De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Roestraten
| ← Hendrik Graauw | De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen, deel 2 (1719) door Arnold Houbraken | Hendrik Verschuuring → |
[ 191 ]In die zelve Jaar 1627 werd tot Haarlem geboren .... ROESTRATEN. Deze heeft de Konst geleert by Frans Hals, wiens Dochter hy ook naarmaals getrout heeft: de zelve welke den potzigen Adriaan Brouwer, wanneer zy noch jong was, bescheet, en die van Brouwer weer bescheten werd. Mic. Carreé die in den jare 1695 in Engelant woonde, en gemeenzamen omgang met hun hield, heeft my gezegt, dat hy ’t dus uit hun beider mond, dikwils om de klucht, heeft hooren verhalen. Dat de Vrouw van F. Hals, iets anders te doen hebbende, aan Brouwer, die toen nog jong was, en by F. Hals de konst leerde, belaste het kint te torschen op dat het onderwyl niet kryten zoude. Brouwer sprong daar mee om zoo hy best kon, en droeg het dan op zyn arm, dan op zyn schouders om het zelve te stillen, en schokte het zoo lang dat het hem eindelyk van boven tot onderen bevuilde. Brouwer dus bestelt, ley het kind op den vloer, streek zyn broek af, en betaalde het zelve met gelyke munt. De Vrouw daar op inkomende ziende dit klugtig bedryf aan, vraagde wat hy dee? die hy tot antwoord gaf: Wy beschyten malkander.
Roerstraten was een braaf schilder van pourtretten en stillevens, inzonderheit Zilverwerk, Schotels, Vazen, Schalen enz, die hy zoo natuurlyk door ’t Penceel wist na te bootzen, dat het natuurlyk Zilver scheen te wezen. Aan het laatste [ 192 ]hielt hy zig meest; aangezien P. Lely, die niet als Pourtretten konde schilderen en zyn fortuin daar mee zocht te maken, hem het schilderen van de zelve, om dat zy elkander niet in de weeg lopen zouden, afried, onder belofte van hem anderwys dienst te doen, gelyk ook geschiedde: want hy dikwils maakte dat hy veertig of vyftig pont sterlings voor een stuk kreeg.
Hy had zig in den brant van Londen aan zyn heup bezeert, waar door hy naderhand krepel ging.
Na het overlyden van zyn eerste Vrouw, troude hy een jonger; maar het was der moeite niet waart, dat om zoo weinig koren als hy te malen had, hy een nieuwe Molen oprechtte: want hy stierf in ’t jaar 1698.
De Boomen, en Bloemen zyn het sieraad van ’t aartryk. De milde Natuur brengt die op den regten tyd voort. De oeffening van een yverig en naarstig Bouwman zet hun schoonheit en luister by. Dus is ’t ook met den Mensch; de konsten en wetenschappen zyn de versierzelen van den zelven. De natuur schept des Menschen vernuft, en geneigtheit. De oeffening brengt het verstand in zyn volkomenheit. Dit bevestigt Horatius daar hy zeit:
Maar ’t ovrige de Konst voltrekken.
En dit tegenwoordige voorwerp zal ’er de proef op zyn.