Schilderkunst en Poëzy,
In onderlinge maetschappy
Getreên, vereeren u met kranssen,
En heffen u aan ’s hemels transsen,
Daar uwe pen, zoo onbevlekt,
Zoo net, zoo eêl, het al voltrekt.
De yver tot de Konst bleef hem tot het einde van zyn levenstyd by: alhoewel hy toen inzonderheit veeltyts met den steen, of het graveel geplaagt was, dat hy voor een bode hield die hem zyn aftocht kwam voorspellen; waarom hy zig ook by tyts tot die groote reis zoodanig gereed maakte, en getroost vervaardigde, dat de minste schrik en veran[ 242 ]deringe, toen de uure naderde om te moeten van hier vertrekken, in hem (dus word ’er getuigt) niet kon bespeurt worden. Hy overleed in ’t jaar 1709, op den 7 van Slachtmaant, oud zynde 78 jaren.
Zoo men alle de Konstwerken, die hy gemaakt heeft, eens by malkander zag, men zou zig moeten verwonderen over ’s mans vlyt: en noch te meer als men daar by bedenkt; hoe veel tyd hy noch heeft moeten besteden tot het onderwys in de Schryfkonst; daar hy wiskonstige gronden of vaste leidingen toe uitgevonden had; en die hy aan verscheiden voorname Koopluiden kinderen (alzoo hy daar in beroemt was) geleert heeft; nevens een menigte uitgevoerde teekeningen, en geetste platen. Waar uit men besluiten moet dat hy naau een uur van zyn tyd ledig heeft laten deurslippen; een yver daar de Zeededichter Jer. de Dekker heel leerzaam en nadrukkelyk in dit volgende Vaarsje op zinspeelt:
U niet roekeloos ontslippen;
Dat ’s de Tyd, die snel gaat glippen:
Nimmer hy weerkeeren zal.
Och! hoe weinig is ’t getal,
Dat zyn uuren meet by stippen!
Een zaak die zeldzaam is, en waar van ik geen ander voorbeelt weet, staat my nog te melden. Gelyk men toe Amsterdam voor gebruik heeft, dat men de gene welke de overleden ter begravinge verzelt hebben, met een glas Wyn beschenkt, en dat door de naastbestaanden verzorgt word: zoo had hy daar omtrent die zorg en bestellinge [ 243 ]op zig genomen. Want hy had den Wyn tot zyn Begraaffenis noodig zelf by zyn Wynkooper gaan uitproeven, en den zelven verzegelt doen wegleggen. Men vond ook na zyn Dood een zakje met gelt, en daar in zoo veel guldens, als hy jaren oud was, afgepast voor de genen die hem ter aarde zoude dragen, neven een geschreve lyst van de namen der Konstschilders die hy daar toe uit de Bende uitgekeurt had; met belasting van het zelve ’t samen te verteeren.
Hier benevens, om aan te toonen dat hem de konstlust tot den avond van zyn leven is bygebleven, ontbrak nog te zeggen, dat hy plaatwerk onder den Tytel van den Ystroom, en Zeegezichten enz, in het 71 jaar zynes ouderdoms geëtst heeft. Hy had ook altyt een zonderlinge geneigtheit tot de Dichtkonst, en dus vriendschap gehouden met de geachtste Dichteren van zynen tyd, inzonderheit met de Heeren Francius, Broukhuizen, Antonides vander Goes, en D. van Hoogstraten. Onder verscheiden Gedichten op hem en zyne beroemde Konst gemaakt word het Latynsche gedicht van J. Broukhuizen boven alle geprezen, waar van de zin door gemelden Hoogstraten vertaalt hier op uitkomt:
Wanneer gy woedende en verbolgen
Het nat der zee ten hemel smyt,
Daar alles beeft en kermt en kryt,
En ’t yslyk onweêr aangestoven
Roert alles van den grond naer boven,
En loeit met weêrlicht, stoot op stoot,
En bulderenden donderkloot;
Of streelt d’oplopentheid der baren, [ 244 ]
En al den hemel op doet klaren,
En stiert de schepen aan de ree;
O stomme dichter van de zee,
Wat zal ik eerst in top verheffen?
Uw arbeit, die dit net kon treffen,
Of uw weêrgadeloos verstand?
Als gy ’t penceel neemt in de hand,
En maelt de holle zee naar ’t leven,
Begint Leanders hart te beven,
Daar vast het minnen hem berout.
Ulisses schrikt voor ’t woeste zout.
Het oog aan d’andre kant vaert spelen,
En ziet den harder vrolyk quelen,
Al leggende op den oever neêr,
By ’t ruischen van ’t Ionisch meer.
Wie heeft u deze kunst gegeven,
Bakhuizen, om zoo hoog te streven?
Wat meester voerde u zoo ver heen?
Dat was geen menschenwerk, o neen.
Maer gy hebt dit geschenk genoten
Van Venus zelve, uit zee gesproten.
Zyn Beeltenis hebben wy geplaatst in de Plaat I boven aan, het Lystsieraad met een Scheepskroon gedekt, en onder aan een schryfpen vertoont.