Naar inhoud springen

De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 3/Gerard de Laires

Uit Wikisource

[ 106 ]

Het schynt dat de Konstgodes, zig zoo niet bint aan land en plaats, of zy wekt somwyl ook brave geesten in een ander Waerelts oort; om dat een land, een stad, of een volk niet alleen met dien luister pryken, of op die eer, dat hun het voorrecht van Konstenaren op te wiegen alleen van de Konstgodin vergund waar, bogen zoude.
GERARD DE LAIRES, een konstbloem zoo schoon als licht in geen eeuw weer staat gezien te worden, ontsproot te Luik, in 't jaar 1640. Zyn Beeltenis kan men zien in de Plaat E. 13. Vele hebben gemeent dat hy een Leerling van den berugten BARTOLET (wiens Beeltenis mede in de Plaat E. 14, is te zien) geweest is. Wy willen dit in 't geheel niet betwisten; maar het grootste deel van dien roem zyn Vader Reynier die een braaf schilder en in dienst van de Prins van Luik, t' samen met [1]BARTOLET was toewyzen. Zyne Konstwerken worden weinig minder dan die van BARTOLET geschat, aangezien dat zyn penceelhandeling met die van BARTOLET over een kwam: gelyk my ook van zyne schilderyen zyn voorgekomen, die men voor eigen penceelwerken van [ 107 ]BARTOLET zoude hebben aangezien. Alleen was hy wat ruwer in zyne behandelinge, nog zoo in een smelten de niet.

Onze LAIRES had dan by die gelegentheid ook toegang tot dien grooten meester in de Konst, die van zyne jeugt af in verscheiden talen geoeffent, groote geneigtheid voor de oudheidkunde had, en naar Rome trok, om 't geen hem in boeken, of printvertooningen aangetoont was, nader in de eigen Friesche op de Keizerlyke kolommen en eerepoorten te beschouwen, en zelf af te teekenen: alwaar hy in eenige jaren verblyfs aldaar, door zig zonder- ophouden naar schoone voorbeelden, daar Rome vol af is, te oeffenen, een hoogvlieger in de Konst geworden is. Dit is te zien aan zyne penceelwerken, die groots van gedachten, woelig in hunne schikking, vlak of breed geschildert, en konstig geteekent zyn. Waar door LAIRES dan een denkbeeld van 't geen men Antyk noemt, en de Italiaansche penceelkonst agting geeft, kreeg; 't geen hem naderhand door ander behulp (gelyk wy op zyn plaats zullen aanwyzen) volkomen onderricht is. Daar bevens heeft hy de printkonst van Petro Testa al vroeg, eer de zelve by anderen in Nederland gezien waren, gekent, en inzonderheid in zyne wyze van teekenen zig daar van bedient, als klaarlyk in zyne eerste teekeningen te bespeuren is. Dit zeg ik niet tot 's mans verkleining, maar tot zyn roem en ten bewys van zyn goed oordeel, waar door hy de prysselykste behandeling heeft weten te verkiezen, en zig ten voorbeeld te stellen. Want zig te bedienen van een anders vernuft, zoo dat het ontleende niet afsteekt, als een nieuwe lap op een ouden bedelaars mantel, vereist een goed oordeel. 'k Heb [ 108 ]daar ook niet tegen dat het dus geschiet, en pleit voor die vryheid myner Konstgenooten, als Andr. Pels voor de Dichters, in zyn Gebruik en Misbruik des Toneels:

Indien Virgilius wist goud te puuren uit
Den drek van Ennius, en eenen ryken buit
Haalde uit Homerus: zoo 't den lof niet kon verkleinen Van d'allerbeste blyspeldichter der Romeinen,
Dat hy twee spelen van Menander smolt in een,
Toen hy zyne Andria toestelde: en mag 't zoo heen,
Dat Plautus, Nevius, en Ennius uit taalen
Van anderen 't sieraad van hunn' gedichten haalen,
Ja vaak de stelling, en den styl: en is 't geen schand
Voor u Guarini, dat gy in uw Vaderland,
Dat ge in uw' moedertaal hebt Tasso uitgekozen,
En met de stof van zyn Amintas zonder blozen
Uw Pastor Fido siert?..................
................. En kan het steeds betamen
Aan Moliere, dat hy zonder zig te schamen,
Volgt in zyn meeste werk de Italianen na,
Die hunne geestigheen, en kwinten zonder gâ
Uit Aristophanes weerom, en Plautus trekken;
Ja zal het hun tot lof, in plaats van laster strekken? enz.

Dus doende hebben ook d'oude Konstschilders lof verdient, als zy het prysselykste uit anderen hebben ontleent, vervormt, verschikt, en dus de Konst by trappen tot meerder volmaaktheid doen opklimmen; waarom zou dit nu tegen gesproken worden? dog (gelyk ik boven gezegt heb) dat het zoo geschiede, dat men niet kan zeggen dat ze een beeld, dit's een arm, been enz, van dezen [ 109 ]of genen gerooft, maar dat d'ontleende deelen, zoo in het geheel versmelten dat'er niets van door steekt, op dat hun niet gebeure als den Rave in de Fabel wedervoer, die zyn zwarte pennen had uitgeplukt, en zig met de vederen van andere vogelen oppronkte, tot dat elk de zyne wederhaalde, en de Rave naakt stond te kyken, en van elk bespot werd.

Onze meening hier ontrent by tusschenreeden klaar genoeg te kennen hebbende gegeven willen wy onze levensbeschryving vervolgen.

GERARD LAIRES neemt besluit om zyn geboortenstad te verlaten (geen sant zeit de spreuk, word verheven in zyn land) en zyn fortuin elders te zoeken. Hy zet zig tot Utrecht ter neer, maar vint ten eersten niet 't geen hy zogt, nog kon daar met zyn penceelkonst te recht raken, dus hy somwyl uit noot, een haartschut, of luiffenbord moest schilderen. Iemant, die aan zyn deur woonde, ried hem een paar stukjes te schilderen, ende zelve naar Amsterdam te zenden om die aan den konsthandelaar Gerard Uilenburg te vertoonen, gelyk geschiede. Jan van Peé en Grebber schilderden op dien tyd voor Uilenburg, en maakten met hun beide zoo veel Frans uit, dat zy de brengster der twee stukjes, die geen Duits konde spreken, verstonden, en antwoord konden geven. En beziende deze twee stukjes in tegen woordigheid van Uilenburg prezen de zelve naar hunne waarde, t'effens verwondert dat zoo een konstlicht door onverstand als door een donkeren mist bedekt werd, en rieden Uilenburg de zelve te koopen, welke daar op aan de brengster vraagde: hoe veel geld zy daar voor eiste? die tot antwoord gaf: zoo veel als hy beliefde te geven. Uilenburg bood haar 60 [ 110 ]gulden voor 't stuk, en vraagde of zy daar meê te vrede was, en of die meester wel tot Amsterdam zou willen komen om voor hem te schilderen, 't antwoord was ja. Zy vertrok met dien buit, en Uilenburg aangespoort door van Pée en Grebber, volgde haar dien zelfden avond (om dat die Haas hem niet ontslippen zoude) met de nagtschuit op Utrecht, en spraken hier over zelf met LAIRES, die zig gereed toonde om van daar op te breken, dat licht geschieden kon, wyl hy geen vragtschuit noodig had om zyn inboel over te voeren. Hy kwam dan ten eersten tot Amsterdam, en op een morgen ontrent negen uuren by Uilenburg daar van Pée en Grebber waren, die hem, van wegen zyn misselyk figuur, verzet stonden aan te kyken. Uilenburg toonde hem een ledigen doek, en vraagde wanneer hy begin wilde maken. Zoo straks antwoorde LAIRES, en vervolgde: wat wilt gy dat ik daar op maken zal? dat is my onverschillig, zeide Uilenburg, maak daar op dat geen van uw genegenheid is. Straks werd hem een palet met verf en een krionpen gegeven, en hy zette zig voor den Ezel.

Tot nog toe had hy de eene hand onder zyn rok gehouden, daar yder het oog op had, nieuwsgierig wat hy daar onder verborgen hield, tot dat hy zyn Fiool daar onder van daan haalde, de snaren stelde, en een deuntje speelde, zoo wel naar de konst dat Grebber die zig meê 't speelen verstond zig daar over verwonderde, en nog meer als hy de Fiool neer gezet hebbende, de krionpen nam, en maakte in een oogenblik de schets, of bewerk van zyn stuk, 't welk verbeelde een beeste stal, en daar in Josef en Maria met haar Kindje. Toen nam hy weer zyn Fiool en speelde een muzykstukje, [ Plaat E ]


[ 111 ]maar verwisselde straks de Fiool voor 't palet, en schilderde dien zelven voormiddag het Kindje, 't Mariaas en Josefs tronetje, en een Ossekopje volkomen op, en zoo konstig dat zy die den geheelen tyd by hem gestaan hadden zig daar over verwonderden.

Wanneer hy nu in den tyd van acht weken verscheiden stukken voor Uilenburg schilderde, en hy die aan de liefhebbers liet zien, en prees, werd onze LAIRES straks van anderen aangezocht, die hem meerder loon voor zyn penceelwerk aanboden, daar hy zig van bediende.

Het was niet mogelyk te beschryven alle de Konst en Kabinetstukken, Zolderwerken, Zalen enz, die hy beschilderd heeft. Of zoo 't ons al doenlyk waar zoude het wel een geheel boek beslaan. Als mede menigte van teekeningen met rood kryt en met het penceel konstig en op een gemakkelyke wyze behandelt, waar van de voornaamste als ook het meeste getal thans in 't Konstkabinet van den Heere Jeron. Tonneman bewaart en in groote agtinge gehouden worden.

Doe hier by het groot getal van zyne geëtste printen die door N. Visscher tot een geheel werk verzamelt, de Konstoeffenaars ten voorbeeld, en dienst verkogt worden, die mede op een lichte en welstandige wyze, even als zyne teekeningen behandelt zyn.

Dit alles dient niet alleen tot verwonderen, maar zelf zullen de nakomelingen 't naaulyks (wanneer 't hun verhaald word) gelooven willen, dat zulks in eens menschen levens tyd te doen was, ten waar daar by gezeid wierd, dat hy by uitnementheid vaardig in 't schilderen was. Dit is aan 't volgende staal te zien. [ 112 ]

Hy ving een wedding aan, dat hy op een redelyk groot doek, op een dag, Apol en de negen Zanggodinnen zou schilderen, met hun behoorlyke toerustingen op Parnas, en wonze ook. Daar en boven had hy nog ten overvloed 't pourtret van Bartolomeus Abba (die nieuwsgierig hoe veer hy gevorderd was, hem in den agtermiddag kwam bezoeken) voor 't beeld van Apollo na 't leven geschildert, dat yder het konde zien dat het Abba was die voor den Parnasgod geschildert stond.

Dit in 't algemeen gezegt, zullen wy ons uitlaten tot eenige byzonderheden, en uit het groot getal van zyne penceelwerken maar van eenige zyner Konststukken spreken, die niet alleen den Konsthevenden behaagt, maar ook de pen der dichteren hebben vlot gemaakt, om 'er tot zynen lof van te melden. Gelyk de Heer Ludolf Smits op het natuurlyk en konstig verbeelden van zyn [2]Polixena, gedoot op 't graf van Achilles, (daar hy ook met een des schilders verstand en oordeel over, of aangaande het regt gebruiken der Poëtische Historybeschryving pryst) zig dus laat hooren:

Geen Minnaar trekt den degen uit,
En wont zyn schoone Bruid,
Ovidius, gy schiept nooit ysselyker logen.
'T is Pyrrhus niet, wiens staal die maagd de borst ontsluit,

[ 113 ]


En 's Vaders spoken, met dat bloedvergieten stuit.
Leermeester van de Min! hoe kan 't uw hart gedoogen!

LAIRES schikt beter, die weet wat de Min beduit.
Die geeft het mes een paap, stokoud en onbewogen;
Zet Pyrrhus in een hoek, en dekt zyn lekende oogen. :::Geen Minnaar trekt den degen uit.
En wond zyn schoone Bruid.

Nog een door even gemelden Dichter L. Smids op de verbeeldinge van [3]Didoos Dood.

PELS leerde DIDO (zoo tuigt HUIGENS) cierlyk sterven.
Toen hy dat Dicht schreef dat het haast bewoogen hart
Eens teedren lezers, door onlydelyke smart,
In een doet krimpen, en van schrik zyn warmte derven.

[ 114 ]

Veel cierlyker sterft zy hier door LAIRESSESverven.
Haar boezem zweet, en is ten uitersten benard,
Haar oogen staan met kragt en arbeit opgespart;
Als of zy nog den draad haar 's levens moest zien kerven,

Terwyl een tranen vliet, by dropplen, daar uit lekt; :En het gewrigte zig verdraait, en kromt en rekt,
En d'aders spant, en de verslapte spieren lillen.

De pen is dan te zwak om tegen het penceel
Te wostelen, een vaers strykt voor een tafereel
Dog het zyn zusters, zacht! haar passen geen geschillen.

Alle goede dingen (zeit her Spreekwoord) bestaan in drie. Wy zullen 'er ook nog een aanlassen, dat wel niet groot, maar voor 't beste en uitvoerigste van zyne Konstwerken gehouden word. Dat is te zien by den Heere Huntum tot Amsterdam, verbeeldende den gestraften Tempelroover Heliodoor, daar de brave dichter P. Verhoek dit volgende vaers op maakte:

Hier spreekt de Schilderkonst, terwylze in myn gedachten
'T stilzwygende gemoet heweegt met meerder kragten, Dan zelfs welspreekentheid: 't gezicht gaat voor 't gehoor.
Ik zie als op 't tooneel, hoe dat
HELIODOOR
Om kerkroof word gestraft, ten spiegel aller eeuwen: Ik zie en vind my zelfs in 't Godshuis der Hebreeuwen. Wat pragt, wat heerlykheid der Bouwkonst streelt my 't oog.
Hoe ryst dat trots gevaart zo wyt, zoo diep, zoo hoog,

[ 115 ]


Van marmer en arduin door arbeid opgewassen!
Hier zal d'aanschouwer stilte, ontzag, en aandacht passen,
Daar 't schreiend priesterdom, bedroeft, met doodsgelaat
Voor 't altaar legt ter aarde in 't heylige cieraad,
De Hoogenpriester God om hulp smeekt uit den hoogen.
Men ziet hen algelyk in droefheid opgetogen,
Dees wyde Galery van 't vrouwelyk geslacht
Vervult, dat schreiende om Gods hulpe zyne klacht
Met handenwringen toont, of slaat verbaast zyn armen
Ten hemel, om genade en Goddelyk ontfermen.
Nog treed de Rover toe, door goutdorst boos ontzind,
En slaat haar klachten en gebeden in den wind.
Daar zyn staffieren vast den schat der Godskist rooven:
Maar Gods Almachtige arm weerstaat zyn trots van boven.
Hier legt hy, die nog flus ontzaglyk, groots, vol praal,
Ter Schatzaal intrad, nu aamachtig van 't onthaal
Der hemelgeesten in gedaante als jongelingen;
Terwylze aan elke zyde al slaande hem bespringen.
Dees rykgewapende en welopgezeten noopt
't Gezwinde ros, dat met de hoeven op hem loopt,
Die nu door schrik 't gezicht verduistert, schreeuwt vol smarte:
Zyn dappre wapentuers ontzygt hun Oorlogsharte,
Het gulde harrenas des Ridders op het paart
Doorschittert hun 't gezicht met vreeze, die vervaart,
Nu achter hunnen schut hem sidderende ontvlugten:
Gy ziet Hebreeuwen, van dien trans, op dees gerugten
Verwondert, 's hemels hulp beschouwen tot hun troost.

[ 116 ]

Zoo ryst de Schilderkonst, gelyk de zon in 't Oost,
Die 't al haar verwen geeft, met voeglykheid en orde. Natuur staat zelf verheugt, die eerst den schilder porde.
De heirbaan van de Konst, zoo klippig, ongebaant, Bezet met doornen op te klautren, en vermaant,
Met d'Oeffening verzelt,
LAIRES dus voort te varen.
Dit konstig oogmuzyk braveert 't geluit der snaren.
De verwen ondereen gedommelt, eel, enzacht,
Daar flaau en somber, hier weer in haar volle kracht, En kiesse zuiverheid, en houding in de kleuren,
Voldoen het keurig oog, als zach men het gebeuren,
Terwyl uit yder beeld 't geheim der hartstogt straalt.


My komt in gedagten, dat Fr, van Hoogstraten in een vaers op de Beeltenis van zynen broeder mynen meester S.v. Hoogstraten, zeide

Hy dicht in Schildery, en schildert in gedicht.

Dit past ook op onzen Dichter P. Verhoek, die door zyn pen even als LAIRES door 't penceel, het schoone gepaarde licht, en bruin, het natuurlyk voorkomen, en wegwyken en de zuivere behandeling daarin waargenomen, ten toon steld; en wat pryswaardig in dit konststuk aan te merken is afschetst in letteren. En dus mag men in 't algemeen van zyne penceel werken zeggen. Immers hy heeft altyd het voornaamste, en hoofdzakelykste in zyne werken laten spreken: daar andere brave mannen in de Konst zig somwyle wel eens aan kleinigheden hebben vergaapt, en 'er meer tyd dan ze verdienden aan besteed; waarom ik ook daar en boven tot zyn roem zeggen moet, dat zyne verkiezingen, [ 117 ]of de voorwerpingen zyner verkiezingen prysselyk zyn, aangezien dat hy zelden iet door 't penceel verbeeld heeft, dat geen vlyt en Konst verdiende. 't Is waar, alles is wel niet even gelyk van schoone vinding, en penceelbehandeling; maar men moet weten dat de gedagten der Konstenaren niet altyd even bekwaam zyn, nog de lust altyd even groot is, te meer in hem, wiens levenskoers wel eens buiten 't spoor holde, en in stee van den boog t' ontspannen tot verfrissinge der geesten, uitspanningen kon maken die zyne geesten en kragten afsloofden.

Niemant zal dit zeggen voor hatig opnemen die weet, dat een regtschapen Historyschryver (gelyk ik in opzicht van dit werk daar voor moet worden aangezien) volgens zeggen van Polybius, geen agt moet geven op de persoonen; maar van de zaken oordeelen, zoo als ze zyn, en 'er in de Historie van spreken zoo alsze verdienen.

Om nu met onzen Luikschen Fenix voort te varen moet ik zeggen, dat hy in allen deele van de Konst getracht heeft de natuur na te bootsen. De mannenbeelden kleedde hy in laken aan de breede ploojen te kennen. Lichte zyde stoffen, en menigerhande tintelend weerschyn, by dunne floersen, en fyne Lywaten, geestig geschikt en natuurlyk geplooit, zyn alzins het cierzel en de bekleedingen zyner vrouwen beelden. Zilver, Goud, en velerhande metalen heeft hy geestig met hunne spiegelingen, en sterke afschitteringen weten na te bootsen. Geen minder cieraad heeft hy ook aan zyne konststukken toe gebragt, door 't schilderen van velerlei aart van marmere kolommen, vazen poortalen enz. Inzonderheid muntte hy uit in 't [ 118 ]schilderen der Bazarliere van wit marmer met veele Nissen die in voorpoortalen, op de Keysers, en Heere graft, tot Amsterdam pronken, zoo natuurlyk geschildert dat men dezelve voor gebeeldhoude marmere platen aanziet. 't Lust ons een van die werken, als wel het voornaamste in Konst van schilderen en geestige vinding, de Schilderjeugt tot leiding, (als haar iet diergelyks voorkomt) en een sleutel tot opening en verklaring van den inhout te geven.

Dit is een uitlegging van de vyf zinnebeelden in 't Graauw geschildert, ten huize van den konsthevenden Heer Philip de Flines. Het eerste stuk, als men de deur in komt over 't licht, verbeeld de Schilderkonst, Dichtkonst, Beeld- en Teekenkonst.

De Schilderkonst staat voor aan, houdende met de linkerhand haar gereedschap, palet, pencelen en maalstok; met de regterhand beurt zy een Tafereel op, waar eenige voorwerpen op afgeschetst staan. Agter haar staat de Natuur, waar van zy door Konst een naarvolgster is, en waar uyt zy haren oorspronk of beginsel heeft. Het kintje dat voor haar staat, met een masker of gryns, beteekent de veranderingen van vindinge, en naabootsinge. Hier nevens ziet men de Dichtkonst, houdende in de regterhand een trompet, en in de linker een rol papier [4]of tooneelrol. Zy is met een Laurierkrans gehult, aangezien zy door haar doen de menschen onsterflyk maakt, en den lof der [ 119 ]Helden (door de trompet verbeeld) uitbazuint. Het kintje dat nevens haar staat torst het speeltuig van Apol, ten bewys dat de zongod de Dichtkonst gunstig is. Men ziet twee beelden agter de Schilderkonst, verbeeldende de Beelthouwery en Teekenkonst, staan. In haar hand heeft zy een teekening beschetst met sommige konstbeginselen om aan te duiden, datzy is de grond daar de Schilderkonst op word gebouwt. De Beelthouwerykonst heeft meê haar beduidteeken; het kintje boven in de Niss met een gebeelthoud menschen hoofd gemaalt, wil aantoonen hoe die konst bestaat in een geregelde schikking van welgevormde menschelyke ledematen, waar van het hoofd een voornaam deel is.

Boven elk dezer groote vakken, staat een kleinder, en daar in door kleinder beelden verbeeld, iets dat toepasselyk is, op de groote of onderste Nissen, gelyk 'er dan zinspelende op het boven verklaarde, verbeeld staat de Godin der Wysheid, by een vlammend altaar, waar voor de Voorzigtigheid, vergezelschapt met nog andere beelden knielt, tot beduid, dat die door haar gonst tot volmaaktheid gestegen is, en toegang tot den tempel van eere en lof gekregen heeft, dankbaarheid verschuldigt is.

Het eerste der Tafereelen op een slinksen dag geschildert, aan de rechterzy, verbeeld de Godin der Wysheid in 't midden van zeven vrye konsten: Dichtkonst. Redenkonst. Letterkonst. Starrekonst. Rekenkonst. Maatkonst, en Zang-of Speelkonst. Zy staat als beschermvrouw in 't midden van dit doorluchtig gezelschap; om datze geagt is de wyste der Godinnen: waarom ook de Poëten verciert hebben, dat zy uit de hersenen van den oppersten [ 120 ]God Jupiter geboren is. Nevens haar staat een Olyfboom, of olyftak, het zinnebeeld van vreede, met rede by dees Godes gestelt; om dat de konsten en wetenschappen in vredestyd bloeyen, en als de Olyfboom hare nutte vruchten geven: gelyk ook het vlammende lamplicht van 't menschelyke verstant door den oly der wysheid gevoed en onderhouden word. Nevens haar staat ook haar schild met een Slang omvlochten; ten teeken dat zy zig met voorzigtigheid, meer als met gewelt beschermt tegen hare tegenstreevers.

Het vrouwenbeeld dat voor aan zit, en de Harp, of Lier van Apol [5]moet in de hand houden, is met een Laurierkrans gekroont, en komt voor de zinstreelende Dichtkonst in het Tafereel. Aan haaren cierlyken zetel hangt een [6]Gryns, om inzonderheid het Toneeldicht te beteekenen; waar omtrent alle de byzondere wyzen der Dichtkonst gebruikt worden, en even eygen zyn. Agter haar staat de Redenkonst te pralen op haar slangestaf, ten zinteeken van de kragt der rede en welsprekentheid, aangezien men zeit dat Merkuur hier door de menschelyke gemoederen, als door een vermogenden scepter beheerste. Zy [ 121 ]omhelst met een minnelyk gelaat de Letterkonst. Aan den anderen kant staat de Starrekunde, houdende in haar hand een Astrolabe, of Zonnewyzer. Agter de Dichtkonst zietmen de Rekenkonst, met twee kindertjes, waar van 't een een Schryftafel ophoud, met eenig syffergetal, daar het ander op wyst, en aan de rechter zy van Pallas staat de Zangkonst, en de Meetkonst, met een passer Globe, of waereldkloot.

De kleene Niss boven het zelve vertoont den Zangberg, Apol, en de negen Zanggodinnen, in een overschaduwenden lommer, en de Faam voor uit vliegende, om den lof der wetenschappen en konsten te verbreiden.

Het tweede tafereel op de rechter zyde van den muur, verbeeld de Glori, of Eere van de waereld, Dapperheid, Zege, Roem, en Onsterffelykheid. Men ziet hier op een hoogverheven zetel de Beeltenis van Eer geplaast. Zy hout in de linkerhand eenen waereldkloot, en in de rechterhand, het beeld van Zege of Overwinning (zoo als men 't op de oude Keyzerlyke muntstukken ziet) die verkreegen word door Dapperheid en Deugt; 't welk nog nader beduid word, door het kintje dat nevens haar staat, torschende Herkules leeuwenhuid en knods op zyn schouderen.

De twee jonge maagden die in haar schoot bloemen, en in hare handen laurierkransen hebben, en dezelve d'Eer aanbieden, en opofferen, willen te kennen geven, hoe door een aangename duurzaamheid, de Eer door deugd en dapperheid verkregen vereeuwigt word. 't Zelve word ook door de Jerusalems veer, of palmtak (die door een kintje opgeheeven word) te kennen gegeven, waarom wy er ook in onze Emblemata, een kleenwerkje dat [ 122 ]eerstdaags meê staat uit te komen, een zinneprint van gemaakt hebben, met dit byschrift:

Hoe meer dat d'Oosterpalm gedrukt,
Getrapt word en ter neêr gerukt,
Hoe weeliger zy wast en groeyt.
Gelyk de Deugt te schooner bloeyt,
Hoe meer zy word geschopt, vertreên,
Als ook de Waarheid, fel bestreên.
Van Kerktyrannen............

Op den agtergrond van de Niss zietmen een Gedenknaald, opgerecht ter gedagtenisse der zulken die den weg van deugd, eer, en dapperheid betreden hebben; ook de Faam, die hunnen roem waereldrugtig maakt.

In het kleene Tafereel boven dit stuk staat verbeeld een balmboom, waar aan twee fakkels, en schilden hangen, zynde het oulings een overwinningteeken, als boven, door deugd, eer, en dapperheid verkregen. Men ziet hier nevens ook verbeeld een Leeuw, Paard, en leggenden Kameel; om nader uittedrukken, dat de verwinning moet behaalt worden, door kragt, moedigheid, en lydzaamheid. Daar wy mede op zinspelen in 't bovengemelde Boekje, op de verbeelding van den geduldigen lastdragenden gebukten Kameel, met deze toepassing;

Gedult en stille Lydzaamheid,
Zyn stutten die den Kruisdruk schragen.
Leer van dit Lastdier ('t welk tot dragen
Den rug bied, en zig nederleit)
Hoe elk zig naar zyn lot moet voegen,
Met taay gedult, en vergenoegen.

[ 123 ]

Het eerste vak, geschildert op een regtsen dag aan de slinkerzyde van den Muur, vertoont de Godin des Rykdoms, of anders d'Afgodin die heel de waereld door hare blinkende munt betoovert.

Zy zit op een verheven troon of zetel, welker leuningen gebeeldhout zyn met Arentskoppen, om haar opperste vermogen, en aanzien te beteekenen. Zy houd op haar schooteen koffertje met gesteenten, en in haar regterhand een Appel. Voor haar troon staan verscheide cierlyk gewrogte Schotelen. Kannen en Vazen, ook de Hoorn des Overvloeds, vol goude en zilvere penningen en andere kostelykheden, die de begeerte verrukken, de zinnen betoveren, en de heele waereld voor zig doen buigen, om in hare gunst te staan, en van haar staatdochter de Fortuin begiftigt te worden. En gelyk de Magneetsteen het yzer door een verborgen kragt tot zig trekt, zoo trekt zy ook door de verborgen kragt van 't blinkend Goud de begeerlyke harten der menschen naar zig: schoon de zelve niet als de behandeling daar van genieten; gelyk door de twee kindertjes, die aan een open vaas vol goude en zilvere penningen lustig en vrolyk grabbelen, en dien spaarpot gretig en yverig staan om te roeren, om de Schyven van de schimel te bevryden, te zien is, en dat is 't al. Want

Die zig aan 't blinkend goud vergapen,
En zoeken hunne rust in 't geld,
Die vinden zorg die hen steeds kwelt:
Zoo wel in 't gretig zamen schrapen,
Als in 't bezitten van hun wensch;
En schoon het zelve nog vernoegen,
Nog rust, maar onrust baard na 't zwoegen,
't Blyft egter 't doelwit van den mensch.

[ 124 ]

Dus was het oudtyts, en nog heden.
De Muntgod word steeds aangebeden.

Men ziet nevens de kindertjes verbeeld, een krokodil, een gedierte dat de vermaarde Rivieren den Nyl, Ganges, en inzonderheid de Indische stroomen (daar zig de parelen, gesteenten en het goud laaten vinden,) bewoont.

Nevens den Rykdom staat een vrouwenbeeld, welk in de hand heeft het beeld van Pluto, en agter haar twee beelden by een vrugtboom, als ook een Kintje dat van de vruchten plukt. 't Een en ander wil al wat zeggen, gelyk ook de Appel dien zy in de hand hout, zynde een afbeeldsel van de Goude Appelen, die de Poëten vercieren dat Herkules mede bragt uit de Hoven der Hesperides. Waar door de oude Fabeldichters niet anders hebben willen beduiden, dan dat hy uit de Afrikaanse oorlogen wedergekeert, een ryken buit meê bragt. 't Wil ook aanduyden, dat de Rykdom ontspruit uit den vruchtbaren Land- en Veebouw, inzonderheid de Schapenteelt, welker melk en vlees tot voeding, en hunne vellen, of wolle, noodwendig tot bekleedinge der menschen, groote voordeelen geven en aanbrengen: waar om men ook in den ouden Fabeltyd heeft verdicht, dat Jason het Gulde vlies op den raad en door hulp van Medea bekomen, dat is een vetten buit gerooft had, die Goud waart was.

Het kleene Tafereel boven het stuk verbeeld, dat Jason de Goude vagt veroverd heeft, na dat hy den beschermdraak gesteld, om het zelve te beletten, had omgebragt. Het welk zedelyk toegepast, onderwyst, hoe men door 's hemels hulp en bystand, den Draak van kwade driften en ge[ 125 ]neigtheden, die den toegang tot het Gulde vlies van Godvrugt, en oprechte Deugt beletten of dwarsboomen, eerst moet overwinnen en dooden.

Het tweede Vak aan de linkerzyde van den muur, verbeeld Mildadigheid, Voorspoed, jeugdige Gezontheid, en zwakken, of armen Ouderdom.

Mildadigheid staat midden in de Niss houdende een overvloeds hoorn, daar het geld aan allen zyden uitstort, in haar rechter arm, het geen mildadigheid, of mededeelzaamheid te kennen geeft. Aan haare regterzyde knielt de Voorspoed, die haar aanbied een kostelyk halskarkant. 't Waar te wenschen dat zulks altyd geschiede en dat de voorspoed den Mildadigen toevloeyde aangezien zy [7]gewiekte [8]open handen hebben om vaardig wel te doen en den behoeftigen meê te deelen. Gelyk wy dan hier zien dat aan de voeten van de Miltdadigheid de arme Ouderdom, door een afgeleefde magere oude vrouw verbeeld arm (aan haar slegt hulzel en bekleeding te kennen) ter aarde leit, by zig hebbende een kruk of stut, leunende op een waereldkloot, als ook een kindje nevens haar schoot staan, [ 126 ]welk van de mildadigheid eenige stukken geld worden toegereikt, waar over 't zig verheugt, en bly ziet, 't geen klaarlyk aandient; dat de deugt van Mildadigheid, een troosteresse is voor de wezen, en den afgeleefden een stut verstrekt, wanneer zy dubbeld ongelukkig; dat is Arm, en Oud, zyn.

Zy heeft een zedig wezen en gelaat, ten bewys dat de Godvrugt in haar hart huisvest, waarom ook onze vernufteling den [9]Olyfant tot een zinteeken van de Godvrugt agter hare zetel heeft geplaatst.

Men ziet ook agter de Miltdadigheid een Arent opwaarts vliegen naar den troon van Jupiter, 't geen te kennen wil geven, dat de deugt van Miltdadigheid van d' Aarde opwaarts vliegt, naar den Hemel, waar van zy hare belooninge wagt. En wat lager de jeugdige Gezontheid, tenger van wezen en leest, bekranst met bloemen, die tot een krans met levend groen gevlogten Jeugt beteekenen. Zy hout in hare rechterhand den staf van [10]Esculapius, en aan haar zyde het stuur of roer van een Schip, welke dingen Gezontheid, en een gelukkigen staat van Voorspoed beteekenen. In 't kleene Tafereel boven dit stuk word ver[ 127 ]toont Marcus Curius, daar het gezantschap der Samniters hem met geschenken komt aanzoeken, en daar hy vergenoegt met een schotel Rapen, gerust, en buiten staatgewoel, de gezanten, en hunne geschenken afwyst. Dit vertoonsel eischt geen verklaring.

Weide ik door dit doen in sommiger levensbeschryving wat breet uit, dit geschiet, om dat de genen, welke nog onbedreven zyn, hunne denkbeelden door het bespiegelen van grooter vernuften zouden oeffenen, en door brave voorbeelden hun brein scherpen. 'T is geen blinkende franje, of 't zyn geen beuzelingen, die een verstandigen lezer doorgaans lastig vallen; maar 't is het wezentlyke, de ziel en het leven van de Konst, en die het konstwerk doet spreken.

In dit zelve huis van de Flines, thans bewoont van den Heere Adr. Rutgers, is ook een beschilderde zaal van onzen Laires te zien.

Maar alzoo wy met het verklaren van het voorste werk, reeds buiten ons bestek zyn uitgedyd, zullen wy 'er niet anders van zeggen, als dat dit zelve konstig van vinding, wel geteekent, natuurlyk van koleur, geestig van toetakeling, en breed, en smeltende geschilderd is. Dog dit zouw de eenigste reden niet wezen; maar als ik bevond dat LAIRES, in zyn schilderboek verscheiden zyner Tafereelen verklaart en beschreeven heeft, en niemant als de maker zelf beter weet, wat hy met het zelve te verbeelden gemeent heeft, heb ik 't noodeloos geacht my daar verder in uit te laten.

't Waar te wenschen geweest dat hy het zinnebeeld van d' Armoe (door hem zelf verbeeld) met wat meerder nabedenken bespiegelt had, en in tegendeel het zinnebeeld van de Spaarzaamheid zig [ 128 ]tot naavolging voorgesteld, en betragt, daar hy een grooten troost en steun aan zoude gehad hebben, toen hem in den jare 1690 de blintheid overkwam, die hem tot zyn dood bybleef. Menigwerf heeft hy betuigt dat hy blint zynde meer zag dan toen hy ziende was; want toen zag hy daar hy te voren niet eens op gedacht had, namentlyk dat hy moest gespaart hebben, dog te laat, even als die van wien Jan de Bruin de jonge in zyn Jok en Ernst op pag. 5 verhaald: Dat hy zyn inkomen verwaarloost hebbende, met een zyner vrienden in een Schilders winkel ging, die daar eenige stukken kogt. Hy ziende een Tafereel dat konstig geschildert was, verbeeldende het oordeel, dog dier van prys, en geen geld hebbende om 't zelve te koopen, gaf de smart die hy daar over had dus te kennen: Wat een Oordeel verlies ik, overmits ik geen geld heb! waar op zyn vrient hem tot antwoord gaf: Gy mocht beter zeggen: wat een geld verlies ik, overmits ik geen Oordeel heb! Dog het schynt my toe dat zyn noodlot hem uit geduldigen aart zoo zeer niet smarte als het wel anderen zou gedaan hebben! want die genen die verkeering met hem gehouden hebben, getuigen, dat hy zig in die elende heel getroost droeg, en zig met een deuntje op de Fluit, of de Fiool te spelen vermaakte, daar hy wonder wel in bedreven was.

Hy verstond zig heel wel op de Geniologia of uytbeelding des verstands, en wat de Historien, en de oudtydsche gebruiken, in opzigt der Feesten. Praalen. Zwier. Vergodingen, en Lykbestellingen, met hunnen toestel, of aankleven van dien aanbelangt, daar omtrent bediende hy zig, van in de Oudheidskunde bedreven puikdichter [ 129 ]Andries Pels, die hem dikwils kwam bezoeken.

De zugt, en geneigtheid tot de Konst bleef hem, schoon blint, by tot het eynde van zyn leven, en verscheiden liefhebbers. Schilders, en Plaatsnyders kwamen weekelyk by den anderen aan zyn huis, om zyne lessen, of redenvoeringen over het een en ander deel van de Konst te hooren, die hy, na dat hy 'er een denkbeeld van gevormt had zoo goet als hy kon schreef.

De Lezer zal licht vragen hoe dit geschieden konde, daar hy blind was? maar hy deed het dus; hy had twee geplumuurde doeken, waar op hy by den tast, als men zeit, schreef met een stuk wit kryt. Als de een vol geschreven was, vervolgde hy op den anderen, terwyl inmiddels de eerste door een van zyn Zoonen wierd na geschreven op papier, en voorts uitgewist, om ledig te wezen tegens dat de tweede doek weder met kryt vol geschreven zoude zyn. Eyndelyk zyn deze schriften opgezamelt, en door het Konstgenootschap tot twee Boeken geschikt, en overal met plaatwerk, daar de voorwerpen, waar op hy in zyne redenvoeringe zinspeelt, op vertoont staan, vermengt. Het eerste dient tot inleyding van het tweede, en handelt van de Teekenkonst, gelyk het tweede van de Schilderkonst, nevens al het gene daar toe behoort.

Hy overleed in Amsterdam in 't jaar 1711, en werd door 't Konstgenootschap gedragen, en op 't Leitsche Kerkhof ter aarde besteld, op den 28 van Hooymaand.

De Konsthevende Arnout van Halen, die groote agting voor zyn Konst heeft, ziende naa lang wagten, dat niemant van de Amsterdamsche Dichters, des mans overlyden met eenig Lykdicht ge[ 130 ]dacht, maar 't zelve met een eeuwig stilzwygen scheen voor by te willen stappen, vatte de pen op en maakte een langslepend rouwbeklag, tot een altyd-duurende gedagtenis van zyn overlyden, waar van de Tytel dus is:

Op de stilzwygentheid van den Amsterdamschen Helikon, over het afsterven van den vermaarden Konstschilder Gerard de Lairesse &c. Het begint dus:

Wat tyd beleef ik, ach! vermaarde Amstelaren.
Nu dat het licht verdwynt der grootste Konstenaren,
Die zoo veel jaren hier roemrugtig heeft geleeft,
En na zyn dood niet meer in uw gedagten zweeft.
Is dan die Geest niet waart, voor al zyn Konstbedryven,
En moeite, dat uw pen zyn lof voor 't laatst mag schryven?
Daar Schilder en Poeët, van een natuur en aart;
In geest en vinding, als gezusters gaan gepaart.

En zoo voort..... Waar op zig W. vander Hoeven aldus liet hooren:

De liefde tot de Konst brengt ons LAIRES Voor d' oogen.
Wiens onbepaalde geest, ten Hemel ingevlogen,
Den Schilders voorlicht als een beld're morgenstar,
Gelyk Auroraas schoon gelaat, of als de Kar
Van Phebus, waar zy eerst in 't Oosten op komt dagen.
Heeft dan
VAN HALENS pen geen reden om te klagen,
Terwyl geen Dichters oog dien Schilderheld beschreit,
Die met natuur om 't schoonst heeft met penceel gepleit?
Zyn vlugge hand werd door zoo hoogen geest gedreven,

[ 131 ]

Dat hy 't verstorven deed door zyne Konst herleven:
Dit speet de dood; zy stak, als dol en opgeruit,
Toen 't sterflot haar bedwong,
LAIRES zyn oogen uit.
Om dat zyn Schilderkonst haar macht niet zou braveren.

Wat lager:

VAN HALEN, die LAIRES zyn licht, zyn leidstar noemt,
Heeft zig na zyne dood op 't loffelykst gekweten;

en eyndelyk:

LAIRES herleeft door hem in schraapkonst, en Gedicht.
De Zangers aarzelden om 's Mans waardy te roemen:
Dit gaf VAN HALEN stof d' ondankbaarheid te doemen.

Die ook de Beeltenis van LAIRES (door hem zelf in koper gebragt) liet voor het Lykdicht, en agter aan zyn Grafschrift drukken, op dat de gedachtenis van zyn overlyden niet te gelyk met zyn Lichaam vergaan zoude.

Meer gemelde van Halen is ook bezitter van een zyner beste Konststukken, verbeeldende de vergoding van Eneas, daar P. Rixtel dit vaersje op gemaakt heeft:

Hier spoelt Numicius, Eneas Mensch-heid af;
Die, na veel ramp, in 't ent, geplaatst word by de Goden:
Het lof van d' Oorlogsmoet, blyft eeuwig buiten 't Graf.

[ 132 ]

Vrouw Venus daalt beneen, om hem om hoog te nooden.
Men loont de dapperheid vaak lasterlyk met nyt.
Dies stygtse om hoog, en word ontsterflyk, door den stryt.

Eyndelyk moeten wy nog na zyn dood tot zyn roem zeggen: dat hy de persoonverbeelding, volgens den regel der Konst wel verstaan heeft, waarom ook zyne Konsttafereelen met den eersten opslag aanduiden wat zy verbeelden willen: en zig daar omtrent zelden heeft vergrepen. Want dat somwyl groote meesters een misslag hebben begaan, eischt geen bewys. Wie is 'er zonder gebreken? dus zoo ik niemant een puikschilder wilde noemen dan die volmaakt in al zyn doen was, weet ik niet wie op de lyst myner Konstgenooten boven aan moest staan; waarom ik in dit opzigt van de zelve, zeg, als [11]A. Pels van de Dichters:


Niet dat ik een gedicht juist zoo volmaakt begeer,
Dat ik geen misslag in den Dichter zou verschoonen.
In 't luitslaan geeft somtyts een snaar wel and're toonen,
Als hart, en hand begeert; men grypt by avontuur,
Al denkt men in B mol te grypen, in B duur,
Ook treft de pyl niet steeds, daar oog, en boog op mikken.
Dus weet ik eene vlek, of twee wel in te schikken.
Die uit verzuimenis, of's menschen zwakheid spruit
Steekt maar het grootste deel des werks voortreflyk uit.

Onze GERARD LAIRES had drie Broeders, ERNST of ERNEST genaamt, die ouder was, en twee die jonger waren dan hy, JACQUES en JAN die nog in leven is, en dagelyks 't penceel oeffent. [ 133 ]
ERNEST, die al vroeg in de Konst gevordert was, muntte inzonderheid uit in 't schilderen van allerhande gedierte, waar van hy een geheel boek toegestelt had, en zyn beeltenis uitvoerig in waterverf geschildert daar voor geplaatst, het geen als den Cancelier van den Prins van Luik in handen kwam, hy zulk welgevallen daar in had, dat hy hem aannam in zyn dienst: dog zont hem op zyn kosten naar Italie om zyn Konst naar brave voorbeelden voort te zetten. Van daar weder gekomen, is hy in dienst van gemelden Prins tot Bon overleden, omtrent den ouderdom van 40 jaren.

JACQUES, die naar onzen GERARD volgde, schilderde alles, ook beelden in 't graau om in nissen te plaatsen, maar daar hy zig 't best op verstond, was 't bloemschilderen, hy kwam meê van Luik naar Amsterdam zakken, daar hy de Konst tot het einde van zyn leven geoeffent heeft.

GERARD DE LAIRESSE liet drie Zonen na. De oudste ANDRIES genaamt, geen genegenheid tot de Konst hebbende, ging in Vrankryk by een Koopman woonen, naa welks dood hy naar Indie vertrok. De twee andere ABRAHAM en JAN oeffenen de Konst, gelyk ook hun Neef de oudste Zoon van JACQUES, van wien met roem gesproken wort, zoo dat de naam der LAIRESSEN niet licht staat te verdwynen.

  1. BARTOLET : sommigen meenen dat hy een Brabander of Nederlander is geweest, uit zynen bynaam Flaman: gelyk ik ook nog een proefdruk heb van een print door onzen Laires geëtst, daar eenige Amazonen te paard zitten, aan welke een doode Leeuw vertoont word, daar hy met eigen hand Bartolet Flaman Inventor heeft onder geschreven, ten bewys dat die naar een schildery of teekening van Bartolet gevolgt is.
  2. Polixena, de schoonste en laatste Dochter van den Koning Priamus, en Hekuba, werd van Pyrrhus doorsteken op 't graf van zyn Vader Achilles, op vermoeden dat zy van de verraderlyke onderneminge tegens Achilles geweeten had, die van Paris, zoo als hy stond voor 't Autaar in den tempel van Apol, om zyn trouw met Polixena te bevestigen, in zyn hiel gewond werd, dat hy stierf.
  3. Dit verhaal van Dido word voor een verdichtzel van Virgilius gehouden, die dit trouwen en scheyden van Dido en Eneas heeft verciert, om de Karthaginensers te beschimpen, die haar Koningin Elise, na haar dood, om datze zig zoo mannelyk had omgebragt, met den naam van Dido (Manninne) onder hunne Goden hebben gesteld. Waarom ook M. de Fontenelle in zyn 't Samenspraak der dooden, Dido dit doet zeggen, Zoo de Minnehandel dien Virgilius my toeschryft eenige waarschynlykheid hadde, zoude ik konnen toestemmen dat men my verdagt hield; maar hy geeft my Eneas tot een Minnaar die drie hondert jaaren voor my uit het leven is gescheiden. 't geen door de schim van Stratonica schamperlyk aldus verdadigt word; Dat gy zegt is al iets byzonders. Het is waar dat gy drie hondert jaren na hem ter waereld zyt gebragt; maar Virgilius heeft zoo veel reden gehad om u t' samen te voegen, dat hy oordeelde dat die driehondert jaren, die u van den anderen scheiden, geen zaak van aanbelang waren.
  4. Op rollen papier en parkament te schryven is van de Oudste tyden af eerst by de Hebreen, naderhand onder de Griekse Toneeldichters (om elk hun byzonderen Rol te doen hebben) in gebruik gekomen, en heeft stant gehouden onder de kamerspeelders tot in mynen vroegen tyd. Zedert zyn de kamers, of konstgenootschappen onder de zinspreuke in Liefde bloejende, en andere, geheel te niet geloopen in Nederland.
  5. Moet hebben &c,) want in stee van de Harp, is het een Borduurraam. 't Schynt dat de patroon van 't huis het dus heeft gewilt, op dat het toepasselyk zoude wezen op zyn Fabriecq, of wevery van zyde stoffen.
  6. Gryns) d'eerste bekende vinder van het zelve, ook de Verandering van persoonen, en Toneelen, is AEschylus van Athenen tydgenoot van Pindarus. Zie B. Kennet. Griekse Dichtr: P. 38. AEschylus
    ....., boude, een vaste stee
    Op lighte balkjes, en was vinder van
    Tonelen.
    Van Gryns, en kleeding........
    Zegt A: Pels in zyn Toneelwetten.

  7. Gewiekte) Dit beteekent vaardig in 't weldoen te wezen, op dat het niet gebeure als verhaald word, van een Vorst die, bewust dat de wysgeer zyn vrient ziek, en behoeftig was, zoo lang vertoefde met weldoen dat het te vergeefs was; want als zyn dienaars hem spyze bragten, was hy al van gebrek overleden.
  8. Open handen) Dit beteekent gereede Mildadigheid. Men leest in de oude geschichten dat als de Gezanten van Bearn bevel ontfangen hadden om een der zoonen van Heer Willem van Moncade tot hun Vorst te verkiezen, keurden zy dien, welke hun in 't begroeten voorkwam met open handen; om dat zy het voor een zeker voorteeken van miltdadigheid opnamen.
  9. Men zeit dat d'Olyfanten d'opkomende Oosterzon eere bewyzen: en als de Nieuwe Maan verschynt, dat zy zig dan in de rivier gaan reinigen, en voor de spiegelinge van de maan in 't water zig buigen.
  10. Esculapius, de God der Geneeskunde, of gezondmaking, heeft Hyppolitus, door 't hollen van zyne paarden tusschen de klippen verplettert, na dat hy de afgescheurde ledematen weder by een verzameld had, door zyn wonderbare geneeskonst geheelt, zie L. Smids kantschrift op den Brief van Cydippe aan Akontius. Zyn staf is boven aan omwoelt met het geneeskruid dat hem gevallig door een Slang aangewezen werd. Daar hy de eerste proef meê aan den dooden Glaukus deed.
  11. In Q. Horat. Dichtk. pag. 33.