De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 3/Gerard Terburg
| ← Jan Linsen | De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen, deel 3 (1753) door Arnold Houbraken | Gabriel Metzu → |
[ 34 ]
Om nu voort te gaan met GERARD TERBURG van wien wy aanvang gemaakt hebben; hy is geboren te Zwol in Overyssel in 't jaar 1608. Hy gesproten uit een oud geacht geslacht, en wel opgevoed, bezat veel verstand. Ook was hem de Konstgodes van jongs af aan gunstig. Zyn Vader die een braaf Schilder was en vele jaren te Rome zyn Konst geoeffent had, is zyn eerste onderwyzer in zyn jeugt geweest. Hy heeft ook nog naderhand tot Haarlem by een Schilder gewoont, maar hoe genaamt weet ik niet. Maar wel, dat toen hy op eigen wieken kon dryven, hy reislustig was, en vremde landen heeft bezogt, als Duitsland, Italie. Engeland. Vrankryk. Spanje en de Nederlanden, daar hy allerwegen stalen van zyns penceels vermogen gelaten heeft. In 't jaar 1648 ging hy naar Munster op de Vredehandeling, daar hy ten eersten kennis maakte met den Schilder van den Graaf van Pignorando. Deze die door het gerugt wist dat hy een groot Meester in de Konst was deed hem vrientschap, te meer om dat hy een stuk schildery onder handen had voor gemelden Graaf, verbeeldende de kruissiging van Christus, daar hy naar zyn zin niet meê te recht konde komen. Des hy aan onzen TERBURG verzogt, hem daar aan de behulpzame hand te leenen, 't geen hy deed. 'T zelve voltooit zynde liet hy 't den Graaf zien, die groot gevallen daar in had,
[ 35 ]maar 't effens hem ook opstreed dat hy 't niet alleen gemaakt had, 't geen hy eindelyk bekende. De Graaf belaste hem dien Meester by hem te brengen, dat hy (hoe noode) deed. TERBURG werd straks verzogt of hy zyn pourtret wilde schilderen, 't geen hy ten eersten bewilligde, voorziende dat zyn fortuin hier uit stond geboren te worden.
'T lust ons een geestig voorval tusschen dezen Graaf en hem, als hy zyn beeltenis schilderde, te verhalen. De bevinding heeft ons doen zien dat sommige Konstschilders zig onder het schilderen zoodanig iets aangewent hadden, dat zy zig daar van niet konden ontdoen. Gilliam Bauer sprak onder 't schilderen hard op (zelf niet bemerkende dat hy zulks deed) tegens het voorwerp (schoon roerloos) dat hy voor zig had om na te schilderen: en de klugtige Bamboots krulde zyn knevels gestadig op onder 't schilderen. Onze TERBURG fluite met zyn mond 't een of ander deuntje, wanneer hy met yver iets deed. Als de Graaf dan d'eerstemaal voor hem zat om geschildert te worden, en hy met grooten yver bezig zynde naar ouder gewoonte een deuntje begon te fluiten, nam de Graaf dit in 'eerst, als onvoeglyk in tegenwoordigheid van zulk een grootmoedig Prins, euvel op, en rees van zyn plaats daar hy zat; om heen te gaan: maar als TERBURG zyn misslag bemerkende zig verschoonde met zeggen: Dat hy zulks gewoon was te doen zonder dat hy 't zelf wist, wanneer 't penceelwerk voorspoedig en naar zyn zin voortging. Hier op ging de Graaf weer zitten, en zeide al lachende: Fluit dan maar voort. [ 36 ]
Dit pourtret, waar toe hy inzonderheid zyn vlyt aangewend had, en het geen wel gelukt was, gaf hem niet alleen gelegentheid om nog andere meer voor den Graaf te schilderen, maar ook alle de Ambassadeurs, welke op den Vredehandel byeen gekomen waren. Deze pourtretten werden byzonder geprezen, en elk van de Heeren, inzonderheid gemelde Graaf, had zulk groot genoegen daar in, dat hy niet afliet van hem te sporen door beloften van groote voordeelen, om met hem naar Spanje te gaan, gelyk hy deed. Daar gekomen zynde schilderde hy de Beeltenis des Koningsen van velen der grootsten van 't Hof met groot genoegen. Waarom de Koning hem Ridder sloeg, en een gouden keten met een Medalje, waar op de Beeltenis des Konings gestempelt was, een Degen, en een paar zilvere sporen te schenk gaf. Ook schilderde hy vele van de eerste Hofdames en andere gegoede luiden, die op zyn vleijend penceel verslingert hem voor altyd daar aan werk zouden geholpen hebben: maar hy bleef daar niet veel jaren; aangezien hy zig door zyn welleventheid te veel naar der Spanjaarden zin (die straks agterdenkende en minyverende zyn) wist in de gonst van de Dames te dringen. Zoo datze hem daar voor wel een vyg zouden gegeven hebben, om aan te bersten. Hier van gewaarschouwt zynde pakte hy (als het spreekwoord zeit) straks zyn biezen, en vertrok in aller yl van Madrid naar Engeland, daar hy met zyn penceelkonst breed stond, gunst, en veel geld won; zulks hy, toen hy naar Vrankryk wilde overschepen, zyn gout (wetende dat volgens de rechten van Engeland de Commisen op den uitvoer van 't geld passen) in zyn laarzen wegstopte, welke hy voordagtig beslikt en ongezien [ 37 ]gemaakt had, op dat 'er het oog niet op vallen zou. En dus kwam hy 'er beter af als Erasmus van Rotterdam in den tyd van Koning Henrik den agtsten; want hem werd al zyn geld afgenomen.
In Vrankryk zynde schilderde hy verscheiden pourtretten van vermogende luiden, ook eenige Kabinetstukjes. En dus eenige jaren buiten 's lands geweest hebbende, kwam hy weder naar Overyssel zyn geboorteland, en zette zig te Deventer ter neer, daar hy een Nicht van hem trouwde dog geen kinderen by haar kreeg. Hier was hy door zyn hups gedrag en Konst by alle Grooten in aanzien, gelyk hy ook vele jaren in de Vroedschap van Deventer gezeten heeft, tot dat hem de Dood in 't jaar 1681 het drie ent seventigste zyns ouderdoms daar uit wegrukte. Zyn Lyk werd naar Zwol zyn geboortestad gebragt, en met statie begraven.
In 't jaar 1672 als de Stad Deventer door de beschansingen voor den aanval der Vyanden wierd versterkt, en Willem de III. Prins van Oranje daar tegenwoordig was, verzogten de Borgermeesters en Raden dier Stad zyn beeltenis tot gedachtenis te mogen hebben. De Prins antwoordde hen, dat daar geen gelegentheid toe was; maar dat hy door Netscher was geschildert, en hun daar van een namaakzel zoude laten toekomen. Dog zy bedankten den Prins daar voor, en zeiden: Dat zy den Meester van Netscher gereed aan de hand hadden. Zyn Hoogheid bewilligde hier toe, schoon hy in dien troebeltyd weinig uuren konde uitbreken om te zitten: des moest TERBURG dit voor de eerste reis waarnemen als de Prins over tafel zat, en naderhand op zyn schildervertrek voltoojen. Dog dit pourtretje werd door een [ 38 ]Borgermeester zoo wel bewaart en dicht opgesloten, dat het naderhand, wanneer het te voorschyn gebragt werd, als overtaand scheen, en bedorven was.
Naderhand werd hy verzogt om de beeltenis van den Prins andermaal te schilderen, maar maakte voor beding dat zyn Hoogheid daar acht uuren voor zitten moest. Maar dit zitten ging zoo wel niet als TERBURG wel gewilt had, daar hy den Prins een geestige streek over gaf, als uit het verhaal blyken zal.
De Prins ging dan zitten; maar alzoo dien langen tyd hem verdroot hield hy niet af van den Schilder, dan dit, dan weer dat te vragen. En bewust dan hy in Spanje niet weinig de rol van den verliefden Minnaar gespeelt had, vraagde, hoe veel Matressen hy te Madrid wel gehad had. Kan zyn Hoogheid, antwoorde hy, my wel zeggen hoe veel Meeren hy bereden heeft? ik heb dat niet onthouden om dat het buiten tel is, antwoorde de Prins. Even zoo min vervolgde TERBURG hier op, kan ik het u ook omtrent myn Matressen zeggen.
Naderhand begon de Prins al weer wat anders op het tapyt te brengen. De tyd lengt 'er niet meê zeit het spreekwoord. Onder andere vraagde hy onzen Ridder, of hy ook den Koning van Spanje geschildert had, ja antwoorde hy: maar die zat ook zoo gekkelyk. Hoe, zei de Prins vergelykt gy de Koning by een gek? wel ja, antwoorde TERBURG, is dat niet gek, alsmen uitgeschildert wil wezen, datmen dan niet stil zit. De Prins die wel voelde dat dit een dubble steek, en de schilder een potsige knaap was, zat van dien tyd af vry stilder, tot dat, hy dagt dat de bedongen [ 39 ]uuren verloopen waren, wanneer hy opstond. Dit viel voor aan 't Huis van den Opperschout Terburg. Neef van onzen Schilder, die een Man was die veel verstand bezat, en waar van de Prins van Oranje veel werk maakte, by wien hy ook altyd t'huis lag als hy te Deventer kwam.
TERBURG vleide den Prins om voor 't laatst nog eens voor zyn pourtret te zitten, maar hy wilde daar niet aan, zeggende: dat hy dan in den Haag moest komen. Hy beducht dat 'er met het laatste schilderen iets van de wezentheid (gelyk somwyl met dikwerf overschilderen gebeurt) mogt uitraken, maakte een evengelyke kopy naar het eerste en nam dat meê naar den Haag.
De Prins zat dan eindelyk nog eens voor het zelve en had 'er zulk welgevallen in dat hy zyn Zegel daar op drukte en het zelve belaste voort op te maken. Dus behield onze Schilder (zonder voorbedachten toeleg) het egte afbeeldzel van den Prins, het geen hy naderhand aan een Heer van Amsterdam voor een fraaije Koets verruilde, die hy zedert tot zyn gebruik hielt.
Hy wist door zyn Konstpenceel niet alleen de vaste wezenstrekken, en den ganschen zwier levendig na te bootsen, maar ook de bekleedingen, en byzondere stoffen naar hun aart, dog boven al het wit Satyn zoo natuurlyk, dun en konstig te schilderen, dat het waarlyk Satyn scheen te wezen, waar om hy het zelve ook menigwerf in zyne Konststukken te pas bragt.
Onder de menigvuldige en uitvoerig geschilderde Pourtretten word inzonderheid geprezen, dat van Juffr. Kornelia Bikker, daar Jan Vos dit vierregelig Vaersje op maakte: [ 40 ]
Dus toont TERBURG de schets van 't puikstaal der KORNELIEN.
Haar aanzicht is gesiert met Bloetkraal. Rooz', en Lelien.
Zoo blinkt zy in haar jeugt, door zyn bezielde streeken.
Wie dat haar oud wil zien, die moet haar hooren spreeken.
Dog onder alle zyne beruchte penceelwerken munt uit het Konststuk van de Munstersche Vredehandelinge, waar in alle de Beeltenissen der Edelen en Heeren die by 't sluiten van den Vrede tegenwoordig waren, naar 't leven staan afgebeelt. Voor dit Konststuk eiste hy 6000 gulden, maar alzoo hem daar minder voor geboden wierd heeft hy 't behouden, en het berust thans nog te Deventer by de Heer Rentmeester Terburg. Hy heeft zig zelven daar in onder de toekykers afgemaalt, 't geen hem byzonder wel gelykt; en van gemelde stuk gaat een konstig gesneden print uit, die by de beminnaars van papierkonst in waarde gehouden word, gelyk zyn penceelkonst, die men in de braafste Kabinetten in Holland vind.
Zyn Beeltenis konstig door hem zelf naar 't leven geschildert my toegezonden van Zwol, vertoonen wy door 't graveerstaal gevolgt in de Plaat B. 3.