De Locomotief/Jaargang 69/Nummer 136/De roode vlam in de kunst

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
De roode vlam in de kunst
Auteur(s) H.
Datum Dinsdag 15 juni 1920
Titel De roode vlam in de kunst/ Een bolsjewistisch weekblad.
Krant De Locomotief
Jg, nr 69, 136
Editie, pg [Dag], eerste blad, [2]
Brontaal Nederlands
Bron delpher.nl
Auteursrecht Publiek domein

De roode vlam in de kunst.

Een bolsjewistisch weekblad.

      De Nieuwe Amsterdammer stelt zijn kolommen open voor van-bolsjewisme-aangedanen. In een der laatste nummers wordt in een „leader” kritiek geoefend op Nijpels’ heldere, objectieve verslagen in het Alg. Hbld, van hetgeen schrijver zag op zijn reis door Rusland en later van de toestanden in het Roergebied. De roode redactie neemt het den heer Nijpels kwalijk, dat deze zoo openlijk over de dingen sprak en o.a. bolsjewistische beesten ook als zoodanig beschreef en niet anders. Onze lezers, die eenige van Nijpels’ brieven in ons blad hebben kunnen lezen, zullen zich herinneren hoezeer de klare beschrijvingen en de stijl — steeds kenmerkend voor betrouwbaarheid — er op wezen, dat het den schrijver om niets dan voorlichting te doen was.
      Een beeld dat Nijpels geeft van den strijd in het Roergebied, wordt overgenomen. Het luidt:

      „Een man met een sabel aan een touw om zijn buik, een enormen veldkijker op de bloote borst, waarop een eenigermate onzedelijke jonge dame getatoueerd was, ontwikkelde een plan op beveltoon, waarin hij zooveel mogelijk strategische termen verwerkte. Zijn grootsch opgezette strategische manoeuvre vond evenwel slechts drie liefhebbers, hetgeen hem er niet van deed afzien om toch met zijn vieren te vertrekken.”

      Hierop volgt dan het commentaar van den hoofdartikelschrijver:

      „De onbeholpenheid, bravour, de rauwheid en willekeurigheid van zulke strategie mist de goede kansen, die het welgeordend overleg den legeraanvoerder schenkt.”

      Wel een schrandere kop moet het zijn, die zoo iets weet op te merken. Wij zouden den fijn zinnigen criticus echter willen aanraden zelf naar de Roer of waar-dan-ook-als-het-maar-gist heen te gaan om als legeraanvoerder in „welgeordend overleg” de rooden te leiden en ter overwinning te voeren. Hij onthoude er zich liever van, te spreken over werk als dat van Nijpels, hetwelk journalistiek te hoog staat, dan dat hij er de tendentieuze handen naar uitsteke.
      Volgt een artikel over dienstweigeraars. Over dienstweigeraars kan men kort zijn. Iemand die in de huidige maatschappij wenscht te verkeeren en er de voordeelen van geniet, moet er ook de bittere pillen van slikken of anders zich liefst geheel er van afscheiden en vestigen ergens „ver weg” en trachten te stichten een eigen maatschappij, gezellig onder elkaar, zonder leger, met niets dan adeldom van gedachten in de hoofden en liefde in de harten der leden. De zachtaardige, weekhartige schrijver van zooveel fraais over dienstweigeraars, roept ten slotte uit; „wij laten ons niet overdonderen.” Flink zoo. Mannentaal voor alles.
      Onder de streep staat een lezenswaard artikel over het wezen van het bolsjewisme, doch dit is uit Ueber Land und Meer overgenomen.
      Komt nog een geillustreerde studie over het schilderachtige en monumentale van de hand van Theo van Doesburg, waarin o. m. het werk van Piet Mondriaan wordt beschreven, welke schilder reeds zoo ver gevorderd is, dat hij klaarblijkelijk zijn hoogste uiting vindt in rechte lijntjes, in vierkante hokjes op papier, dat hij blijkens een bijgaande reproductie van een zijner kunstwerken, eerst voor het gemak volgens rechte lijnen heeft opgevouwen. We herinneren ons allen zulke dingen op de bewaarschool gemaakt te hebben. Toen ter tijd echter vond de jeugdige scholast aanmoedigende kritiek van bejaarde tantes vooral, nu staan dezelfde dingen — even droevige als brutale manifestaties van een verwordende samenleving — in een in het publiek verkocht weekblad. Andersen’s „de nieuwe kleeren van den keizer”. Wie het waagt te zeggen, dat zulk een kunstenaar” niets aan heeft, loopt gevaar, voor dom uitgemaakt te worden. Op gevaar af dan maar.
      Volgt een artikel over Arnold Schönberg, van den wekelijkschen babbelaar over muziek. Na al diens geschrijf der laatste jaren over moderne verfijning en hooge psychische muzikale kunst, gaat hij, schijnbaar zelf afkeerig wordend van al het ziellooze, halfslachtige, wat in deze jammerlijke dagen het bloedende Europa voornamelijk oplevert, terug op zijn eigen weg en hij zegt: „Onze drang gaat steeds meer naar een muziek, die de mysteriën van klank en klankverhoudingen zingt, een muziek, die een bloei is, een muziek, die haar innerlijk beeld klaar uitdrukt, als „de diepe, heldere namiddag in October” van Nietszche. Rust, als overmeesterde beweging. Vormen, die weer klassiek kunnen worden doordat zij de verlangzaming van tijd en ruimte gevoel geven, waarin het hoogste gevoel der zielsbeheersching wordt geconcentreerd als vereenvoudiging, bekorting, levensstijl.“ Niet dat dit duidelijk is in z’n gewild-diepzinnig en quasi-filosofisch, gewichtig betoog, doch duidelijk is het wel zonder meer, dat schrijver’s verlangen uitgaat naar een zingende muziek, d.w.z. naar echte muziek, muziek zooals ze gemaakt werd in een bloeitijdperk, dat achter ons ligt, een bloeitijdperk der muziek, dat overeenstemming vertoont met andere voorbije perioden van bloei voor bepaalde takken van kunst.
      Op een staaltje van de stylistische talenten des heeren P. Mondriaan hebben we onzen lezers reeds eer vergast. Er volgt ook nu weer wat van zijn hand, weer over de Parijsche boulevards. Een klein stukje van zijn ongelooflijk grappig-interessante mededeelingen drukken we hier af.

      „Het aesthetisch tot rust gestelde is kunst. Rust is noodzaak, kunst is noodzaak. Van daar ‘t woord dilettantisme. Beweging is noodzaak. Van daar de boulevard en ook de kunst. Dat kind daar kijkt naar de boulevard. Ook ik kijk. Parisienne. Ze hoort niet in de woestijn thuis, ‘t Een hoort bij ‘t ander. Waarom kan men nooit buiten „zijn soort“ gaan? Is ‘t dààrom zoo moeilijk „zijn soort“ te vinden. Parisienne. Officier. Kapitein. Parisienne. Parisienne alleen. Twee Parisiennes alleen. Waarom zit die vreemdeling daar alleen? Bloemen en verkoopster. De bloemen daar op die hoed zijn anders. Prentbriefkaarten, plans de Paris. De vreemdelingen zijn talrijk op de boulevard. De boulevard is internationaal. De taal nog niet. De taal blijft in veel wat achter, al is ze in veel voor. In letterkunde: waarom moet men aldoor om- en beschrijven? Een neger—de boulevard is internationaal. Niet alle internationalen verstaan elkaar. Er zijn veel godsdiensten te gelijk. Er is één mode tegelijk. Parisiennes—de een is als de ander, in kleeding en gelaat.“

      Het hoort misschien in de woestijn thuis. Of ook daar niet, om in zijn stijl te spreken. Dat er door kunstenaars in impressionistische of ultra-impressionistische of nog anderestische richtingen is gewerkt, dat sommige dezer kunstenaars in hun werk zijn geslaagd en vaak op deze wijze ontstellende, pregnante vizioenen leverden, die stellig tot het terrein der kunst hooren (zie van Deyssel’s Apocalyps en andere soortgelijke scheppingen) dat alles hoeft voor iemand als Mondriaan toch geen aanleiding te zijn om z’n buitengemeen dwaas gebrabbel, dat bovendien geen enkel persoonlijk cachet draagt, als kunst uit te geven en te laten drukken in een weekblad, zelfs niet in een bolsjewistisch. De grens van het belachelijke heeft hij reeds verre overschreden, waar hij Bollandistische fraseologie gaat aanwenden. Zooals bij voorbeeld hier:

      In de kerk regent ’t niet. De boulevard is open, de kerk gesloten. Is ’t daarom zoo koud in de kerk? Op een schilderijen tentoonstelling in ’t Grand Palais was ’t laatst ook zoo koud. In de Metro vinden de menschen ’t weer een beetje tè warm. L’Intransigeant, La Liberté, Le Populair. Klinkt anders als Les Rameaux op Réveillon. In de caleidoscoop zien we aldoor àndere dingen. Is alles, au fond, zoo ànders? Of is ’t èèn, op zijn tijd, ’t andere? Op de boulevard volgt ’t een ’t andere op, maar ’t gaat ook in ’t andere op. Een stille maannacht geeft meer de gelegenheid tot alles. Toe. toe. Ook de auto kan de gelegenheid tot alles geven (binnenin).

      Zelfs tot dergelijke gewild-naïve, doch in derdaad uiterst misplaatste boulevard-grapjes, meent de schrijver z’n toevlucht te moeten nemen.
      Met teleurstelling, doch zonder een zweem van verbazing, missen we den laatsten tijd Charivarius’ geestige, in echten humor gedrenkte invallen, die de eenige oorspronkelijke en tegelijk leesbare copie zouden gevormd hebben.

H.