Naar inhoud springen

De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen/Deel 3/Tusschenrede: nutbaarheid der Schilderkonst

Uit Wikisource

[ 271 ]
Met deezen sluiten wy het Toneelgordyn, voornemens om den Lezer, door een zedig vertoog, de nutbaarheid der Schilderkonst, als in een spiegel, te doen aanschouwen.

De maker van 't heel Al heeft de Natuur een vermogen ingeplant, om menigvuldige ontelbare, in vorm en koleur verschelende Schepsels voort te brengen, en elk der zelve op hun tyd te doen [ 272 ]verschynen voor d'oogen der menschen; om dat zy zig in die menigerhande aangename verschynselen zouden verlustigen, uit het veroorzaakte, de oorzaak der dingen na sporen, en de verwonderlyke wysheid van den Schepper in de schepselen verheerlyken.

En op dat de verwondering, die, na dat men de dingen kent, ophoud, niet om dat zy dan min van waarde zyn, maar om dat de nieusgierigheid staag naar verandering zoekt, niet zoude ophouden, heeft de Natuur de voortbrenging der zelve tot onderscheiden tydstanden bepaalt, en in zoo menige veranderingen verdeelt dat de verwondering altyd blyft; aangezien zy alle die schoone vertoonselen niet teffens, maar by beurtwisseling na den anderen doet verschynen.

Wanneer ik nu de Schilderkonst aanmerk als naaapster van de natuur, leid my die aanmerking straks op den weg om de verschillige geneigtheden der Konstoeffenaaren, omtrent de veranderlyke keur, en verkiezing hunner voorwerpen, na te sporen, welke zekerlyk door een verborgen werking (waar van de wyze en ons bekend is) daar toe worde bestiert.

Dit begrip zal min vremt geschat worden, wanneer men uit klare bestempelingen ziet, dat des waerelds Bouwheer (op dat de cieraden van zyn Heyligen Tabernakel konstig met lofwerk zouden geborduurd worden, als ook het Hoogepriesterlyk gewaad, en kruiken, voorts alle toerustingen tot den Godsdienst behoorende konstig gewrogt zouden worden) Bezaleel en Ahaliab op een boven gewone wyze met den Konstgeest overstort heeft, en bekwaam gemaakt tot allerhande Konstwerken, gelyk Moses dit aangeteekent heeft in het [ 273 ]Boek des Uittochts, in het XXX Hoofdstuk. Op zulke wyze gelooven wy ook dat de Propheet Ezechiel de teekenkonst geleert heeft, waar door hy, op een Tichelsteen, een grontbewerp van de Stad Jeruzalem, en de beschansingen der vyanden, met hun Stormgereetschappen, afschetste. Zie Kap. 4.

En gelyk de Natuur tracht naar de volmaaktheid die de Schoonheid maakt, zoo hebben ook menigte Konstoeffenaars van ouds af, en nog getragt de Natuur in hare verbeeldingen zoo na te komen als hun immers door 't penceel doenlyk was, waar door het des te meerder verwonderinge baart voor den aanschouwer. Ja men zou ook mogen denken, dat de zugt tot het verbeelden van verschillige voorwerpen, inzonderheid zulke welke kort van duur zyn, ook door een verborgen werking bestiert word; op dat door de Konst de dingen, wanneer de Natuur zig inhout, zouden konnen gezien worde, en dus den opmerkenden door zulke beschouwingen nooit voorwerpen ontbreken, om den Schepper in die wonderlyke veranderingen der schepselen als in een spiegel te beschouwen.

Onder alle Schepselen der Waereld munt des menschen Beeld, inzonderheid dat van de Vrouwe, uyt, in welker maatschikkelyke omtrek van ledematen een volmaakte schoonheid opgesloten leit. Deze in vele voorwerpen verdeelt, en door stadig yveren van vernuftelingen, in een enkel voorwerp samen gebragt, doet ons verwondert staan, en't'effens besluiten: dat het eerste geschapen vrouwenbeeld, wanneer het versch uit de hand des Scheppers hervoort kwam, volmaakt schoon zal geweest hebben, van welke [ 274 ]bedenking de groote Joost van den Vondel meê niet vreemt was, als hy de schoone stal van Eva, door Apollion, (in zyn Tooneelspel van Lucifer) zoo aanminnig afschildert, dat de Hemelboo zelf, op dat schoone beeld verslingert. Adam dit geluk misgunt. Hoe de Dichter aan dit begrip komt dat hy Engelen, enkel geestelyke wezens, menschelyke neigingen, hartstogten, en lichamelyke hoedanigheden en bedryven toevoegt, daar de schrift van zwygt, dat laat ik daar. En schoon hier omtrent een misvatting is, nogtans word volgens den zwier der Dichteren, door het bycieraad het voorname, te weten Eva, te kragtiger, en met meerder luister vertoont. Ten minsten js het zo eigen aan de Historie als dat een Tempelier voor alle toehoorders zeit: Ende Adam ontwaakt uit den slaap, ziende Eva, dagt by zig zelven, dit is recht een kolfje naar myn hand.

De mindere Schepsels die in ontelbare getallen zig op het Waereldrond, in de lucht en de Wateren vertoonen, hebben meê hunne meer en minder schoonheid, in Stal en Koleur: en de Konstenaars, die de zelve natuurlykst en welstandigst hebben weten te verbeelden, hebben den grootsten roem behaalt, als in 't verbeelden der Wilde Dieren R. Savry en Jan Hendrik Roos.

In Jachtdieren P. Snyers, en Ab. Hondius,

In 't verbeelden van Slachtdieren N. Berchem, P. Potter, Adriaan vanden Velde, Jacob en Sim, vander Does.

In Paarden Phil. Wouwerman, H. Verschuring.

In Vogelen Melchior de Hondekoeter, en Adriaan van Emont.

In Vissen, Izaak van Duinen. [ 275 ]

Welke alle en elk in 't byzonder natuurlyk en Konstig verbeeld, het oog des aanschouwers niet alleen verlustigen, maar de zelve ook verwondert doen staan over de menigvuldige veranderinge der Schepselen, en hunne verwonderbare verschillige samenstellinge hunner ledematen. Zelf deze aarde is op verscheiden plaatsen van verschillige gestalte en vorm.

Daar is zy met een wyde uitgestrekte vlakte, die de Lantman met het kouter doorploegt op hoop van een ryken graanoegst: gins met diepe valeyen, daar de Echo met dubbele klanken het geluit nabaaut. Elders ziet men steile bergen die met hun kruinen tot de starren schynen op te groejen, beplant met boomen van allerlei stal, en gedaante van loof. De Eyken die eeuwen verduuren. Linden die met hunne digt getroste kruinen, ten schuil strekken voor Veldeling en zyn blaetend Vee om onder te schuilen voor 't brandende kreeftvuur, trotse Ceders die oudtyds Libanon cierden; Cypressen en dergelyke meer hebben hunne nabootsers by menigten onder de Konstoeffenaars zoo hier als elders van tyd tot tyd gevonden. En geen wonder. Israëls Harpenaar heeft de voorzorg van den Almachtigen daar in bespiegelende, waardig gedagt daar aan te gedenken in zyn 104 Tempelgezang, gevolgt van H. Dullaart aldus:


Zie ik de hooge Bergen aan,
Gy drenkt haar lommerryke toppen,
Waar om de Wolken weem'len gaan,
Met verschen douw of regendroppen.
Des morgens als de starrenroem,
Zoo schoon uit 't oosten aan komt brallen,

[ 276 ]


Dan laat gy in een yder bloem
Gesmolten diamantjes vallen.

Dus is 't ook met de stille Wateren, en woeste Zee, zelf daar zy in haar meeste woede en oploopentheid, de rotsen en zantduinen met stoot op stoot rammeit, en den Landman voor een geweldige overstrooming doet beven. Waarlyk die in alzulke verbeeldingen zyn opmerkingen wat veerder doet weiden als op de bloote Konst van het geschilderde tafereel, en zig in bespiegelingen met den naaukeurigen Oordeelaar van Balthazar Gratiaan. Spaans Jesuit, nederzet op een rots, van waar hy beschout de gevankenis, waar in de Zee word besloten, en hoe dit verschrikkelyke monster zoo gerustelyk omringt word van zoo zwakke palen, en wederhouden door zoo zagten toom als het zant, en het Aartryk geen andere muuren heeft dan de stranden tegen dien woelenden vyant, ziet hy de Goddelyke voorzorg daar in uitblinken, en besluit: Is deze uitwerkinge of dit veroorzaakte zoo wonderbaar, hoe verwonderlyk moet derzelver oorzaak in zig zelve wezen?

Inzonderheid wanneermen met onzen puikdichter in 't zelve koorliet, de zelve beschout met te rugdenking op haar grondbeginzel, aldus:


De waat'ren als een mollig kleed,
Die op haar rand verspreit vast ruisten,
Met losse golven wyd en breed
Rontom de hooge bergen bruisten.
Gy spraakt maar slegs een enkel woord,
De Zee die deisde in haare stranden,
Zoo ras uw adem was gehoort.

[ 277 ]

De gemeene menschen (zeit Ant. de Guevara) aanschouwen de dingen alleen om hunne oogen te verlustigen; maar de wyze doorzien dezelve, om de verborgenheid daar af te weten.

Wend men het oog van het nare Zeestrant tot de grazige Beemden, groene Waranden, en Lusthoven welker grond als met een bloemtapyt overspreit is, dat aan alle kanten een oegst van geurige bloemen vertoont, alle onderscheidentlyk en konstig door de natuur met allerhande koleuren beschildert, ieder voorwerp is een verwonderenswaardige zaak. Ik was byna verdwaalt (zeit Andrenius, in den Oordeelaar van Gratiaan) in dezen aangenamen Doolhof der verwonderlykheden. Aan alle kanten plukte ik bloempjes, getrokken door haar aangenamen geur en glans. Ik plukte een voor een, en maakte een naauwkeurige ontleding van hare zamenstelling.

Zeker die zulke veld- en tuincierselen te gering achte om door het konstpenceel verbeeld te worden, zou zig tegens het begryp van Koning David kanten, die op zyn zilvere harpsnaren Godt de voorzorg daar over toeschryft, aldus:


Gy laat de Bronnen langs een padt,
Zeer heim'lyk door de bergen vlieten,
Om zoo den schoon' maar vluggen schat
Der Bloemryke akkers te begieten.

Tot het verbeelden van deze aangename voorwerpen heeft de Konstgodes al van ouds af hare scholieren gevleit, op dat een aandagtige beschouwer, behalven de Konst van 't nabootsen dier schoonheden, t'effens zig ook verwonderen zoude over het onbegrypelyk vernuft van haren maker. [ 278 ]

De voornaamste nabootsers van deze cierlyke verschynselen, die, wanneer de Lusthoven met ys en sneeuw bedekt zyn, dezelve door de penceelkonst in den zelven luister en schoonheid herschept, in de Konstkabinetten doen zien, zyn oudtyds Jan Breugel. Dan. Segers, naderhand Ev, van Aalst, vander Elst. Jan en Korn, de Heem, en andere hunne tydgenooten geweest. Thans (behalven Juff. Ruisch, anders Pool, waar aan wy voorheen gedagt hebben) munt uit de Konstschilder Jan van Huisum.

Ik ben tot geen keurmeester gestelt, maar neem egter de vryheid om te zeggen: dat de twee laatste de eerst gemelde in Konst zoo veer overtreffen als het daglicht in helderheid de maneschyn. Verder moet ik niet gaan, 'k vermag 't ook niet te doen, uit hoofde van het eng bestek 't geen ik my zelf in opzigt van de nog levende Konstenaars en Konstenaressen heb voor gestelt, te weten hun brave Konst alleen de Waereld voor te dragen, zonder daar van te oordeelen, of eenige vergelyking van des eenen met des anderen Konst te maken. Indien ik zulks had ondernomen, 'k had wis den haat en tegenspraak niet konnen ontgaan; daar ik nu in tegendeel zulke menschen die genoegen in hun eigen doen scheppen in die verheuging niet stoor, maar ieder in zyn yver, en naar mate van zyn penceels vermogen prys, waarom ik ook allen die my voorgekomen zyn, zonder eenig onderscheid daar in te maken, op hun tyd heb geboekt, en in mynen Schouburgh der Konstschilders en Schilderessen plaats vergunt, tegens het begryp der Thebaners. Want binnen Theben werd op de Schilders zoo [ 279 ]naauw agt genomen, dat'er geene mogten binnen de muuren banken, dan die uitsteekende geesten waren, en een roemruchtigen naam hadden: ja die gene, welke eenige botte of onverstandige Tafereelen maakten, vervielen in een zware boete, of moesten de stad ruimen: want de overheid wilde niet gedogen dat de eene Ezel voor den anderen zou zitten te kladden, en een edelgeagte Konst niet vuil besmeerde doeken in 't voetzant helpen.

Zeker eene al te strenge wet, en die in een land waar yder vry is geen grond vint. Vry, in opzigt dat yder doen mag met het geen zyn eigen is wat hy wil, zoo het niet tot schade van anderen strekt: gelyk het dus gelegen is met zulken die uit genegenheid tot de Konst het penceel voeren, schoon zy altyd als het veil in de laagte kruipen; om dat zy een goede leiding missen om hen op te beuren: of in het warnet van hunne verbeelding blyven hangen. Schoon men zulk yveren voor vrugteloos uitkreet, wat kan 't helpen, of wat regt heeft men daar toe? daar 't hun eigen doeken zyn die zy bekladden. Daar en boven kan 't gebeuren dat de minst bedreven in Konst het zelve genoegen in zyn doen vind als de meest bedreven, en zyne verdiensten met de elle van blinde eigenliefde breed uit meet. Nu kan ligt afgenomen worden hoe breed hy daar by staan zou, die zig ondernam als Keurmeester te oordeelen wie in de Konst boven streefde, en hem d eerkroon op 't hooft plantte. Zeker ik hou myn handen't'huis, en laat Flora met de veltnimfen over de bloemkrans twisten. Volg dit rym, lezer, en gy zult met my het besluit aan 't end goed keuren. [ 280 ]

Juist als de lieve Lente een schoone veltlievrei
Had aangetoogen, om de aanlokkelyke Mei
In Floraas bloemprieel vol vreugts te wellekomen,
Daar 't westewindje speelde al zagtjes door de boomen,
Verscheen 'er in het wout een herderinnestoet
Die dartelende in 't groen, verheugt en wel te moed
Festoenen vlochten om het veltaltaar te cieren
Der Bloemgodes, wier feest ze al dansend wilden vieren.
De nimfjes springen, zaam verblyt, door 't jeugdig kruit
Op 't juichend feestmuzyk van rinkelbom en fluit,
Tot dat zy wat vermoeit in schaduwe der Linden,
Zig nedervlyn om een luttel rusts te vinden,
Alwaar ze een bloemekroon ontdekken in het gras,
Als of die [1]door Glicere oudtyds gevlochten was.
Zoo geestig wist de kunst de bloemen te schakeeren;
Vrouw Venus mogt ze aan haar' Adonis vry vereeren.
Elk vat dit bloemkleinood met zuivre vingren aan.
De Bloemgodes bleef zelf als opgetogen staan,
Koomt, roept een nimfje, laat ons dit den Tuingod schenken,
Een ander: laat ons hier de hofjeugt meê bedenken,
Die is het waardig; maar vrouw Flora keurt dit af.
Aan wie men dit juweel als heilig overgaf,
Het geven aan Priaap zoude ik geensins gehengen:
Zoo zegt ze, de offervlam zou 't frisch gebloemte zengen.
En schenke ik 't aan de jeugt, 'k vrees haar onagtsaamheid.

[ 281 ]

Zy zou 't mishande'len, 't geen dan vruchtloos wierd beschreit.
Het veiligst is dat wy 't den schildergeesten wyden.
Die, die vereeuwigen myn schoonheid t' allen tyden.
Wat godheid is 'er die my meerder gunst bewyst?
Schoon al wat adem heeft myn' schoonheid viert en pryst.
Zelfs als de wintervorst het Aertryk houd bevroozen,
Zie ik gebloemte en kruid nog even jeugdig bloozen
Op 't dierbaar kunstpaneel, dat elk die 't ziet verbaast,
Zoo leevendig dat zelfs het bietje daar op aast.
Dies wilt u naar myn keur, en billik oordeel voegen.
Ik schenkze aan d'eed'le Konst, maar om alle ongenoegen,
Te myden, wie ze zal verkrygen, laat zulks aan
Die zig den waartsten schat in Konst van schild'ren, staan.
Wie dan natuur best weet in haar gedaante en zwieren
Te volgen, mag zyn kruin met dezen krans vercieren.

  1. Glicere, Huisvrouw, of beminde van Pausanias.