De Katholieke Illustratie/Jaargang 1/Nummer 5/Het oordeel Gods over een vervolger der kerk
| ← Goudmijnen in Australië | Het oordeel Gods over een vervolger der kerk (1867) door onbekend auteur
De Katholieke Illustratie, jrg. 1, nr. 5 (1867), p. 39. |
Datums → |
| Uitgegeven in 's-Hertogenbosch door Administratie van de Katholieke Illustratie (uitg. door Henri Bogaerts). |
HET OORDEEL GODS OVER EEN VERVOLGER DER KERK.
Het is eene treurige maar zekere waarheid, dat God gewoonlijk reeds hier op aarde de magtigen slaat, die het wagen de Kerk of haar Opperhoofd aan te randen. Op een tal van bladzijden bewijst zulks de geschiedenis. Het is dus niet zonder reden dat vele vromen, medelijdende zielen vreezen voor het lot der vorsten, die in onze dagen eene heiligschendende hand hebben uitgestoken naar de Kerk en Christus verheven plaatsbekleeder.
De Romein Galerius, tot de keizerlijke waardigheid verheven, bediende er zich slechts van om de wereld met een tal van jammeren te overdekken; ofschoon zijne natuurlijke wreedheid onder alle rangen en standen der maatschappij slagtoffers zocht, scheen hij den christenen ziin bittersten haat toegezworen te hebben; hij beval eene vervolging door al de staten van zijn onmetelijk rijk en schonk de weinige erkentenis, waarvoor zijn hart vatbaar was, aan die landvoogden, welke de christenen het gruwelijkst folterden; in zijne omgeving martelde en moordde hij waar hij kon; hij deed uit de Afrikaansche woestijnen verscheurende dieren, die hem naauwelijks in bloeddorst evenaarden, naar Rome voeren en gaf hun de christenen tot voedsel; als de monsters de martelaren in stukken scheurden, kende zijne vreugd geen palen. Om niet altijd hetzelfde schouwspel te hebben, bedacht hij verschillende folteringen; sommigen liet hij kruisigen, anderen levend begraven, nog anderen op een langzaam vuur roosteren.
God sloeg Galerius in het achttiende jaar zijner regering met eene ongeneeslijke wond; op zijn ligchaam vertoonde zich een gezwel, dat weldra eene groote uitgestrektheid verkreeg. Verscheidene ligchaamsdeclen werden afgezet, doch hoe meer de geneesheeren sneden, hoe grooter vorderingen de afschuwelijke kanker maakte. Uit alle deelen der bekende wereld werden de beroemdste artsen ontboden; hunne pogingen waren nutteloos; hunne geneesmiddelen verergerden de ziekte, en allen moesten bekennen dat tegen haar de menschelijke kunst niets vermogt. Toen nam de ongelukkige zijne toevlugt tot zijne afgoden; hij smeekte de hulp van Apollo en Esculaap af; de eerste gaf een geneesmiddel, maar het deed den kanker toenemen. De dood begon zich te vertoonen, want de ziekte naakte reeds de inwendige doelen: de geneesheeren verdubbelen hunne zorgen; zij vallen den vijand met alle hun ten dienste staande middelen aan, doch hij laat zich niet overwinnen; hij brengt een tal van wormen te voorschijn, die het vleesch van het gebeente knagen; een onverdragelijke stank verspreidt zich door het paleis, en Galerius, van pijn kermende, kan dien zelf niet verdragen; de geneesheeren leggen levende dieren op het ligchaam van den lijder, opdat hunne warmte de wormen tot zich lokke; ook de dieren worden door de wormen doorknaagd, maar het aantal, dat dc ingewanden van Galerius verscheurt, vermindert niet: inmiddels hebben de ledematen hun gewonen vorm verloren; daar, waar het ligchaam niet geopend is, zijn de knoken door een koperkleurig vel bedekt; de zoo wreede keizer vertoont slechts een afschuwelijk geraamte.
Deze vreeselijke ziekte folterde hem gedurende een jaar en deed hem eindelijk den waren God erkennen en inzien wat hij den Christenen gedaan had. In oogenblikken dat de pijn eenigzins verminderd scheen, verklaarde hij de godsdienst der Christenen te zullen herstellen, en werkelijk herriep hij het edikt, dat hen zooveel jaren gemarteld en verdrukt had.
Maar indien zijn berouw was als dat van Antiochus en Judas — waarvoor gegronde vrees bestaat — dan heeft de Heer er geen genoegen mede genomen en, om te toonen dat Hij niet met zich spotten of de Kerk eeuwig verdrukken laat, de tranen en het gekerm van Galerius versmaad en den vervolger der Christenen in zijne zonden laten sterven.