Naar inhoud springen

De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 3/Jan van Nikkelen

Uit Wikisource

[ 265 ]
Daar zyn menschen (zeit Gratiaan) die ik weet niet met wat een ongemeene beleeftheid begaaft zyn, die hen by elk aangenaam maakt, en wel doet ontfangen. 'T eerste en aangenaamste deel van deze loffelyke gaven bestaat in de algemeene kennis van alles wat 'er in de waereld geschied is, een opmerking van al de loffelyke bedryven der vorsten, de ongemeene voorvallen der wonderheden van de natuur, en de buitenspoorigheden der Fortuin, en past die toe op den rechten tyd. Door het middel van deze kundigheid, en zedelyke ontleding kan hy gezont van zaken oordeelen, en d' agting met de voetmaat meten van de waarheid. Voor al maakt hy een naaukeurige verzameling van alle goede spreuken, van alle de geestigheden, zoo deftige als kortswylige puntdichten, en spreuken der wyzen; aangenamen voorraad om bevallig by de waereld te wezen.

Deze gaven bezat de konstige Chassenette- en Landschapschilder JAN VAN NIKKELEN geboren tot Haarlem, die zig daar van als uit den uitslag gebleken is, wonder wel heeft weten te bedienen.

Zyn Vader die een fraay Kerkschilder was op de wyze van van Vliet, en die hem naderhand de Bouw- en Doorzigtkunde en behandelinge van het penceel leerde, bragt hem eerst tot de Franse en Latynsche scholen, om in de taalkunde onderwezen te worden, daar hy door zyn vernuft en kloek onthoud gelukkig in vorderde. Voorts [ 266 ]lees -en weetlustig oeffende hy zig in de Historien. Reisbeschryvingen. Natuurweetkunde, in den Bybel en gronden van den Godsdienst, verkeerende dagelyks in de oeffeningplaatsen, en met zulke menschen die men onder de Mennoniten of Socynsgezinden Disputanten noemt, waar door zyn verstand meer en meer gescherpt werd.

Hy onvermoeit in 't naspeuren van velerhande wetenschappen ontdekte dan 't een en dan 't ander. Ook vond hy een weergalooze harde Fernis uit, daar hy Kabinetten. Gerridons enz, zoo goet als de Indianen, meê verlakte. Naderhand vond hy tot de Fabriek of Weevery iet ongemeens uit, zoekende konfraterschap met menschen die veel geld bezaten, en Octrooy of voorrecht by de Heeren Staten. Maar daar kwam niet van. Des begaf hy zig tot het schilderen van Landschappen, Bloemen en andere cieraden op dunne zyde, dienende tot Chassenetten voor de glazen, als ook Lakwerk enz. Hy was, wanneer hy een glas met wyn meer dan naar gewoonte gedronken had, vol van allerhande potseryen en grappen, en wist wonder wel den rol van een kwaker te spelen: verstont zig ook op een knipvaersje voor de vuist (als het spreekwoord zeit) te maken.

Hy wist zig hier te Amsterdam zynde door zyn fluweele tong zoodanig in de gonst van den Konstschilder vander Meyn in te dringen, dat de zelve ontboden zynde van den Keurvorst van de Palts, hem op fortuin meê nam, daar hy straks den Heer Douve Hofschilder en Konstbewaarder van den Vorst tot zyn vrient kreeg, gelyk hy zig van den zelven ook by tyds zoo wel wist te bedienen, dat hy hem naderhand niet meer noodig had. Hy wist de eerstemaal dat hy gemelden Douve sprak, [ 267 ]zyn belangens zoo wel voor te doen, dat die hem straks eenige Chassenetten buite kennis van den Vorst liet maken, en dezelve zette op een plaats, daar de Vorst voor by passeeren moest, om hem dus met die cieraden te verrassen, daar de Keurvorst bevallen in nam, welke voort orde gaf om eenige van zyne Landhuizen met hunne groene dreven. Tuinen. Fonteinen enz, naar 't leven af te teekenen en dus te schilderen, daar hy dan tot meerder vercieringen eenige Jachteryen in te pas bragt, of een Harder en Harderin,


by 't ruissen van een bron.
En zilv're stroomen, daar voor 't steken van de Zon,
Het boomgaardryke dal verstrekt een koele lommer.

'T gebeurde dat de Vorst hem een stukje van den Konstschilder Adr. vander Werf liet zien, om zyn oordeel daar over te geven, en t'effens een pourtret van Douve. Het eerste prees hy naar zyn waarde, dog met beklag dat aan vander Werf nadeel gedaan werd, met het pourtret van Douve daar by te stellen, dat zoo kragtig en natuurlyk geschildert was. Dus sloeg hy een dubbelden slag, daar de laatste geen ondienst meê geschiede. Zeker hy stond door zyn fyn geslepen tong, ruim zoo breed aan 't Hof, als vander Meyn door zyne brave penceelkonst.

Na de dood van dezen Keurvorst, quam hy aan 't Hof van Hessenkassel.