De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Mathys vanden Berg
| ← Frans Menton | De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen, deel 2 (1719) door Arnold Houbraken | Tomas Wyk → |
[ 15 ]De ervaring leert, dat, wanneer de Konstzucht in een geslachtstam ontstaat, niet zelden afzetsels van gelyken aard daar uit voortspruiten, het geen bevestigt wort door de volgende Levensbeschryving van
MATHYS vanden BERG, geboren in den Jare 1615.
Zyn Vader Jan vanden Berg geboren tot Alkmaar, van jongs tot de Konst geneigt werd by Hend. Goltzius, om daar in op vaste gronden onderwezen te worden, bestelt; maar dezes Vader een Schoolmeester zynde, die met ’er woon naar Brabant vertrokken was, moest Jan als onderkoning met de plak het Ryk een tyd lang helpen bestieren, en het penceel voor de pen verwisselen. Egter nam hy in zyn tusschentyd de penceeloeffening naarstig waar, te meer alzoo hy gele-
[ 16 ]gentheid vont om by Rubbens te verkeeren, die het Konstvuur meer en meer in hem aanstookte, en zoo veer in deszelfs gunst te dringen, dat hem die tot Rentmeester en Opzigter over zyne Lantgoederen stelde, uit welken hoofde hy zig meest tot Yperen moest onthouden, daar onze Mathys geboren is, dog heeft zyn meesten levenstyd in zyn Vaders geboortestadt gesleten.
Mathys dan van natuur mee genegen tot de Konst, vond door zyn Vader gelegentheit om de zelve by den vermaarden P. P. Rubbens te leeren, en werd geen van zyn geringste leerlingen.
Hy was een vast teekenaar, en onophoudelyk bezig, zelf tot in zyn ouderdom, met naar ’t leven en de beste Schilderyen, die hem voorkwamen, te teekenen.
Doch zyn geest door ’t gestadig naarvolgen van anderen verwent, was een beletsel om iets uit zig zelf te ondernemen, of eigen vindingen te maken: immers men vint van hem wel een overvloet van brave namaaksels, maar zelden iets van zyn eigen uitvindinge.
Veelmalen teekende hy in zynen oeffentyd het afbeeltzel van zynen Vader, in allerhanden stant en kleeding, waar van nog zommige teekeningen onder de Teekenkonstminnenden berusten.
Hy kwam tot Alkmaar in St. Lucas Gilt op den eersten van Wiedemaant 1646, en overleed daar in den jare 1687.