Naar inhoud springen

De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 3/Ary Huibertsz Verveer

Uit Wikisource

[ 213 ]
ARY HUIBERTSZ VERVEER is geboren te Dordrecht, dog de tyd van zyn geboorte blyft my onbekent, maar hy kwam in 't jaar 1646, te gelyk met Gerard de Jager, Dortenaar, zee- en stille water schilder, Abraham Susenier, mede van Dord, en een fraai schilder van stil leven, inzonderheid zilverwerk, en Arnout Elzevier, Landschap- en brantschilder, in het Konstgenootschap van St. Lucas te Dordrecht. Hy schilderde somtyts pourtretten, maar meest Historien, en wel zulke daar veel naakten in kwamen. Zyn stukken waren best, om wat uit de hand gezien te worden, wyl hy de zelve wat robbelig en ruw schilderde. Het meeste dat de konstkenners tegen zyn werk hadden, was, dat hy het vlees te tanig van koleur maakte, nog agt gaf op het azuur dat in een helder naakt doorsteekt, maar zig vergenoegde als het maar kragt had, waarom het beenzwart by hem van groot gebruik was. Hy [ 214 ]schilderde nog al veel, dog zelden zagmen iets voldaan, dewyl hy dagelyks wat nieuws begon, waarom ook zyn schildervertrek, en nog andere daar nevens zoo vol gepropt waren met doeken en paneelen, op welker een een heel, op 't andere weer een half naakt, of troony, of ook een ordonantie geschetst stond, dat het wel een doekverkopers winkel geleek. Waarom zyn huis ook (toen het eens op een wintertyd tot den grond toe afbrande) met al die ligte brandstoffe, als een brander op zee scheen toegerust. Dien ganschen naamiddag, tot in den avond, waren by hem in gezelschap geweest myn eerste meester Willem van Drillenborg', Johannes Offermans, discipel van Adriaan Emont, en Arnoldus Verbius; maar het schemt dat zy meer agt gegeven hadden, of yder zyn beker wel schoon uitveegde, dan op het vuur. Deze läatst gemelde was een braaf schilder, maar zoo vlug als de wint. Hy heeft verscheiden agter een volgende jaren aan 't hof van Friesland voor pourtretschilder geweest, schilderde ook Historien, maar 't geen hy 't natuurlykste wist te verbeelden waaren hoere- en boevekotten, die hy ook zodanig (ik gis naar de zuivere waarheid) in hunne vuile bedryven onbewimpelt afbeelde, dat de schilderyen van schaamte een voorhangsel scheenen te eischen, om 't eerbare oog geen argernis te geven.