De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Vincent vander Vinne
| ← Jan Janze Slob | De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen, deel 2 (1719) door Arnold Houbraken | Maria van Oosterwyk → |
[ 210 ]VINCENT vander VINNE, dien wy nu gedenken moeten, is geboren tot Haarlem in ’t Jaar 1629. Van jongs af aan tot de Konst geneigt, teekende en schilderde hy naar printen of teekeningen, zoo los en geestig dat duidelyk genoeg daar aan bleek, dat de natuur hem gonstig, en hy by gevolge tot die oeffening geboren was. Deze Konstlust wakkerde met de jaren op, te meer toen hy dagelyks met de Zonen van Frans Hals, die in zyn buurt woonden, verkeerde: ’t geen zyne Ouders beweegde om hem de Konst te laten leeren by gemelden F. Hals; daar hy in korte Jaren zoo by toe nam, en des zelfs stoute behandeling zig zoo eygen maakte, dat hem dacht dat zyn wieken lang genoeg gegroeit waren, om een vlucht te ondernemen. Hy trok daar op naar Duitslant, Zwitzerlant en Vrankryk, daar hy alzins gelegentheit vont om zyn Konst te oeffenen, en keerde in ’t Jaar 1655 weer naar zyn Geboorttestadt daar hy by alle Liefhebbers van de Konst welkom was, en zich inzonderheit door zyn vrolyken aart en Dichtkonst by elk bemind maakte.
Hy schilderde ondertusschen alles wat hem maar aan de hand kwam, Kamers, Zolders, Uithangborden en Konststukjes, ’t was hem zoodanig onverschillig datmen niet zeggen kon wat deel der Konst hy tot zyn voorwerp verkoos: maar wel dat hy de Natuur, in Lantschappen, Gebouwen, Stilleven, Beesjes, Vogels, Boertjes, Historien, in ’t groot of klein navolgde. Daar en boven was hy gelukkig in ’t treffen van Beeltenissen, die hy met een stout penceel aantoetste, naar het voorbeeld van zyn meester F. Hals: die gewoon was [ 211 ]tot zyn leerlingen te zeggen: Gy moet maar stout toesmeeren: als gy vast in de Konst wort zal de netheid van zelf wel komen.
Door deze stoute wyze van schilderen wist hy vaardig, en wat uit de hand gezien wort welstandig te vertoonen. En aangezien hy doorgaans toeley op ’t geen ’t meeste voordeel aanbracht zagmen in zyn tyd de winkelhuizen binnen Haarlem met fraje geschilderde uithangborden pronken; meer als andere Steden, zoo dat de potzige Job Berckheiden pleeg te zeggen: vander Vinne is de Rafael in het schilderen van Uithangborden.
Onderwyl liet hy niet na zyn Konst anders ook te oeffenen, en door Zinnebeelden, en sprekende Beeltenissen (gelyk ook Goltsius, Heemskerk en Romein de Hooge gedaan hebben) zyn vernuft en geestige vindingen te laten zien. Tans willen wy ook een staal of twee der potzige bedryven van zyn groene jaren gedenken; die bewys geven dat, wanneer hy door zulks te doen in ’t naau raakte, hy zig van zyn vernuft, op zyn tyd, wel heeft weten te bedienen.
Zyn reisgezellen die van Haarlem hem verzelden naar Duitslant, waren Korn. Bega, Theodoor Helmbreker, en Willem du Bois; doch zy bleven alle niet by hem, maar dropen d’een voor en d’ander na weder naar huis, na dat zy zomwyl al geestige ontmoetingen (want onze vander Vinne tot potzeryen geneigt was) by gewoont hadden. Te Everdun in Switzerland, maakte hy een Vlieger, dubbel beplakt, en met lichten van binnen behangen, en liet die in den nacht met een goeden wind opgaan. Waar door de Boeren, op veere na de vernuftigste niet, op de been kwamen, en elk dit met verbaastheid beschouden, zoo dat [ 212 ]straks verspreid wierd, dat ’er een Hemelsteeken in die landstreek gezien was, ’t geen zy te eerder besloten, om dat dat Lant in dien tyd, door Borgerlyke onlusten, tot een bloedigen oorlog dreigde uit te spatten, waarom als dit uitleekte, en hy zag dat in al zulke potzeryen gevaar voor hem stak, hy zulks niet meer ter proef stelde.
Te Geneve schilderde hy in ’t huis van den Heer Rozet, een der voornaamsten dier Stadt. En alzoo over tafel van Hollant, en des zelfs vermakelykheden by winterdag op ’t Ys gesproken wierd, zoo gaf onze schilder breed op van zyn gaauheit in ’t schaatsryden; zoo dat de gasten uit nieusgierigheit wensten naar een kouden winter. Hy, die maar een krabbelaar in ’t ryden was, verlangde kwanzuis mee, om zyn hart eens te mogen ophalen, niet agterdenkende dat men hem daar, gelyk aan den pocher van Esopus, zou konnen zeggen: [1] Zie hier is Rhodus, en daar is de sprong. [ 213 ]
Maar gelyk zulke die ’s winters op zwemmen, en des zomers op schaatsryden snoeven, meende hy ook genoeg bevryt te wezen, van dat hem een proef gevergt zou worden.
’T geviel egter dat het in den wintertyd van ’t jaar 1653 zoo streng koud wierd, dat het water, zelf het Lak of Meir daar omtrent, met ys toeraakte, en sterk genoeg wiert om een Mensch te konnen dragen. Toen maande hem de Heer, en al ’t huisgezin aan om nu zyn konst te toonen. Zyn eerste uitvlugt was, hy had geen schaatsen: maar die werden hem beschikt van een Koopmans Zoon, die in Hollant gewoont had. Nu kwam ’t op ’t nypen. Wat uitvlugt nu? want des anderen daags moest het spel aangaan, en de Heer had reeds verscheiden luiden van aanzien op dit gezicht genoodigt.
Nu moest ’er list gebruikt worden, om deze luiden niet voor spot te houden, die hem voor een snorker, of zwetzer zouden aanzien. Hy bedagt ’er des nagts een daar geen agterdocht op viel, en maakte die des morgens werkstellig. Hy sneed een gadt in zyn schoen, en kwam kreupel en hinkende voor de dag. Als ’er gevraagt wierd, Meester wat scheelter aan den voet? was ’t antwoort: ag! ik heb dien zoo deerlyk gestooten, dat ik gaan noch staan kan. Als straks gevraagt wierd: wel zalje dan wel konnen ryden? onmogelyk niet, was ’t antwoort. De Heer Rozet, hier in byster verlegen, zeide, wat raad nu? ’k heb reeds myne vrinden verzocht, en de tyd is gekomen. Ik weet raad antwoordde onze Schilder: Hier in de Stadt woont een Schoenmakers gast van Haarlem Joost Baile genaamt, die by uitmuntentheit fluks te schaats is, laat dien halen uit mynen naam. Deze was straks ge[ 214 ]reed, en bly. Hy begaf zig ’s middags op ’t Ys (terwyl de toekykers op den wal stonden) makende allerlei drayen en zwieren, buitenover, dan op ’t een dan op ’t ander been, ’t welk van de aanschouwers met verwondering en handgeklap geprezen werd. Van ’t Ys gekomen werd Joost Baile van den Heer voor het vermaak dat hy hun door ’t ryden gegeven had met wyn beschonken. Deze wist door fynheit de rol mee uit te spelen en den Schilder boven hem in konst van schaatsryen in ’t gezelschap op te zetten; zeggende: dan zout gy eens verwondert staan kyken! Dit deed elk ’t oog op den Schilder slaan, en wenschen dat zyn voet mogt genezen eer het ys uit het water raakte. Doch dit beurde niet, maar hy hield zig kreupel tot het ys weg dooide.
Hy was een man kloek van lichaam en gezont tot 6 of 8 jaar voor zyn dood, wanneer hy een beroertheid kreeg die hem buiten staat stelde van de Konst langer te oeffenen. Egter deed hy zomwyle zoo veel en zoo goed als hy konde tot den 24 van Hooymaand in ’t Jaar 1702, wanneer hy naarmiddags in een slaapziekte viel, en den volgenden dag, 73 Jaren oud geworden zynde, stierf. Naarlatende drie Zonen. Laurens, Jan, en Izak vander Vinne, die de een min, en de ander meer de Konst gehanteert hebben. Zyn Beeltenis staat in de Plaat I. 2.
- ↑ Deze spreuk is ontsproten uit een oude Griekse Fabel, die melt van een Reyziger welke swetste en snorkte over vreemde ontmoetingen, en daden die hy verrigt had te Rhodus, inzonderheid over een wyden sprong dien hy gedaan had; welken Blaaskaak men bracht aan diergelyk wyd water, zeggende: Toon ons hier een sprong als gy zegt te Rhodus gedaan te hebben. Daar hy bekaaid afkwam. En sederd is altyd, als ymant snoefde dat hy elders wonderen verrigt had, dit voor een spreekwoord gehouden.
De Heer D. v. Hoogstraten welke deze Fabel berymt heeft zeit dus tot den stoffer.Wat hebt gy, goede vrient, getuigen toch van doen?
Zoo waar is ’t geen gy zegt, bewys het met de zaken.
Daar mêe zyn allerbest uw woorden goed te maken.
Hier ’s Rhodus: gy moet hier niet toonen met den mont,
Maar met de zaken zelfs, hoe fraai gy springen kont.
