De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 3/Johannes Bronkhorst
| ← Gerard Hoet | De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen, deel 3 (1753) door Arnold Houbraken | Abraham Diepraam → |
[ 242 ]
JOHANNES BRONKHORST is geboren tot Leiden in 't jaar 1648. Dertien jaren oud zynde, als zyn vader hem vroeg ontvallen was, werd hy van zyn moeder tot Haarlem besteld by een Neef van haar die een pasteibakker was, (een beroep dat in dien tyd goed voordeel aanbragt, en waar meê het drok was; of om dat'er meer lekkertanden waren, of om dat die tyd beter was dan deze) om het zelve tot zyn beroep en kostwinning te leeren. Ondertusschen voelde hy altyd een smeulend konstvuur in zyn boezem, 't geen niet in vlam raakte voor dat hy zig in den jare 1670 tot Hoorn neerzette en trouwde. Toen begon dat smeulend vuur aan te gaan, dat is, zyn drift tot de Konst wakkerde zoodanig op datze niet wel te stuiten was. 'T was ook nodig. Aangezien hy zonder het eene te verlaaten het andere doen konde, oeffende hy zig naarstig in zyn buitentyd in de Konst, en kwam zonder eenig onderwys zoo veer dat hy onder de brave Konstschilders in waterverf mag getelt worden. Hy is thans nog in leven, en oeffent de Konst tot zyn vermaak, en het Pasteibakken tot zyn levensberoep. Een beroep dat met de Konst gepaart kan gaan; om dat het beide lekkernyen zyn, [ 243 ]het eene om den smaak, het ander om het oog te streelen.
Wat voorwerpen hy zig in zyn Konst voorgestelt heeft om na te volgen: en hoe veer hy de natuur der zelve weet na te bootsen, heeft de brave predikant en puikdichter Johannes Vollenhove aangetoont, in een gedicht dat hy op het zien van een Boek, waarin stukken waren van zyne Teeken-en Schilderkonst, gemaakt heeft, en het geen dus begint:
O BRONKHORST, nog in myn gedagten!
Wiens oog kon op paneel of doek,
Volmaakter Schilderkonst verwagten,
Dan daar men uw vernuft aan kent,
Op uw papier of pergament?
Daar 't woelt en leeft van tamme dieren,
En vog'len, die als vreemt van rust
Geschapen, gins en weder zwieren,
Zoo schoon gekleet, als Salomon
In al zyn pragt niet praalen kon.
Natuurlyk leven hier de Vogels.
De klauwen vatten, waar ze op treen:
De vlugheid rept zig van de vlogels:
Vergat het kunstpenceel geen tong,
Men hoorde, hoe 't gevogelt zong.
[ 244 ] En wat verandring, net gemaakt,
Wat keurig oog konze ooit verveelen?
Wat vlyt heeft dit by een gehaalt
Uit alle vier des aardskloots deelen?
Want nimmer baarde een land en lugt
Zoo veelerhande Vogelvlugt.
Dit zagte Konstwerk te verdooven?
Dees Waterverf, die nooit versterf,
Gaat kragt van Olyverf te boven.
Nog holp hier toe geen meesters les:
Natuur alleen was leermeestres.
In 't ligt kwam brengen, voor 't bederven:
Maar BRONKHORST, kloek van geest, als hy
Natuur met teekeninge en verven
Dus volgt, verdient, de doot ten spyt,
Te leven na zyn levenstydt.