De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 3/Johanna Koerten
[ 293 ]
Hier nevens doen wy ten Toneel verschynen JOHANNA KOERTEN, Huisvrouw van den Heer Adriaan Blok, geboren tot Amsterdam in 't jaar 1650, op den 17 van Slachtmaant. Deze Juffrouw was van haar jeugt as aan zeer geneegen om konsten en wetenschappen te leeren, als blykt aan haar treffelyk borduuren, deftig kant- en akernaayen, heerlyk speldewerken, aardig was gieten, mannelyk schryven, konstig muzyk zingen, fraay met een diamant op drinkglazen spreuken, vogels, of bloemen te grieven, verwonderlyk fraay in 't vercieren van bloemen en cieraaden, voornamentlyk van zyde gevlogten en doorwerkt, en 't schilderen met waterverwen, waar van nog het een en 't ander by den Heer Blok te zien is.
Indien zy zig geheel tot schilderen had overgegeven, zy zou ongetwyselt ver in die Konst gevordert hebben. Buiten dit geleit door den rykdom van verstant, zette zy zig tot het snyden van velerhande voorwerpen met de schaar van papier. En dit lukte haar zoodanig dat zy daar door een eeuwigen naam gemaakt heeft.
Zo vind ik reden genoeg om onze Johanna Koerten onder de Konstenaars en Konstenaressen te gedenken; gelyk ik den braaven teekenaar Jan de Bisschop en anderen, die nooit penceel met verwen heb[ 294 ]ben gevoert, heb gedaan. De Heer Burgermeester Joan Six loffelyke ged, heeft derhalven niet onaardig tot haren roem gezeit:
Vrouw Blok, cieraad en roem van 't Y,
Maakt zonder verf een schildery.
Gewis haar brave naam zal leven,
Zoo lang men eer aan konst sal geven.
Om dat de voorgemelde in opzigt der teekenkonst maar met anderen van hun tyd zouden gelyk gestaan hebben, daar zy in haar doen nooit iemant heeft ontmoet, die haar gelyk is geweest, veel min haar in de snykonst overtroffen heeft. Waarom zy altyd het voorwerp van verwonderen is geweest voor alle Konstkenners; die voor hun oogen zagen dat zy door eigen vernuft, en onbedenkelyk gedult en yver, met de schaar heeft uitgewerkt, al 't geen een bedreven hand door de teekenpen, in opzigt der menschenwezens, kan verrigten.
Ook heeft zy Zeetjes, Lantschappen, Beesten, Vogels en Bloemen, en meesterlyke trekken van groot en kleen schrift gesneden, al met enkele herzeering, byna als Melan in veel van zyn printkonst heeft gedaan.
Dit doen maakte zoo veel gerugt, dat alle vreemdelingen belust op 't zien van konstige werken, tot Amsterdam komende, haar snywerk met verwondering beschouden en prezen. Overzulks hebben vele Potentaten. Vorsten en groote Heeren, ja zelf de Czaar Peter Alexewits haar werk komen zien, en hunne handteekeningen tot haar eere in haar Stamboek gezet. De Keurvorst Joan Wilhem in de Palts heeft haar zelf voor drie stukjes van 't snywerk duizent guldens gebooden: maar [ Plaat N ]

[ 295 ]zy was niet geneegen dezelve te missen, om dat zy daar zoo veel werk aan had gedaan. Voor de Gemalinne van den Keizer Leopoldus heeft zy een heerlyk werk gemaakt, bestaande in Bloemen, Wapens, Arenden, Kroonen, in loofwerk verciert, van gevlogten zyde in manier als campanen, waar voor meer als vier duizent guldens gegeven zyn. Ook voor Maria Koninginne van Engeland en andere Vorstinnen heeft zy ook zulke cieraaden gewrogt. Al 't geene zy ook door haar eigen uitvinding, zonder van iemant geleert te hebben, heeft verkreegen. Het wezen des gemelden Keizers door haar schaare gesneeden is aan zyn Majesteit gezonden, en hangt nog te Weenen in zyn Konstkamer, waar onder dit vaers van den Professor Francius overkonstig geknipt staat:
Caesaris haec facies Leopoldi, dextera ferrum,
Laeva globum terræ, quam regit, orbis habet.
Marmora Lysippi cedant, & Mentoris æra:
Cedat Apelleus. Parrhasiusque, labor.
Majus opus tenui in charta (mirabile visu)
Exhibet artifici forfice docta manus.
Dus vertaalt door A. MONEN.
Dit 's Keizer Leopold; zyn slinker vuist bewaart
Den wereldkloot, dien by bestiert, zyn rechte 't zwaart.
Wyk Mentors koper, wyk al 't marmer der Lyzippen, :Apelles arbeit en Parrhasen braaf van zwier.
Een afgerechte hant en kunstschaar fix in 't knippen,
Werkt grooter wondren voor 't gezicht op dun papier.
Ook is dit op 't wezen van den Heer D. van HOOGSTRATEN M.D. gemaakt door den vernuftigen Johan van Broekhuizen:
Doctum victuro condire Poëmata cantu,
Et non unius pectinis artificem,
Hoogstratanum acri formavit Curtia ferro,
Ut stet in aeternis Mnemosynæ tabulis.
Dat is naar de vertalinge van J. VOLLENHOVE.
JOANNA KOERTENS schaar laat naulyks leven derven
Hoogstratens beeld, die in gedichten, vry van sterven,
Volleert, door alle Konst van zang en toon vermaart,
In Mnemosyns papier dus eeuwig blyft bewaart.
Ook een reeks van geleerde mannen, en de braafste Dichters hebben van tyd tot tyd haar schaarkonst in Latynsche en Duitsche vaerzen geroemt, en haar naam der onsterffelykheid gewyt. Boven die geenen, wier naamen hier al vermelt zyn, waaren Kaspar en Jan Brant, de Feitamaas, J.B. Wellekens, A. Bogaart, C. Bruin, de Professor A. Reelant, en anderen te veel om te noemen.
Maar Gesine Brit, maakte een wonder fraaijen Harderzang ter gedagtenis van deze papiere snykonst. Dit puikgedicht (om den Lezer met alle de andere niet te vermoeyen) hebben wy alleen (zoo om dat het uit een Vrouwe pen gevloeit, en op een Vrouw toegepast is, als om dat het de voornaamste stukken van haar Konstwerk bevat) tot ons gebruik gekeurt. Dus laten wy het hier volgen. [ 297 ]KORIDON.
HARDERZANG
Op de Papiere Snykonst
VAN JUFFROUW
JOANNA KOERTEN,
HUISVROUW VANB DEN HEERE
ADRIAAN BLOK.
De vrugtb're Lentezon was uit de kim gereezen,
En gaf, in 't bly saizoen, een lieffelyker weezen
Aan 't kwynende aardryk, door de winterkouw ontstelt;
De boomen liepen uit, het bleekbestorven veld,
En treurig akkerland kreeg leevendiger verven:
Als Harder Koridon, vermaard by [1]Gysbrechts erven,
In 't vrugtbaar [2] Leeuwendaal, dat alle stormen stuit,
Zyn graage kudde dreef in 't gras ten schaapstal uit;
En, by een zilv're bron blygeestig neêrgezeeten,
Zyn digtfluit hooren liet, als de eer der Veldpoëeten.
Hy zong voor berg en dal, op [3]Sirakuser wys,
De schrand're Kunstheldin, aan Amstels boord, ten prys,
Die, boven Pallas Koor, van eed'ler geest gedreeven,
Als tegen vrou Natuur in 't kunstperk schynt te streeven,
Wanneer haar scherpe Schaar, met onvermoeiden vlyt,
[4]Uit leevenlooze blaên, een and're Waereld snyd.
Komt, Amstelnimfen, vlecht nu Palmen en Lauw'rieren,
Om schrand're Galatee gulhartig te versieren.
Hoe heeft zy [5]Bosmans Rei aan zich zo dier verpligt?
Het [6]vrygevochten Volk, dat traag voor dwanglust zwigt,
En slaakte 't [7]yz're juk van [8]Wreedaarts hoog vermoogen,
Ziet hier de [9]Heemraen, die, met meer dan Argus ogen,
Bewaakten 't Vrije veld, die Vaders van 't gemeen,
Van [10]Woestaard, in het [11]groen, gemartelt en vertreên:
Gelyk men Orfeus, die 't gedierte deed bedaaren,
Onnozel sneuv'len zag door Bacchus dart'le schaaren,
Van Amstels Kunstheldin, uit [12]witte boomschors weêr
Al snydende geteelt, tot [13]Stamspruits vreugd en eer;
Die, om zyn heldendeugd en wysheid, waard te looven,
Nu Landraads [14]Broederschap, door de [15]allerfynste kloven
Zo luisterryk beschouwt, dat schyn voor 't wezen pleit,
En gryzen Vroomaart, vol van twyffeling, misleid.
Komt, Amstelnimfen, vlecht nu Palmen en Lauw'rieren
Om schrand're Galatee gulhartig te versieren.
Haar eed'le Schaar verwint den Beitel, en 't Penseel,
En toont den [16]Britsen Roem, die 't wreev'lig [17]Woudkrakkeel,
Gelykeen Hercules, grootmoedig klonk aan banden;
En 't wilde [18]Boszwyn dreef uit Veneryks Waranden.
Zy heeft dien dapp'ren Held, Saturnus roem ten spyt,
In haar [19]gekerfde blaên, aan de Eeuwigheid gewyd:
By 't [20]groote Meesterschap, dat Ryn- en Donau-stroomen,
Met and're Vloeden, leert voor 't eed'le [21]Stamhuis schroomen;
In de Oostenryker Buurt, van [22]Adelaard'gebouwt,
Gelyk een schuilvertrek, voor 't ongetoomde woud:
Daar Galatee geroemt van [23]Heermans wyze Tolken,
Gelyk een wonder schynt by allerhande volken.
Zo trekt, voor 't Zonnelicht, de wisselbaare Maan
Haar bleeke hoorens in, die beevende ondergaan.
Komt, Amstelnimfen, vlecht nu Palmen en Lauw'rieren,
Om schrand're Galatee gulhartig te versieren.
Al 't bos kreeg ooren, toen 's Lands Eelhart op een halm
Den laasten zangprys streek, terwyl de wedergalm
Zich spreidde door de lucht, en wekte Ruslands Knapen,
Die, aan den Winterhaart, onachtzaam bleeven slaapen,
Als waarenze onbewust, hoe schrand're Galatee,
De Vreugde van ons Vlek, hun [24]wakk'ren Hooftman snêe
Uit onversierde stof, van [25]Groenborst afgekomen,
Die Paerlemôer beschaamt, en Indus goude zoomen.
Hy, die den Tanaïs beschaamt voor geweld,
En, aan 't Meötis meir, den naam verkreeg van Held,
Toen, op Alcides spoor, hy met zyn sterke handen
Een wreeder Hydra sloeg; den schrik van zee en stranden:
Daar Mechaas halve maan, van haar sieraad ontbloot,
Vergeefs aan Nereus riep, in 't nypen van den nood;
Dat onverwonnen Hoofd, zo ryzig op de leden,
Word door de Snyschaar nu van Kunstlief aangebeden,
In 't [26]hagelwit gewaad, van Bloemmaagd toegereed.
Dus zong hy, die zyn tyd in de akkerbouw versleet.
Komt, Amstelnimfen, vlecht nu Palmen, en Lauw'rieren,
Om schrand're Galatee gulhartig te versieren.
Laatst hoorde ik Zegemond, een Knaap van Overzee,
Al zingende langs 't veld, terwyl zyn weelig vee
In klaverbeemden weidde, aan versse vlieten melden,
Hoe Galatee de Bloem van [27]Frisoos Letterhelden,
Apols geheim'nis Tolk, en trouwsten Wichelaar,
Naer 't leven trof, en snee, met haar gesleepen Schaar,
In [28]nederige blaên, nu ryk van roem en luister,
Daar Cerberus voor beeft, terwyl hy in het duister
By Pluto zig verschuilt, op 't wenken van de hand,
Die Circes toverkunst verbryzelde in het zand.
Terwyl nu Galatee, uit blanke [29]schors van boomen,
Een oegst van Spreuken snyd, daar Leezaard, zonder schroomen,
Zyn graagen lust meê boet, en deftig onderhoud:
Daar dit gesneden Schrift geen boekstaaf wykt van goud.
Komt, Amstelnimfen, vlecht nu Palmen en Lauw'rieren
Om schrand're Galatee gulhartig te versieren.
Landroemers Veldpyp klonk hier mede juist op 't slag;
Met vreugde denk ik aan den aangenaamen dag,
Toen wyze [30]Waarmond, hier alom by Vreêliefs schaaren
Eerbiedig aangebeên, als 't hoofd der Offeraaren
Van 't groote Orakelkoor, die schrandere Eskulaap,
Die al de Buurt verpligt, en my, een armen Knaap,
De duist're paden wees, daar slangen zich verschoolen,
Om niet, op Volkerts spoor, in 't woeste woud, te doolen:
Hoe speeld die blyde dag my altoos in den zin!
Toen hy vereëuwigd wierd van Amstels Kunstheldin;
Daar hy, [31]in slechte stof, van Veld'ling opgelezen,
Het kloekste brein verbaast met zyn gesneeden weezen.
Men roem geen kunstenaars om hun geleerd verstand,
Nu 't zwakste [32]Snytuig van een Vrouw de kroone spant.
Komt, Amstelnimfen, vlecht nu Palmen en Lauw'rieren,
Om schrand're Galatee gulhartig te versieren.
Ik dreef hun zanglust voort op 't ruisschen van het meer.
Minerve belg' zig niet, daar zy, met helm, en speer,
En schild gewapend, by [33]Held Kosmus bly gezeten,
Van [34]Vezels hangt aan een, wel eer op 't veld versmeeten.
Wie zag vrouw Pallas ooit met meerder schranderheên,
Dan nu, van Galatee zo kunstig uitgesneên?
Arachne doemde zelfs haar reukeloos vertrouwen,
Kon zy, vervormd, nu eens 't doorluchtig beeld beschouwen,
En sprak voor elk, ontlast van hoogmoeds yd'len waan,
't Is uit met Thebe, met Amfion is 't gedaan,
Apelles schilderkroon legt in het stof vertreeden,
Myn spinnery staat stil, myn draad is afgesneeden,
Een Kunstheldin braveert Minervaas School aan 't Y;
Terwyl haar ryke geest alle and're streeft voorby.
Komt, Amstelnimfen, vlecht nu Palmen en Laurieren,
Om schrand're Galatee gulhartig te versieren.
De gryze Tyber hoort, in 't diepste van zyn kil,
Vol blyschap opgewekt, daar hy gerust en stil
Zyn golven houd in tucht, de Faam dus opgesteeken:
Hoe ergens in [35]een Vlek, by Waterlandse streeken,
Daar Y-, en Amstelstroom, vereenigt samen gaan,
De schrand're Kunstheldin, uit drooge en [36]witte blaên,
De [37]zes paar stammen van de aloude Tyberraaden,
Aan Jupiter gewyd, van [38]afgesleeten draaden,
Doorluchtig gaf aan 't licht, veel schooner als kristal,
Van 't nootlot vry gemaakt voor 't wankelbaar geval:
Gelyk de [39]Keurtelg, die by de Elvestroom verheven,
Van Galatee verkrygt een onverwelklyk leeven,
Daar hy de Kunstschaar looft, en 't vrouwelyk vernuft,
Die al 't Godinnendom in zyn geheim versuft,
En nu den Zangberg noopt, om met verheven snaaren
Te zingen haaren lof; terwyl [40]een stapel blaeren,
Van [41]Febus wakk'ren Rei, met Pindus vocht bespat,
De wierook voor haar zwaait, die druipt als geurig nat.
Komt, Amstelnimfen, vlecht nu Palmen en Lauw'rieren,
Om schand're Galatee voor eeuwig te versieren.
Dus kweelde Koridon tot dat de dag verzonk,
En 't Avondlicht weêr in Boötes tabbert blonk.
Toen zocht hy 't vee by een, en de afgedwaalde schaapen,
Om in een zachte kooi haar zoete rust te raapen;
Terwyl hy, in zyn stulp, geweken uit het veld,
Aan al zyn haartgezin van Galatee vertelt.
De Oly van haar levenslamp allengs door de vlam verteert, hield zy op, in 't jaar 1715 den 28 in Wintermaand van langer te schynen. Haar lichaam werd in, maar haar roem, en beeltenis buiten het graf gesloten, daar Katharine Lescalje onder haar Print dit byschrift op maakte:
Men eer dit Beeld, wiens geest en Schaar kan wond'ren teelen,
′t Papier herscheppende in onschatbre kunsttafreelen.
De Heer Blok, by wien haar gedagtenis in groote waarde blyft, laat haar Konstroem niet verwaarloozen: maar in tegendeel de namen, en zinspreuken door Waereldvorsten (ter gedagtenis dat zy haar berugte Schaarkonst gezien hebben) [ 306 ]met eigen hand op papier gestelt, neffens de vaerzen der Puikdichters by een verzamelt in een stamboek pryken, en doet hunne beeltenissen door een konstige hand teekenen, om die tegens over de geschriften te plaatsen. Ook laat hy van de beste konstschilders teekeningen maken, zinspeelende op gemelde zinspreuken; 't geen hem in zyne ledige uuren tot verlustiging strekt, om haar kennisse van Godsdienst en het pleegen van deugden, daar zy boven al haar konsten in uitstak.
Haar Lykgedagtenis geviert door den Heer D. van Hoogstraten is begrepen in dezen volgenden Lykzang.
IN EXCESSUM
INDUSTRIÆ ET OPTIMÆ
MATRONÆ
JOANNÆ CURTENIÆ.
SIc abiit mundi tenebris erepta JOANNA,
Sic abiit, carum destituitque Virum.
Sic abiit, sic cognatos, sic liquit amicos,
De quorum numero pars quoque parva sumus.
Jam riget illa manus, quae tot monumenta reliquit,
Omnigenas formas fingere docta manus.
Vidimus e secta surgentia signa papyro,
Qualia Mentorea sculpta fuere manu.
Cernere clarorum meritis erat ora virorum,
Cernere erat silvas velivolasque rates:
Et quae praeterea producit Daedala tellus,
Dum ludit variis ingeniosa modis.
Solertis memores colimus miracula dextrae,
Miramur dotes quas dedit ipsa sibi.
At quanto sunt haec pura virtute minora!
Alliciunt homines illa, sed ista Deum.
O rebus mundi vanis exemta, beato
Juncta choro, magno nunc quoque juncta Deo,
O quae jam caeli formosa palatia tangis,
Et pedibus calcas sidera clara tuis,
Laetae pacis amor, & mens sibi conscia recti
Praebebant animo gaudia grata tuo;
Castaque simplicitas, virtus contermina caelo,
Ornabat vitam tempus in omne tuam.
Non auri desiderium, non dira cupido
Obstabant coeptis speve metuve tuis.
Non ablata tibi rerum mendacibus umbris
Mens, aut fallaci laesa vapore fuit.
Non te impellebant casus humana moventes:
Ipsa tui victrix strenua semper eras.
Prima Deum spectabat, & altera cura maritum:
Sic placido fluxit vita tenore tibi.
Nunc violas tua busta novas meruere rosasque,
Veris odorati nunc meruere decus.
Jamque vale. nostro vives in pectore semper,
Et memori vivet nomen in ore tuum.
Haar Afbeeldzel na 't Schildery van D. V. PLAAS, in 't koper gebragt, staat in de Plaat N. 29., waar op dit volgende Vaers, voor de Printbeschouwers uit myn pen
gevloeit is: [ 308 ]Graveerkonst maalde door het staal
Der vrouwen kroon, sieraad en praal,
JOANNA KOERTENS zedig wezen,
Van elk om haar vernuft gepreezen;
In 't koper af, die met de Schaar
Net trof na dat het voorbeeld waar,
En deed veel Vorsten eeuwig leeven.
Waar door zy word met glans verheeven.
Hoor hoe de schelle faambazuin,
Haar Schaarroem over zee en duin
Uitbromt, dat elk tot lof moet spreeken.
Deez print verstrekt een eereteeken.
Hier hout de zilvere klaroen
De Schaar gekroont in het blazoen,
Die ziet men heen en weder zwayen.
En tot triomf der Snykonst wayen.
Ook voert de vlug gevlerkte Faam,
Een blinkende eerkroon om haar naam,
Daar door aan 't Stargewelf te sieren,
Tot glorie van de Konstpapieren,
En dat deez' naamstar staadig mag
Hier schynen als de held're dag.
Heeft dan de doot haar dezen luister
Benyd, haar lighaam doen in 't duister
Verhuizen; met een zerk bedekt
Die hand die zoo veel lof verwekt;
En heeft zig 't sterff'lik deel begeven;
Haar roem, de dood ten spyt, blyft leven.
- ↑ Amsteldammers.
- ↑ Holland.
- ↑ Men zegt dat de Harderzangen te Sirakuze eerst gevonden zyn.
- ↑ Papier.
- ↑ De Hagenaars.
- ↑ De Nederlanders.
- ↑ De heerschappey van Spanje.
- ↑ Koning Philip de Tweede.
- ↑ Jan en Cornelis de Wit.
- ↑ 't Haagse Graau.
- ↑ 't Groene Zootje.
- ↑ ′t Wit papier
- ↑ De zoon van Jan de Wit
- ↑ De gebroeders de Witten
- ↑ Gesneeden papieren
- ↑ Willem den derden Koning van Engelant
- ↑ Den Oorlog
- ↑ Geweetens dwang
- ↑ Geknipt papier
- ↑ Leopoldus, Rooms Keizer
- ↑ 't Huis van Oostenryk
- ↑ De Roomze Keizers.
- ↑ Raadsheeren van den Keizer.
- ↑ Czaar Peter Alexewits.
- ↑ 't Land daar 't Vlas op groeit dat daar na tot papier word gemaakt.
- ↑ Dit ziet ook op 't papier.
- ↑ Do. Baltasar Bekker Predikant te Amsterdam.
- ↑ Papier.
- ↑ Dit verbeeld ook papier, alzoo men daar in oude tyden plagt op te schryven.
- ↑ Galenus Abrahamz, der Mennoniten Leeraar en M. Doctor.
- ↑ Linnen vodden om papier van te maaken.
- ↑ J. Koertens Schaartje.
- ↑ Kosmus de derde.
- ↑ Ziende op 't papier.
- ↑ Amsteldam.
- ↑ Papier.
- ↑ De twaalf eerste Roomse Keizers.
- ↑ 't Linnen daar 't papier van gemaakt word.
- ↑ Fredrik den derden, Keurvorst &c. en Markgraaf te Brandenburg, &c.
- ↑ 't Stamboek van J. Koerten.
- ↑ Daar de Digters hunne vaerzen in geschreven hebben.