De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 3/Theodoor Wilkens, Hendrik van Lint
| ← Jan Hakkert | De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen, deel 3 (1753) door Arnold Houbraken | Pieter van Anraat → |
[ 48 ]
Diergelyk een geval, als even verhaald is, gebeurde den Konstschilders THEODOOR WILKENS van Amsterdam, en HENDRIK VAN LSjabloon:As, Landschapschilder van Antwerpen in 't jaar 1711. Deze meer gewoon op sommige tyden des jaars eenige weken zig buiten Rome met teekenen naar bouwvallige Paleizen, Rotsen, Bergen en geestige Landgezigten bezig te houden; om zig door deze uitspanningen te verlustigen: hadden zig begeven tot Ronsieglone 42. Italiaansche mylen buiten Rome 't geen zy ten voorwerp verkozen om af te teekenen aan dien kant van de oude Stad, die bouwvallig en op een Rots gelegen hun teekenagtig voorkwam.
De tekenaars zetten zig op een bekwamen afstant neer, met hunne Portefolien, en Kapersol boven hun hoofd voor 't steken van de Zon. Zy waren [ 49 ]vast bezig om de voorwerpen met toetsen in hun ruim beslag af te schetsen als zy van de genen begluurt werden, die kort by hen aan de wasbakken, die onder aan den Berg by 't water stonden, af en aan naar de Stad gingen, en daar het kwaad vermoede dat zy hadden verspreiden; waar op straks een menigte van menschen zig op de oude en nieuwe vestingen deed zien, die in grooter getal aangroeiden, zonder dat onze Teekenaars weeten of ramen konden wat zulx te beduiden had, als dat het uit nieuwsgierigheid (wyl zelden ymant van de Roomers zoo veer af ging teekenen) geschiede. Wat gebeurt 'er? Een Huis dat dicht aan den wal stond stort in, en kuitelt van de rots met groot gedruis naar beneden, waar door nog een mulders huisje dat aan den gemeenen weg stond beschadigt werd. Dit versterkte te meer hun dwaze verbeelding, hun door gemelde aanbrengers ingeboezemt dat zy Toovenaars waren die door de kragt der tooverletteren en bezweringen hun Stad tragten te verdelgen, waar op al het Volk als in eenen oploop uit de Stad naar hen toe zette, scheldende en razende op hen, als wilden zy hunne Stad door tooverkonst en bezweringen omwerpen en de Inwoonders verwoesten, nemende dit onverwagte instorten van gemelde Huis tot hun voordeel zeggende: Dat het geen wonder was dat het zelve neerstortte; aangezien die oude muragien de kragt der Duiveltjes indringende tusschen de voegen der steenen niet wederstaan konden. En 't was hun behout dat WILKENS, VAN LINT, die het op een loopen wilde stellen, zulks afried, en hun geluk dat de Gerechts-Dienaars meê onder den drom des Volks ter Stad uitgeloopen de handen aan hun [ 50 ]sloegen, en dus de woede des Volks beletten. Deze bragten hen gevangen ter Stad in over het marktplein, 't welk grimmelde van Volk dat hun naschreeude. Toovenaars Toovenaars, tot het huis van den Gouverneur dier plaats; voor wien zy haast hun onschult deden blyken, en zien dat het bygeloof de grond tot dusdanigen oproer geleit had; Waar op zy werden vry verklaart, en de oproerigen gestilt, dog niet zoo of hun wierd (wanneer zy den volgenden dag met een post Chaise uit hun Herberg vertrokken) van velen Toovenaars. Toovenaars, nageroepen.