Naar inhoud springen

De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 3/Huisman; Willem Wissing; Dirk Maas; Guiliam en Jakob de Heus

Uit Wikisource

[ 361 ]
HUISMAN is geboren te Antwerpen in 't jaar 1656, een fraay Landschapschilder. Hy bragt een groote diepte en ingezicht in zyne penceelwerken, en cierde de zelve met geestige beeltjes en beesjes.


In dit zelve jaar 1656 werd de berugte Konstschilder in pourtretten Guilelmus, anders WILLEM WISSING in den Haag geboren. Zyn eerste onderwyzer in de Konst was Wilh. Doudyns, by wien hy eenige jaren bleef, tot dat hy (behalve de teekenkonst) ook de behandeling der verwen verstont. Na welken tyd hy zig naar Engeland (want hy was geneigt tot het pourtretschilderen) begaf om onder opzigt van Pieter Lely zig vorder te oeffenen, 't geen tot zyn geluk en roem uitviel. Want hy zoodanig in Konst toenam, dat hy eerste Hofschilder wierd van Koning Jakob den tweeden, die hem ook (na dat zyn Dochter Maria, met Willem den III, Prins van Oranje en Stadhouder van Holland, getrouwt was) van Londen over zont naar den Haag; om hun beider Beeltenissen, voor hem, naar 't leven af te schilderen.

Hy werd gehouden voor den besten pourtretschilder in dien tyd, en zyn ryzende konstzon zoo helder in den ochtentstond van zyn leven uitschitterende in de oogen van zyn benyders, heeft velen doen gelooven, dat hy door den wech van vergif naar de Elizeesche velden gezonden is. Wat daar van is laten wy daar. Maar hy is gestorven op het Lanthuis van de Graaf van Essex, buiten Londen op den 10 van Sprokkelmaand des jaars 1687. Pas 37 jaren oud. Waarom men ook onder zyn Borstbeeld door J. Smit geschraapt, leest: [ 362 ]

Immodicis brevis est aetas.

Dat is:

Ongemeene Konstenaars leven niet lang.

Nevens hem komt de brave paarde - en Bataljeschilder DIRK MAAS ten Toneel. Deze werd geboren te Haarlem op den 12 van Herfstmaand 1656. Zyn eerste onderwyzer in de Konst was Hendrik Mommers, die gemeenlyk Italiaansche Groenmarkten schilderde, een Haarlemmer van geboorte, overleden in zyn 74 jaar 1697. Daar na begaf hy zig by N. Berchem in wiens wyze van schilderen en voorwerpen hy beter gevallen had; en eindelyk door omgang met J, van Hugtenburg heeft hy zig geheel tot het paardeschilderen overgegeven.

Hier nevens verschynt de brave landschapschilder GUILIAM DE HEUS ten Toneel, met zyn Neef Jacomo de Heus, die zyn Ooms penceelhandeling in 't eerst zoodanig nabootste dat 'er geen onderscheid in bespeurt wierd: om welke reden de Bent, als Jacob de Heus te Rome kwam, hem de naam van Afdruk gaf.

Guiliam de Heus was een Leerling van den vermaarden Jan Both, en schilderde zyne landschappen ook geheel op de wyze van zyn meester. Hy heeft vele jaren te Rome, en vorder in Italie met teekenen en schilderen doorgebragt. Naderhand is hy tot Utrecht, daar hy geboren was, gestorven in een goeden ouderdom, maar op wat jaar weet ik niet.

JAKOB DE HEUS is geboren tot Utrecht in 't jaar 1657. Van jongs af aan tot de Konst ge[ 363 ]neigt, en aangespoort door zyn Oom, begaf hy zig daar toe met zoo veel zugt en wakkerheid, dat hy gemelden zyn Oom, op 't spoor (schoon zoo veer voor uit) nadravende hem onderhaalde. Toen dreef hem de reyslust naar Rome, daar hy, als elders in Italie, verscheiden jaren gewoont heeft, zig vorder oeffenende naar de beste voorbeelden. Maar hy veranderde zyne wyze van schilderen naar die van Salvator Rosa, inzonderheid in zyn beeltjes. Hy schilderde ook paartjes, koetjes en ander vee heel geestig, aangezien hy de teekenkonst fiks verstont, en lang op de Academie naar 't leven geteekent had.

Hy was een wel gemaakt Jongman, vernuftig, niet misdeelt van verstant, wel bespraakt, potsig en geestig in zyn antwoorden, altyd vrolyk van aart, en bemint in alle gezelschappen. Een staal tot bestempeling van 't gezegde, lust ons hier te verhalen. Als hy te Venetien by den Heer Lucatello Geheimschryver van den Senaat schilderde, gebeurde 't dat hy met gemelden Heer naar zyn lusthuis zoude ryden. 't Eene paart zyn hoefyzer telkens stootende, verloor het, aangezien die weg alzins met keysteenen bezaait was, waar door het paart begon te hinken, 't welk de koetzier bemerkende het rytuig stil hielt, en het zyn Heer bekent maakte, die 'er straks uitsprong, den poot van 't paart opligtte, en eenige woorden van bezweringen daar over binnens monts mompelde, daar onze schilder wel hartelyk om stont te lachen dat hy schudde. De Heer zig omkeerende zeide: lacht gy daar om? of gelooft gy niet dat zulke dingen kragt hebben? 't is menigmaal ondervonden dat het goet is. Waar door de Heus nog meer begon te lachen, en eindelyk zeide: Myn Heer, indien die [ 364 ]bezwering van zulk een kragt is, dat het de hoef van 't paart kan hart maken, zoo verwonder ik my dat 'er nog Hoefsmits in Italie gevonden worden.

Na dat hy nu eenige agtereenvolgende jaren te Venetien de Konst geoeffent had, ook te Rome, en menigen vrolyken avont met de Bentvogels had doorgebragt, kwam hy weder te Utrecht woonen by zyn Broeder den Postmeester.

Naa eenigen tyd verblyfs aldaar werd hy aangezet door den Heer Tailler geweest Professor der Wiskonst in de Illustre school te Nimwegen, die hem hoop gaf van door den Heer Dankelman in dienst van 't Hof te Berlyn te geraken. Zy begaven zig dan derwaarts heen: dog die aanslag lukte niet, maar liep vrugteloos af, hoewel hy al een schoon gezicht van dat Hof op doek had begonnen; om dat de Heer Dankelman in ongunst van 't Hof raakte. Hy liet zig nog een wyl door anderen met hoop vleyen, waar na hy gedenkende aan de Italiaansche spreuk, die zeit: Lieden in hoop te onderhouden is beleeftheid, zig op hunne erkentenis te verlaten is slegtheid; want aan de erkentenisse is het alzoo eigen te vergeten, als aan de hoop te gedenken; reden vont van hoe eer hoe beter te vertrekken, te meer wyl zyn reisgenoot Joh. Tailler, anders Speculatie, ziende zyn toeleg meê verydelt, 't zig zoo aantrok, dat hy een mymering in zyn hersens kreeg, die meer en meer zig begon te openbaren. Want komende op een morgen by onzen de Heus, verhaalde hy hem dat 'er op zyn leven toegeleid wierd, en verzogt dat hy in aller yl de reis met hem naar Holland wilde aannemen, en zyn kleederen hem aantrekken. De Heus die terstont bemerkte wat 'er haperde, en dat het zyn reisbroeder in den bol scheelde, zeide [ 365 ]al lachende: wout gy dan datze my voor u den hals braken? Hy zogt gelegentheid die hy kreeg, om met spoet weg te geraken naar tSticht, oeffenende zyn Konst, die meest naar Italie verzonden werd.

De naarstigste was hy niet, maar wonder vaardig en fiks in zyn penceeloeffening, want zelden schilderde hy naamiddags, die hem met den avond tot uitspanningen diende, en als hy geneigt was dien wat langer te rekken ging hy somwyl zyne kennissen tot Amsterdam en elders bezoeken.

Zyn laatste plaisierreis naar Amsterdam, die hem de dood aanbragt, staat nu gemeld te worden.

Bloeimaand, die hem voor Bloedmaand strekte, was gekomen, als de Heus het Sticht (onbewust wat hem zoude overkomen) het laatste vaar wel toeknikte, om zig tot Amsterdam by zyne vrienden en konstgenooten wat te verlustigen. Wat gebeurt 'er? hy die nu al eenige dagen met de neus in 't nat geweest had, laat uit op nieuws bewogen zonder zig te rusten, tot den dans, waar door hy zig zoo vermoeide, dat hy genootzaakt was voor altyd te rusten.

Dien zelven naamiddag ontmoette hy Albert van Spiers, anders de Piramide, dien hy van oude kennis wegen verzogt met hem te gaan, in 't gezelschap, aangezien van Spiers ook by Jan vander Keere, toen een Goutdraattrekker, die hem genoodigt had, bekent was. De Heus hield sterk daar op by hem aan, dog hy, die zig anders wel met een stroo, als het spreekwoord zeit, liet trekken, weigerde zulks, zeggende dat [ 366 ]hy geen lust had tot drinken. Dus de Heus alleen naar 't gezelschap ging.

'T is opgemerkt dat de Heus korten tyd te voren met een rytuig omgevallen had en zyn borst bezeert, maar vorder daar geen agt op gegeven. Als hy dan vry laat in den avond sterk gedronken hebbende naar bed zoude gaan, begon hy geweldig te braken, en daar op bloed te spuwen.

Men gist dat zyn borst inwendig door dien val gekwetst geweest zal hebben, en door de geweldige braakpersing los geborsten wezen. Het zy daar meê zoo 't wil, hy stierf den 9 van Bloeimaand 1701. Zyn Lyk werd van Amsterdam naar Utrecht gevoert, en daar begraven.

W. vander Hoeven maakte te zyner gedachtenisse dit volgende treurdicht:


Wat felle moordschicht heeft de Dood op nieuw gesmeet:
Die Ryn, en Tyberstroom, en d' Amstel trof met leet,
Toen hy de borst trof van het hooft der Konstenaren?
De droeve Konstgodes dekt haar ontooyde haaren,
En hals, en aangezigt, met treurig rouwgewaat,
Wyl haar dit zwaar verlies heel diep ter harte gaat.
Klaag vry Godes! bespreng met tranen mond en wangen,
De droefheid heeft uw ziel niet zonder reên bevangen:
'K heb om uw zwaar verlies myn treurpen aangevat.
Zy zweeft al lillende op het nat besprengde blad,
En deelt zo diep als ooit in uw elendig klagen,
Nu d'onverzoenb're dood uw halsvriend heeft verslagen,
Hem uit uw arm gerukt, helaas al t' onverwacht!
Die heel Italien in Nederland gebragt

[ 367 ]

Zou hebben door 't penceel. Laat ons een zuil opregten
Voor hem, die onbeschroomt Salvater dorst bevegten.
En naar den lauwer dong gepast op Roozaas hoofd,

enz.

In het einde gaat hy voort:

Gans Utrecht smelt in rouw, de Ryn gevoelt het leet,
Hy deinst te rug, en scheld het lot voor wrang en wreet;
Wie, roept hy, zal myn stroom en weelige akkers malen,
Nu ik dit dierbaar Lyk hier in het graf zie dalen?
Wat lichaam is bekwaam voor zulk een grooten geest?
Myn zon is uitgedooft.
DE HEUS die is geweest.