De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Ludolf de Jong
| ← Gillis Schagen | De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen, deel 2 (1719) door Arnold Houbraken | Pieter de Hooge → |
[ 32 ]Hoe velen door zeldzame toevallen tot de Konst zyn gekomen, daar van heeft van Mander verscheiden stalen geboekt. Kwintyn Messys een Smit zynde verliefde op een meisje, dog vond een medevryer die een Schilder was hem in den weg, waarom hy door nayver gespoort, zig tot de oeffening der Konst begaf, en een groot Meester geworden, door dat middel zyn oogwit bereikten.
Marten Heemskerk een boere Zoon, dragende een emmer met melk, struikelt en stort de melk,
[ 33 ]waar door hy vreezende t’huis te komen, alzoo zyn Vader een oploopend man was, de vlucht nam, en zich tot den Schilderwinkel van Jan Lucas te Delf begaf, waar door zyn verborgen konstvuur allengs werd opgewakkert, en hy eindelyk een braaf Schilder is geworden.
Een dergelyk geval heeft LUDOLF de JONG, geboren te Overschie in ’t Jaar 1616, aanleyding gegeven tot de Konst.
Zyn Vader was aldaar Looyer en Schoenmaker, tot welk ambacht hy zyn Zoon opkweekte. Maar wanneer hy het eens verkerft, of zyn werk kwalyk gedaan had, behandelde zyn Vader hem wat onzacht met den spanriem, waar door hy opzet nam, van het ambacht niet voort te leeren. Van dien tyd af speelden zyn zinnen op de Konst tot dat zyn Vader tot Rotterdam kwam te wonen, en hy door voorspraak van andere menschen die een konstgeest in hem bespeurden bestelt wierd by Kornelis Zachtleven, een fraai Schilder van Beelden, Beesten, en Spooken, welke hem in de teekenkonst onderwees. Naderhant werd hy bestelt by Antoni Palamedes te Delf die een goed pourtret-Schilder was, doch weinig acht op hem gaf; waar over hy misnoegt zynde, zig, zoo ras zyn tyd uit was, naar Utrecht begaf by Joan Bylaart, by wien hy zoodanig in de Konst gevordert is, dat hy van daar t’huis gekomen in ’t Jaar 1635, straks ondernam met eenen Frans Bacon 19 Jaaren oud zynde een reis naar Vrankryk te doen, alwaar hy zeven agtereenvolgende jaren bleef, en licht langer zou gebleven hebben, ten waar hem zyn Vader, ter oorzaak dat zyn Moeder geduurende dien tyd ziekelyk was, had t’huis ontboden. Hy [ 34 ]gehoorzaamde en kwam t’huis, doch was in dien tyd de Duitsche taal zoodanig ontwent en vergeten, dat zyn Ouders genootzaakt waren eenen die zig der Fransche taal verstont te halen, en dus met hem te spreken.
Zedert dien tyd heeft hy te Rotterdam vele Beeltenissen der voornaamste luiden van die Stad gemaakt, en door zyn hups gedrag, en Konst, veel vrienden verkregen. Hy kwam naderhant te trouwen met de Dochter van Pieter Montagne die na bevrient was met verscheide Heeren van de Regering van Rotterdam en Schoonhoven, waar door hy begunstigt wierd met het Majoorschap der Stad Rotterdam, ’t geen hy tot het jaar 1664 heeft bedient. Ondertusschen bleef het konstvuur in hem levendig, zoo dat hy in dien tyd een groot pourtretstuk voor de Schuttery maakte dat heden nog in de Stads Doele kan gezien worden, hangende op de Princekamer, welk het vermogen van zyn penceelkonst te kennen geeft.
Naderhant wisselde hy het Stads Majoorsampt voor het Schoutsampt van Hillegersbergh het welke hy tot groot genoegen der ingelanden bedient heeft tot het Jaar 1697 wanneer hy stierf.
Behalven vele Beeltenissen van levensgrootte welke hy gemaakt heeft tusschen de belemmering van zyne bedieningen, heeft hy ook verscheiden Moderne Kamerstukken, Bataljes, Jachteryen enz. waar zyn lust op viel, uit enkel vermaak met roem geschildert.