Naar inhoud springen

De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Willem Doudyns

[ 234 ]WILLEM DOUDYNS is geboren 1630, den laatsten dag van Wintermaand. s’Gravenhage mag met reden haar Oyevaars blazoen met deze Konstpaarel sieren, voortgesproten uit een Borgermeester, en Kolonel der Schutters dier plaats. Zyn eerste onderwyzer in de Konst was Alexander Petit.
Naderhand door reislust aangenoopt, trok hy naar Rome om de Konst naar de oude en beste voorbeelden voort te zetten, en bleef twaalf agter een volgende jaren in Italien, dagelyks bezig met de Grieksche Statuen, en geachtste Roomsche Konststukken, af te teekenen, ook om zig eene wyze van schilderen te gewennen die hem naderhant zoo beroemt gemaakt heeft. Jan de Biskop heeft zig inzonderheit naar den kostelyken voorraad zyner teekeningen bedient in zyn geëtste plaatwerk.
Hy is een van de eerste, of wel de voornaamste geweest die in den jare 1661, het Konstgenootschap, en d’Academie tot opbouw van de Konst hielp oprechten in s’Gravenhage, waar van hy ook [ 235 ]naderhand verscheidenmalen Directeur, of Regent is geweest. Hy leende de hand daar ook aan tot het einde van zyn leven, het geen hy bereikte in ’t jaar 1697, in den ouderdom van 67 jaren; de dood zig niet bekreunende het groot verlies dat de Konstschool door het missen van dezen Diomedes (dus was hy gebentnaamt) te duchten stont.
Hoe groots hy in zyne ordonantien was, hoe vast in het teekenen van zyne naakten, hoe breed en natuurlyk hy zyne kleederen plooide, en hoe stout en krachtig, (om het tegen de braafste Italiaansche te konnen ophalen) hy zyne Konststukken schilderde, daar omtrent zou te vergeefs zyn veel te melden, aangezien het werk, genoeg bekent, zyn maker pryst. Onder vele van zyne beruchte Konstwerken wil ik den Lezer, alleen tot een staal, na de Haagsche Vierschaar wyzen, daar hy Salomons eerste recht in drie vakken verbeelt heeft: en ’t geen wy meer te zeggen hadden elders toesparen.