Naar inhoud springen

De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Theodoor Roos

[ 288 ]Wy willen ook niet verzuimen te gedenken aan zynen Oom THEODOOR ROOS, Broeder van Jan Henrik Roos, daar wy even te voren af gemelt hebben, geboren te Wezel in ’t jaar 1638 in Herfstmaant. By gevolge zeven jaar jonger. Deze inzonderheit tot de Konst geneigt werd met zyn twaalfde jaar bestelt by Korn. de Bie, zeit Sandrart. Maar hier ontrent moet een vergissing of drukfeil zyn ingeslopen, aangezien Kornelis de Bie geen schilder, maar Geheimschryver te Lier geweest is, en die alleen ter liefde van de Konst een Boek van ’t leven der Brabantsche schilders in vaarzen uitgegeven heeft. Dog des zelfs Vader Adriaan de Bie was een braaf schilder, en kwam van Rome in ’t jaar 1623, naar Brabant daar hy nog in ’t jaar 1660 woonde; en by gevolge moetmen voor Kornelis, Adriaan lezen, by wien hy bestelt werd om de Konst te leeren. [ 289 ]
Na dat hy drie maanden geteekent had (bewys van snedige opmerking en groot vernuft, dat hem dus veer by zig zelven had doen vorderen) stelde hem zyn onderwyzer aan ’t schilderen, waar in hy in twee jaren zoo veer vorderde dat hy met zyne Ouders 1653 naar huis toe keerden, daar hy de Konst onder handleiding zyns Broeders voort oeffende, zoo veer dat hy eerst te Ments, te gelyk met zyn Broeder voor de Kloosterlingen heeft geschildert; daar na door de Lantgraaf van Hessen ontboden, schilderden zy drie agter een volgende jaren te Ryntvelt, daar onze Theodoor inzonderheit zig naarstig en onophoudelyk oeffende in de Konst, zonder zig door de vermaaken van ’t Hofleven te laten aftrekken van zyne oeffeningen.
Als nu zyn oudste Broeder zig in den jare 1657 in den egten staat begeven had, vertrok onze Roos in ’t volgende jaar naar Manheim, daar hy de Colonellen van drie Borger Regimenten met hunne Hopmannen naar ’t leven afmaalde; welk stuk aldaar op ’t Raadhuis noch te zien is.
De Keurvorst van de Palts dit stuk gezien hebbende beschonk onzen yveraar met 20 Ryksdaalders, welke gift zoodanigen lust in hem wekte, dat hy alle ydele tydverdryven van de jeugt vaarwel zeide, en al zyne uure ten dienst van de Konst besteede. En wanneer de Keurvorstin van de Palts troude met den Hertog van Orleans, schilderde hy der zelver Beeltenissen; het geen hunne Hoogheden zoo wel beviel, dat hy een goude keten met een penning waar op des Vorsten Beeltenis gestempelt was te schenk kreeg. Straatsborg, ’t Hof van Velde, van Birkenfelt, Bade, en Hanou, pronkt met zyn Konst. Acht stukken maakte hy in zeven [ 290 ]maanden aan ’t Hof te Wirtenburg, en werd boven zyn belooning vereert met den Tytel van Wirtenborger Hofschilder.
Als Straatsborg aan de Franschen over ging was hy daar binnen, maar aangezien dat hy vele Beeltenissen der Krygshoofden voorheen door ’t penceel gemaalt had, en dus by de zelve bekent was, verschoonden zy hem van den last der Soldaten, waar door de Borgers door der zelver inwoning geplaagt werden.