Naar inhoud springen

De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 2/Willem vanden Velde

[ 324 ]De gelegentheit is een groot behulp voor de genen die zig tot de Schilderkonst of andere wetenschappen geneigt vinden. Waarom al van ouds deze spreuk: Elk heeft het geluk niet van Korinten te mogen bezoeken; onder de Grieken in gebruik was. Velen welke Ouders hadden die zig des verstonden, werden de konsten en wetenschappen als met de pap (gelyk het spreekwoord zeit) ingegeven, en zy vonden de voetsporen daar toe gebaant, om met wyde schreden tot hun geluk en roem te stappen, ’t geen anderen door akelige omwegen hebben moeten opzoeken. Dit geluk is den Fenix der Scheepschilderen,
WILLEM vanden VELDE, Willemsz. toegevallen. Hy werd geboren te Amsterdam in ’t jaar 1633, en van der jeugt aan tot de Konst geneigt, werd daar in aangespoort, en met geneigt[ 325 ]heit onderwezen, tot dat zyn Vader in dienst van Koning Karel den tweeden met ’er woon naar Engelant vertrok, en hem onder opzicht van den konstigen Scheepschilder Simon de Vlieger tot Amsterdam liet, van welker levenswyze wy niets weten te zeggen, gelyk wy ook den tyd zyner geboorte, nog met verzekertheit zyne geboorteplaats niet hebben konnen te weten komen, en dus alleen van hem kunnen zeggen, dat hy een Haarlemmer of Amsterdammer van geboorte, en een geacht Mr. in zyn Konst geweest is. Inzonderheit word, om des zelfs natuurlyke en konstige behandelinge geprezen, een stuk waar in het Haarlemmer Meir met allerhande Schepen, by een labberkoelte voorby en door malkander zwierende verbeelt is.
Hy had een Dochter Kornelia de Vlieger genaamt, die de Dichtkonst verstont. By gelegentheit van haar verjaring den 28 van Wiedemaand 1658 oud zynde 28 jaar, vind ik op den Hemelzang (zoo genoemt, door haar gemaakt) dit volgende Vaarsje toegepast:

Ha! Amstels pronksieraat,
Het droevig Wezop gaat
Met tranen in zyn oogen,
In zwarten rouw gekleed,
Om dat het tot zyn leet,
Moet dulden en gedogen;

Dat, Schoone! uw gezicht
Den Amstelstroom verlicht,
En ’t Gein laat zonder luister:
Het doet niet dan het klaagt,
En noemt, hoe schoon het daagt,
Zig, zonder u, gansch duister.

[ 326 ]
Van haar Gedichten zietmen in d’Amstelsche Zang-Godin, ook die op haar zyn toegepast, maar op haar Vader S. de Vlieger heb ik niet ontdekt als dit volgende Grafschrift:
Hier rust de Vlieger, die wel eer door zyn penceelen,
Om prys streed met Natuur, op doeken en paneelen;
En door zyn yver en natuurdrift aangevoert,
De Lasterzieke Nyd, de lippen heeft gesnoert.
Deez’ Sark houd wel zyn Lyk, maar niet zyn lof gesloten;
Die op de tongen zweeft van al de Konstgenoten.

En Vondel elders:

De Vlieger nam in ’t end de vlucht
Uit dees benaauwde lucht.

Wanneer onze Willem vanden Velde nu zoo veer in de Konst van Scheepschilderen gekomen was, dat zyne stukken nevens de beste van die soort mochten ter monstering komen, nam de oude Willem zyn slag waar, en wist zyn Zoon ook in de gonst van Koning Karel te vlyen, die daar op naar Engelant trok, en veel heerlyke konstwerken tot de Koninglyke vertrekken maakte, gelyk ook na des zelfs dood, voor Koning Jakobus; waarom ook zyn Beeltenis door Godf. Kneller in den jare 1680 geschildert, en door Jan Smit 1707 in koper gebracht, ook dus met die eer pronkt:

Guljelmus vanden Velde, Junior, Navium & prospectuum marinorum Pictor: & ob singularem in illa Arte peritiam a Carolo II. &. Jacobo II, [ 327 ]Mag. Britanniæ Regibus annua mercede donatus. Obiit 6 Apr. Ann. Dom. 1707. Ætat suæ 74.

De Engelanders hebbende grote agting voor zyn penceelkonst, zulks ook verdienende, hebben de zelve van tyd tot tyd, door Hollant, opgekocht, ons gezicht die aangename beschouwing onttrokken, en dezelve derwaards vervoert, zulks dat men niet veel van de zelve ziet. En het staat niet licht gezien te werden, dat ymant in dat deel der Konst zoo schoon zal opdagen, om de school van Pictura, door zyn konstlicht te beschynen.