De Maasbode/Jaargang 18/Nummer 2848/Staten-Generaal
| ‘Staten-Generaal. Tweede Kamer. Zitting van Donderdag 4 Maart’ door een anonieme schrijver |
| Afkomstig uit De Maasbode, zaterdag 6 maart 1886, [p. 2]. Publiek domein. |
STATEN-GENERAAL.
Tweede Kamer.
Zitting van Donderdag 4 Maart.
Ingekomen een wetsontwerp, houdende conversie van de 4 pCt. in 3½ pCt. Nationale Schuld.
De heer Mees brengt rapport uit over de geloofsbrieven van den heer Ruland, nieuwbenoemd lid voor het district Maastricht. Wordt besloten tot toelating. De heer Ruland wordt beëedigd en neemt zitting.
GEVANGENISWEZEN.
De beraadslaging wordt voortgezet over het wetsontwerp tot vaststelling der beginselen van het gevangeniswezen.
Art. 8 luidt: „De veroordeelden in de strafgevangenissen en in de huizen van bewaring ontvangen in den regel gedurende de twee eerste etmalen van hun straftijd niets anders dan water en brood.”
De heer Van Gennep heeft voorgesteld den aanhef van dit artikel te lezen: „Bij hechtenis van drie dagen of minder ontvangen de veroordeelden, die hun straf in gemeenschap ondergaan, enz.”
De heer A. Mackay heeft voorgesteld het artikel aldus te lezen: „Bij hechtenis van drie dagen of minder ontvangen de veroordeelden gedurende de twee eerste etmalen van hun straftijd niet anders dan water en brood.
Hiervan zijn uitgezonderd de veroordeelden:
1o. die daarvoor na geneeskundig onderzoek ongeschikt blijken te zijn;
2o. die, ingevolge art, 25 van het Wetboek van Strafrecht, de hechtenis ondergaan in een gesticht, bestemd tot uitvoering van gevangenisstraf.”
De heer Mackay licht zijn amendement toe.
De heer De Vos van Steenwijk zegt dat de comm. van rapp. zich met het amend. niet kan vertenigen.
De heer Van der Kaaij geeft aan laatstgenoemd amendement de voorkeur boven dat van den heer Van Gennep en het regeeringsartikel.
De heer Van Baar gelooft, dat het stelsel der regeering de voorkeur verdient boven de beide amendementen.
[De heer] [onleesbaar] [billijkheid om ter zake?] van subsidiaire gevangenisstraf wegens politie-overtredingen nog de straf van water en brood te geven en stelt voor deze meestal arme lieden van den gewonen kost te voorzien.
De heer De Vos van Steenwijk bestrijdt nader het amendement Mackay, daar het geneeskundig onderzoek aanleiding zou geven tot ontduikingen.
De heer Van Gennep verdedigt nader zijn amendement.
Den heer Buma doet het leed, dat men zoolang heeft geredetwist over eene straf, die de oude rechtspleging in het geheugen roept, en spr. zou zich schamen zijne stem aan het artikel te geven.
De heer De Savornin Lohman zegt, dat in het bezwaar van den heer Heldt wordt voorzien door art. 22 van het strafwetboek, waarvan men z. i. de werking kan afwachten. Spr. acht dus nog het artikel, noch een der amendementen noodig.
De minister van justitie verdedigt het voorgestelde artikel. Tegen het amend.-v. Gennep heeft de min. een juridisch bezwaar; de rechter zou er door geïnfluenceerd worden; er is ook nog een practisch bezwaar tegen. Spr. acht het amend-Mackay onnoodig, daar het artikel uitzondering op den regel toelaat.
Na repliek van den heer A. Mackay, die in zijn amendement nog een wijziging brengt in dien zin, dat het artikel zal slaan op alle tot hechtenis veroordeelden, — wordt dit amendement verworpen met 30 tegen 28 stemmen.
Het amend. van den heer Gennep wordt verworpen met 40 tegen 9 stemmen.
Het artikel 8 wordt aangenomen met 46 tegen 16 stemmen.
Art. 9. De pistole bestaat alleen in de huizen van bewaring en in éen strafgevangenis.
De heeren Lohman en Van der Kaay hebben voorgesteld de laatste vier woorden te doen vervallen.
De heer Van der Kaay licht het amendement toe.
De heer De Vos van Steenwijk zegt, dat de Comm. v. Rapp. zich met het amend. niet kan vereenigen, omdat men daardoor wil voorkomen het mogelijk misbruik van het recht van gratie.
De minister van justitie vereenigt zich met het aangevoerde door den vorigen spreker.
De heer De Savornin Lohman gelooft, dat aanneming van het artikel, zonder verandering, aanleiding zal kunnen geven tot vele knoeierijen. Na hetgeen in den laatsten tijd hier te lande geschied is, is het een bespotting voor een strafgevangenis om de pistole te behouden. Overigens zou hij in elk geval die gevangenis zeker niet in Den Haag willen, omdat daar vooral allerlei invloeden werkzaam zijn.
De heer De Vos van Steenwijk is het met dit laatste eens, doch de Comm. v. Rapp. heeft de zaak voorgesteld naar aanleiding der rapporten van de collegiën van regenten over verschillende gevangenissen.
De min. van justitie had bedoelde strafgevangenis slechts in den Haag willen hebben, opdat zij onder zijn onmiddellijk toezicht zou kunnen staan.
Het amend. wordt aangenomen met 38 tegen 23 stemmen.
Art. 9 wordt hierop goedgekeurd even als de artt. 10—12.
Art. 13: „Veroordeelden in de huizen van bewaring kunnen tot het verrichten van huisdienst worden verplicht.”
De heer Van Gennep meent, dat men door dit art. in strijd zou komen met art. 20 van het Strafwetboek.
De heer Savornin Lohman ondersteunt hetgeen door den vorigen spreker is gezegd; hij meent ook dat door het regeeringsartikel implicite verandering gebracht wordt in de strafpolitie van het Strafwetboek.
De heer De Beaufort verdedigt het artikel en ziet volstrekt niet in hoe hierdoor inbreuk op art. 20 van het Strafwetboek wordt gemaakt.
De min. van Justitie verklaart, dat het artikel niet in strijd is met het beginsel van art. 20.
De heer Kist is tegen het artikel.
Het artikel wordt verworpen met 36 tegen 27 stemmen.
Art. 14 bepaalt dat het arbeidsloon der gevangenen verdeeld wordt in uitgaanskas en cantinegeld.
De heer De Vos van Steenwijk stelt voor om dit laatste woord te vervangen door zakgeld.
Na een korte discussie hieromtrent wordt het amend. aangenomen met 56 tegen 4 stemmen.
Art. 14, 15, 16 en 17 worden goedgekeurd.
Art. 18 luidt aldus:
Behalve in de gevallen, waarin door Onzen minister van justitie tot afwijking wordt gemachtigd, is het onderwijs in de gevangenissen en Rijkswerkinrichtingen beperkt tot het onderricht in lezen, schrijven en rekenen aan gevangenen of verpleegden, die den leeftijd van 80 jaar nog niet hebben bereikt.”
De commissie van rapporteurs stelt voor het artikel aldus te lezen:
„Onderwijs in lezen, schrijven en rekenen wordt als regel, behoudens persoonlijke uitzonderingen, gegeven aan de tot vrijheidsstraf van meer den drie maanden veroordeelden, die den leeftijd van 40 jaar nog niet hebben bereikt.
„Voortgezet en vakonderwijs kan naar de behoefte, in verband met den persoonlijken aanleg der gevangenen en verpleegden, worden verstrekt.”
De heer De Beaufort licht dit amend. toe.
Nadat enkele sprekers hierover het woord hebben gevoerd, neemt de minister van justitie het amendement der Comm. van rapp. over.
Door den heer De Ranitz wordt thans als amend. voorgesteld de 1e alinea van het door de regeering van de Comm. van rapp. overgenomen artikel aldus te lezen:
„In de gevangenissen en Rijks-werkinrichtingen wordt onderwijs in lezen, schrijven en rekenen als regel, behoudens persoonlijke uitzonderingen, gegeven aan de tot gevangenis of hechtenis van meer dan drie maanden veroordeelden, die den leeftijd van 40 jaren nog niet hebben bereikt.”
De heer Van der Kaay meent, dat het beter is de woorden „gevangenis of hechtenis” weg te laten, omdat het artikel dan zal slaan op alle gevangenen.
De heer De Ranits vereenigt zich met die wijziging en verandert in dien zin zijn amendement.
De heer De Beaufort zegt, dat de Commissie van rapporteurs zich nu met het amendement vereenigt.
De minister verklaart het over te nemen.
Art. 18 wordt hierop goedgekeurd.
Door de heeren Van Gennep, Vos de Wael, De Beaufort en De Vos van Steenwijk is voorgesteld tusschen de artt. 18 en 19 het volgend artikel te voegen:
„In de gevangenissen en Rijkswerkinrichtingen wordt gelegenheid verstrekt om godsdienstonderwijs te geven.”
De minister van justitie neemt het amendement over, waarna het artikel wordt aangenomen.
Art. 19: „Behoudens uitdrukkelijke vrijstelling namen de gevangenen en verpleegden aan de godsdienstoefeningen, die te hunnen behoeve worden gehouden, deel.”
Door de heer De Vos van Steenwijk is als amendement voorgesteld bij dit artikel de volgende alinea te voegen:
„De vrijstelling wordt steeds verleend, wanneer ze op grond van gemoedsbezwaren gevraagd wordt.”
Dit amendement toelichtende, zegt de voorsteller dat dwang tot uitoefening of bijwoning van godsdienstige plechtigheden met de volkomen vrijheid van godsdienstige belijdenis onvereenigbaar is.
De heer Van Gennep zegt, dat de comm. van rapp. zich niet met het amend. vereenigen kan. Nu wil hij geenszins iemand tegen zijn gemoed in dwingen, doch daarom wordt het ook overgelaten aan de directie van de gevangenis, want het gaat niet aan, de zaak over te laten aan de gevangenen zelf.
De heer Van Wassenaer Catwijck zegt, dat het verplicht aanhooren door de gevangenen van iets, dat hen tot hoogere gedachten kan brengen, zelfs bij den meest verstokte iets ten goede kan uitwerken; spr. heeft daarvan de voorbeelden gezien.
De heer Donner vereenigt zich geheel met het amend. van de heer De Vos. Men moet de menschen niet tot godsdienst dwingen; men moet de vrijheid handhaven ook in de gevangenissen.
De heer Schaepman verklaart zich tegen het amend. Het heeft een gevaarlijke zijde, nl. dat het op grond van een zeer vaag, rekbaar woord een stellig recht toekent aan hem, wien men ook ander recht ontzegt. Wie zal zeggen wat gemoedsbezwaren zijn; wie zal er over uitspraak doen? Zal het zijn de commissie van regenten, de directeur of cipier der gevangenis?
Door aanneming van het amend. geeft men in plaats van vrijheid losbandigheid.
Overigens, als er werkelijk gemoedsbezwaren zijn van heiligen aard, zij zullen zeker geëerbiedigd worden. Als Katholiek kan spr. nimmer tot aanneming van het amend. medewerken. Het bijwonen van de H. Mis is verplichtend; ieder huisvader is daarvoor verantwoordelijk voor zijn huisgenooten, en hier treedt de Staat in de plaats van den huisvader.
De heer De Beaufort komt op andere motieven tot dezelfde conclusie. Z. i. is het amend. niet op zijn plaats in het regeeringsontwerp. Daarbij komt, dat velen gemoedsbezwaren zullen voorwenden, om werkelijk de leeraren te traiteren.
De heer De Savornin Lohman verklaart zich voor het amendement op de gronden van den heer Donner.
De heer Gleichman stelt voor de beraadslagingen te sluiten.
De heer De Vos van Steenwijk zegt, dat man ten eenemale dwaalt, als men meent, dat zijn amend. wordt ingegeven door geringschatting van de godsdienstoefening in de gevangenis; hij blijft er bij, dat het verplicht bijwonen in strijd is met de Grondwet.
De minister van justitie bestrijdt het amend. Hij ontkent ook dat art. 164 der Grondwet hier kan worden ingeroepen, terwijl de redactie van het artikel volkomen de vrijheid waarborgt van hen, die werkelijk gemoedsbezwaren hebben.
Wordt het amend. aangenomen, dan zal men komen tot voorwending van gemoedsbezwaren en de grootste moeielijkheden uitlokken.
De motie van den heer Gleichman, tot sluiting der beraadslagingen, wordt aangenomen met 39 tegai 14 stemmen.
Het amend. van den heer De Vos van Steenwijk wordt verworpen met 27 tegen 26 stemmen.
Het artikel wordt aangenomen met 54 tegen 15 stemmen.
De voortzetting der beraadslagingen wordt bepaald op Vrijdag te 11 uren.
De gisteren ingediende conversiewet is geschoeid op die van 1852. De regeering stelt voor, gedurende zekeren termijn, de houders van 4 pct. schuldbrieven in de gelegenheid te stellen hun 4 pct. tegen 3½ in te ruilen, en vraagt machtiging om, na verstrijken van dien termijn, de 4 pct. af te lossen en daartegenover 3½ uit te geven, tegen minstens 97 percent, terwijl ¼ percent provisie zal worden betaald. Feitelijk zal de nieuwe schuld dus à 96¾ worden uitgegeven.
De nieuwe schuld zal worden uitgegeven onder dezelfde bepalingen als voor de geldleeningen van 1878, 1883 en 1884 gelden. De machtiging tot conversie eindigt op 31 December 1887.
De besparing voor den Staat wordt geschat op 13 ton. De conversie zal niet geschieden in series, maar in eens.