De Maasbode/Jaargang 62/Nummer 22785/Avondblad/De nieuwe Scorel in het Centraal Museum te Utrecht

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
‘De nieuwe Scorel in het Centraal Museum te Utrecht. Aanwinsten’ door een anonieme schrijver
Afkomstig uit De Maasbode, zaterdag 16 november 1929, Avondblad, derde blad, [p. 1-2]. Publiek domein in de EU.


[ derde blad, 1 ]

DE NIEUWE SCOREL


In het Centraal Museum te Utrecht.


AANWINSTEN.

Men schrijft ons uit Utrecht:

Zooals wij hebben gemeld heeft het Centraal Museum te Utrecht voor een jaar van de Johan de Witt-Gallerles (New-York-Den Haag) in bruikleen ontvangen een belangrijk schilderij, gereproduceerd in onavondblad van 26 October j.l., dat als een Jan van Scorel is herkend. Het loont de moeite, na te gaan, waarop deze toeschrijving steunt. Het schilderij is voor Utrecht, waar meerdere Scorels bijeen zijn, van bijzonder groot belang en men hoopt dan ook dat het voor de bisschopsstad behouden zal blijven.

Deze „Beweening van Christus” moet door Jan van Scorel na zijn terugkeer uit Italië zijn gemaakt, naar schatting in het midden van de dertiger jaren der zestiende eeuw. De Italiaansche invloeden, van Michel Angelo, Rafaël, Mantegna, zijn duidelijk in dit schilderij te zien, maar hij heeft ze hier met veel meer zelfstandigheid verwerkt dan in vroeger werk; hij blijkt wel belangstelling te hebben voor verschillende oplossingen en stijlen der Italiaansche renaissance, maar hij voegt er ook veel eigens, hij voegt er ook primitiever elementen aan toe, en vat het geheel samen in een goede compositie. De kleur is fonkelend en hel, en wie voor coloriet gevoel heeft, herkent van Scorel’s palet, dat in de kleeding van grootere groepen van figuren altijd iets luids heeft, direct de typische kenmerken. Er zijn echter sterker argumenten.

Verscheidene werken van Scorel bevatten motieven die hij hier laat terugkeeren. De tegen de borst van Zijn moeder liggende doode Christus, met het sterk in verkort geschilderde gelaat, schijnt, behalve dat dit corpus aan Italiaansche sculpturen doet denken, wel een spiegelbeeld van de liggende figuur op de „Barmhartige Samaritaan”, in het bezit van Mevrouw Derkinderen. De twee vrouwen, die llnks-boven terzijde staan, keeren terug in de „Opdracht in den Tempel”, die te Weenen hangt en de Maria-Magdalena gelijkt sterk op die uit het Rijksmuseum te Amsterdam. Ook aan het schilderij in het Frans Hals-museum, de Dood van Christus, wordt men her en der herinnerd. Het minst wellicht kan men zich vergissen bij den donator, een kanunnik, in een met bont afgezette zwarte jas gehuld, waarover een dalmatiek is gehangen. Hij knielt tegen een fraai landschap, waarin men het Vaticaan aan de achterzijde ziet, en doet al zeer sterk denken aan de zielvolle, echt Nederlandsche koppen van de St. Jansridders.

De Nicodemus en de Jozef van Ayimathea, de laatste met een vaas of beker in de hand, roepen weer sterk Italiaansche herinneringen op, de ietwat gemaniereerde Maria Magdalena, met den fijnen kanten hoofddoek, en een merkwaardig oude, gebaarde Joannes, openbaren den knappen portrettist. Maar de madonna is een eigenaardig verstild en zeer zuiver moment in dit schilderij: een madonna die nog dicht bij de middeleeuwsche opvattingen staat, veel meer een figuur in de Nederlandsche traditie, dan een Italiaansche figuur, een innige en verdiepte beeltenis. Boven op den kruisberg zijn twee soldaten aan ’t werk. Zij schijnen de lichamen der moordenaars af te nemen. Deze partij is minder vaardig geschilderd dan de rest, een der twee soldaten heeft zelfs anatomisch zulke vreemde vormen, dat men aan werk van een leerling denkt.

Bij Kramm („De levens en werken der Hollandsche en Vlaamsche kunstschilders”) leest men o.a.: „Nog moet ik hier bijvoegen, dat onder de schilderijen in de St. Janskerk te ’s-Hertogenbosch, er ook een voorkomt, met dit onderschrift: „Insignis pictura de cruce depositionis Salvatoris altari St. Petri et Pauli Adriano Scorelio Canonico Ultrajectino autore” (Zie Fiorillo II. Einleitung LXXIX). Deze naam, zóó aangeduid, is bepaald die van Johan Scorel. Dit stuk is waarschijnlijk verloren gegaan.”

Misschien dat onderzoekingen te ’s-Hertogenbosch meer aan het licht zullen brengen.

In ieder geval bestaat er niet veel twijfel, of we hebben hier te doen met een fraalen Scorel, groot van formaat, en het is van belang dat het stuk in Holland, te Utrecht blijft.


Er zijn nog eenige andere aanwinsten die het vermelden waard zijn.

Sommigen schrijven aan Scorel toe een uitnemend, scherp-besneden mansportret, dat tijdelijk is afgestaan door den heer Fentener van Vllssingen. Het is een fraai portret, maar de verschillen met Scorel’s stijl lijken ons groot.

Voor de Utrechtsche verzameling belangrijk is een altaarluik, doorgezaagd, zoodat twee paneelen zijn ontstaan. Bij de veiling-Stolk zijn ze, door een catalogusfout, afzonderlijk verkocht, maar ze behooren bij elkaar. Een der paneelen, met de portretten der stichters, is gekocht door den heer W. van Beuningen en aan het museum geschonken. De andere kant, een Bespotting van Christus, is in Duitsch bezit gekomen en tijdelijk in het museum geëxposeerd. Het is moeilijk uit te maken wie van dit werk de schilder is. Mogelijk hebben er ook meerderen aan gearbeid, want beide stukken vertoonen nogal verschillen. Men denkt aan Jan Mostaert en ook klinkt het vermoeden van een Westfaalschen meester niet onwaarschijnlijk. In ieder geval is hier een talent werkzaam geweest dat veel primitiever, minder cosmopolitisch was dan Scorel, wiens schilderij maar weinige jaren later kan zijn ontstaan. De [ derde blad, 2 ] schilderijen zijn o.a. daarom voor Utrecht van belang, omdat er een Stichtsche liefdesgeschiedenis aan vast zit. De stichtersfiguren zijn Lambert Snoy en Emma Pauw van Dorthuizen. Als elfjarig meisje werd Emma door een vriend van Snoy geschaakt en daar is toen veel over te doen geweest. Zelfs Karel V kwam er aan te pas. Vermoedelijk is het altaarstuk door Margaretha van Drakenburg, de moeder van Lambert Snoy, na diens dood, toen het meisje 18 jaar was, als boeteteeken geschonken aan de kerk van Calcar, waar zij heeft gewoond. Dat is in 1529 geweest.

Er zijn verder eenige fraaie oude stillevens aangeworven, van Roelant Savery, Abraham Mignon, Michiel Simon en Abraham Bosschaert een groot landschap van Jan Both en een Doornenkroning van Theodoor van Baburen, welke laatste afkomstig is uit en in bruikleen gegeven door het Franciskanerklooster te Weert. Een groot schilderij van „dobbelende jongens” wordt voorts toegeschreven aan Houthorst, maar wij houden het, vooral om het type van den linkschen knaap en om het frappante coloriet voor een Ter Brugghen.

Een belangrijk hoofdstuk uit de hedendaagsche kunstnijverheid en klein plastiek wordt vertegenwoordigd door een fraaie collectie aardewerk van dr. J. Mendes da Costa, die haar aan het museum ten geschenke gaf. Zij was het bezit van Mevr. J. Mendes da Costa—Jessurun de Mesquita. De edele fantasie van dit werk is opmerkelijk.

Vooral het zieke aapje, de joodsche vrouwtjes en de groep joodsche meisjes met witte schorten munten uit.