[ 88 ]Breemen heeft ook al vroeg geheugniswaardige Kostenaars uit zynen schoot zien ontspruiten: onder deze wort een braaf Historyschilder, door de wandeling Quant genaamt, getelt. Deze schilderde in ’t Jaar 1620 de zoldering der zoogenaamde Gulde Kamer van het Raathuis als ook verscheiden groote Konstwerken, die noch in de oudste Stamhuizen tot Bremen gezien konnen worden. Ook een SIMON PETER TILMANS, Schenk gebynaamt, een braaf Lantschapschilder en die vele Jaren zig in Italie had geoeffent. Doch dees begaf zig naderhant tot het schilderen van pourtretten, daar hy zoo uitstekende in werd dat hy nevens de besten van zyn tyd mocht gestelt worden, gelyk hy ook de eer gehad heeft dat hy de Beeltenis van Keizer Ferdinand tot Weenen geschildert heeft. Deze had ook een dochter die de Konst oeffende. Ik heb Lantschappen, Beeltjes, inzonderheit Bloemen van haar gezien, die uitvoerig naar’t leven met waterverf geschildert waren. Zyn Beeltenis door Chr. Hagens in koper gesneden 1668, toen hy 67 jaren oud was, gaat in print uit, waar onder staat, [ 89 ]
Dit ’sTilmansbeeltenis, die boogden op geslagt,
Noch roem; maar d’eer van God: de rest als niet geacht.
Waar van wy ons hebben bedient in de Plaat C. 3. Hendrik Bokelman Koopman tot Amsterdam is zyn Dochters Zoon.