Naar inhoud springen

De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 3/Jan Linsen

Uit Wikisource

[ 30 ]Zoo even te voren zagen wy de wezens der aanschouwers, wanneer wy het potsig levensbedryf van Jan Steen ten Toneel voerden, zig ontfronzen, en om het kluchtspel kokermuilen: thans zullen de neergetrokken winkbrawen op het vertoonen van dit volgende Treurgeval de voorhoofden kreuken.

In wat jaar de ongelukkige Beeld- en Historyschilder JAN LINSEN geboren is weet ik niet, maar alleen dat hy tot Hoorn woonde; wanneer hem het ongeval in 't jaar 1635 (waar van wy straks zullen melden) ontmoette. Daar gaat; (zeit de spreuk) nooit ongeluk alleen. En als een man voor 't ongeluk geboren is, volgt d'eene ramp d'ander op de hielen gelyk de schaduw het beeld na.

Na dat hy door zig naarstig in de Konst te oeffenen, zo veer gekomen was dat hy zig zelf (als men zeit) bedroopen konde trok hy naar Rome, om zyn Konst voort naar brave voorbeelden te oeffe[ 31 ]nen. Hy in Italien te scheep gegaan, om, ik weet niet waar heen, te stevenen word op Zee van de Moren genomen, op hun kust aangezet, en moedernaakt uitgeschut, voor hun opperhoofd gebragt, dog behield door een zeltzaam voorval zyn leven, en raakte weg, waar van hy t'huis gekomen een schildery heeft opgestelt, die zeer fraai is. Dus schryft my de Konstschilder Johannes Bronkhorst van Hoorn in een Brief van den 18 Mey 1718, ook dat dit zelve stuk thans nog in wezen is, en te zien by den Heer Adriaan Beverwyk tot Hoorn, gelyk nog andere stukken; om hun Konst, en bevallige wyze van schilderen waard om te bezien.

JAN LINSEN, om nu zyn laatste ongeval te melden, zit te Hoorn in een herberg te spelen, en aan den winnenden kant zynde, begint zyn makker eerst om zyn verlies te morren, en eindelyk te zeggen: Ik steekje straks met een mes in je huidt, daar JAN LINSEN om lachte geen achterdogt van eenig kwaad hebbende, aangezien zy altyds goede vrienden geweest hadden, en zeide: ja steek in myn gat, waar op de ander onder de tafel door hem verradelyk den doodsteek geeft, waar op hy ter aarde viel, zeggende met bestorve lippen: dat hy verradelyk vermoort was van dien hy lief had, maar dat hy 't hem vergaf, waar na hy den geest gaf, en dus ongelukkig zyn leven eindigde.

Gelyk een Lantman opgewekt
Door zorg die hem tot wekker strekt.
Wanneer de tyd van planten, zaaijen.
Of 't rype goutgeel graan te maaijen.
Voor handen is: hy ziet naar 't Oost,

[ 32 ]

Als 't daglicht pas door 't nachtzwerk bloost;
Om, als de dag begint te lichten.
Zyn werk met yver te verrichten:

zoo vond ik my ook door zorg gewekt, wanneer het tydig was, en by andere Konstschilders op het zelve jaar, sommige levensbeschryvingen hunner tydgenooten moesten toegedaan worden, waar toe de hoop van noodige berichten te zullen bekomen, my telkens met verlangen dede uitzien, tot dat ik verlichting, in dingen die met een twyffelagtige duisterheid benevelt waren, verkreeg. Maar gelyk ook dikwils gebeurt dat de Oosterkim met zware dampen betrokken, belet dat de Zon zig niet op haren tyd in den Oceaan spiegelt: zoo is 't ook meer als eens gebeurt dat de noodige berichten door 't verloop van jaren en vergetenheid bewolkt, op den rechten tyd aan ons niet verschenen, om de zelve te boeken, ge]yk het dus met de tegenwoordige levensbeschryving van GERARD TER BURG gelegen is, die geplaatst moetende geweest zyn op 't jaar 1618, my, nu wy reeds met drukken al gevordert zyn tot het jaar 1635, eerst zyn ter hand gekomen. Zoo is 't ook met den geboortetyd van Gabriel Metzu. Wat nood was 't dat wy buitenstyds maar kregen 't geen ons gebreekt? Maar wat raad? van Mander heeft het zo wel als ik moeten getroost zyn.

In de levensbeschryving van Gerard Dou is niet geboekt, dat hy d'eer gehad heeft dat Karel de tweede Koning van Engeland, hebbende groot gevallen in zyne penceelkonst, hem aan zyn Hof ontbood; dog hy vond reden om zulks te weigeren, om dat het woelig hofleven met zyn stillen aart niet overeenkwam, of om dat zyn vrienden [ 33 ]hem zulks afrieden, daar men de blyken van ziet, in die onderstaande vaers:

Hoe DOUW! zal Stuart u de Vuurbaak der penceelen.
Naar Withal sleepen, ai gaa niet naar Karels Hof
Verkoop uw vryheid niet voor rook, voor wind en stof.
Wie 's Vorsten gunst zoekt, moet voor slaaf en vleyer speelen.

Ook waar het noodig geweest, dat wy dit onderstaande Vaersje tot roem van 's mans Konst in zyn levensbeschryving hadden te pas gebragt, waar in de Dichter hem toesprekende dus zeit, op 't zien van een Pourtret van J. Lievensz, den Ouden.

Is dit maar doodverw, LIEVENS, hoe!
Het leven tintelt in uw streeken,
Ey doe 'er niet een trek meer toe,
Of 't Beeld zal licht om zitgeld spreeken,
En zweeren dat de Schildery,

SILVESTER is, en hy Copy.

Maar wie kan alleen zoo veel, als velen te zamen weten? overzulks is 't ydel my daar over te kwellen. Waar 't anders, daar zou geen gelegendheit geweest hebben tot eenig naaverhaal: 't geen my egter nog al welkom is, schoon het te ontyde komt; om dat de Lezer 't zelve in zyn geheugen met het voorige gemelde van Ger. Dou en Jan Lievensz, kan samenschakelen. Maar licht word my dit (hoe onschuldig) nog wel voor een misslag aangevreven, gelyk my gebeurt is over het schryven van Napels in Sicilien in myn eer[ 34 ]ste Boek pag. 278 reg. 1., daar zeker opmerker my dus over schryft: Napels heb ik in Sicilien niet konnen naspooren, maar wel Neapolis, een gedeelte van de oude Stad Surakuse, by Cluverius in Sicilia Antiqua. Daar dit alleen een drukfout is, en voor in, en moest staan. Zie hoe naau weet men thans te ziften.