De Maasgouw/Jaargang 2/Nummer 62/De verdeeling van het Overkwartier van Gelderland, ten gevolge van den Utrechtsche Vrede en van het Barrière traktaat

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
De verdeeling van het Overkwartier van Gelderland, ten gevolge van den Utrechtsche Vrede en van het Barrière traktaat
Auteur(s) J.B. Sivré
Datum 3 maart 1880
Titel De verdeeling van het Overkwartier van Gelderland, ten gevolge van den Utrechtsche Vrede en van het Barrière traktaat
Tijdschrift De Maasgouw
Jg, nr, pg 2, 62, 241-242
Brontaal Nederlands
Bron tijdschriften.delpher.nl
Auteursrecht Publiek domein

[241]


[...]


De verdeeling van het Overkwartier van Gelderland, ten gevolge van den Utrechtsche Vrede en van het Barrière traktaat.

      Nadat echter op 17 April 1710 keizer Jozef I, zonder mannelijke nakomelingen overleden was en zijn broeder Karel, de pretendent der Spaansche kroon, hem opvolgde, verkreeg de loop der zaken eene geheel andere gedaante, want thans stond het te vrezen dat de kroonen van Duitschland en Spanje op één hoofd zouden vereenigd worden, hetgeen voor het evenwigt van Europa niet wenschelijk toescheen. Eene toenadering greep weldra plaats tusschen Frankrijk en Engeland, en de laatste mogendheid verliet openlijk het verbond, toen Filips er in bewilligd had, om, indien hij Spanje en de Indiën konde behouden, voor altijd afstand van den franschen troon te doen. Dit was oorzaak dat de Staten en de overige bondgenooten, behalve den keizer, genoodzaakt waren, den vrede te sluiten, die dan ook den llden April 1713 te Utrecht tot stand kwam.
      Volgens dit vredesverdrag zou Filips in het bezit van Spanje en de Indiën blijven, onder voorwaarde van de Spaansche kroon nimmer met die van Frankrijk te vereenigen; Frankrijk zou de Spaansche Nederlanden ten behoeve van Oostenrijk overdragen aan de Staten der Vereenigde Provinciën, die haar zóó lang in bezit zouden houden tot dat zij zich met den keizer zouden verstaan hebben aangaande het oprigten van een voormuur langs de fransche grenzen, ten einde de heerschzuchtige bedoelingen van Frankrijk te beteugelen. Tevens werden Gelder, Stralen, Wachtendonk , Middelaar, Walbeek, Arcen, Afferden, Well, Raij en klein Kevelaar, voorts het ambt Kriekenbeek en het land van Kessel, met alle daartoe behoorende landen, Erkelens uitgezonderd (1), in vollen eigendom aan den koning van Pruissen afgestaan.
      Nadat in 1714 te Rastadt de vrede insgelijks tusschen den keizer van Oostenrijk en den koning van Frankrijk, op de voorwaarden door het Utrechtsche verdrag bepaald, tot stand gekomen was, werden er te Antwerpen tusschen den keizer en de Vereenigde Provinciën onderhandelingen geopend, die, na lang gerekt te zijn, eindelijk op den 15den November 1715 het zoogenaamde Barrière traktaat te weeg bragten, waarbij aan de Staten vergund werd om in verscheidene sterke grenssteden der Oostenrijksche Nederlanden, zooals België thans genoemd werd, bezetting te leggen; ook deed de keizer te hunnen behoeve afstand van de stad Venlo en het daartoe behoorende fort St. Michiel, van het fort Stevensweert en van het ambt Montfort, bestaande — met uitzondering der dorpen Swalmen en Elmpt, die hij zich voorbehield — uit de kleine steden Echt en Nieuwstadt en de dorpen Ohe en Laak, Roosteren, Bracht, Besel, Belfeld, Vlodorp, Posterholt, St. Odiliënberg, Linne en Montfort; welk grondgebied door de Staten bij de generaliteits landen gevoegd werd.
      In Februarij 1716 aanvaardde Karei VI het bestuur van België, terwijl ook onmiddelijk daarna het nog overgeblevene gedeelte van het, door de beide vermelde verdragen, zoo deerlijk verbrokkelde Overkwartier namens hem in bezit genomen werd (2). Reeds op 18 Januarij was tot de overgave daarvan door de Staten het volgende besluit uitgevaardigd:
      «De Staeten Generaal der Vereenigde Nederlanden, allen dengheenen, die desen sullen sien, saluyt. Alsoo onse intentie is, volcoemen te voldoen aen het tractaet tusschen syne keys. ende Cath. mat, sijne mat van Groot Brittaniën ende Ons den 15 November te Antwerpen geslooten ende vervolgens aen hooghgedachte syne keys. ende Cath. mat over te geven de stad van Ruremonde met dat gedeelte van het Overquartier van Gelderlandt, waervan wij tegenwoordigh in possessie sijn, vuytgesondert de stadt van Venlo mit syne banlieu ende het fort St. Michel, alsmede het fort Stevensweert, mit sijn territoir ofte banlieu ende het terrain noodigh tot vermeerderinghe van de fortificatie wercken aen de oversijde van de Maese, de Ammanie van Montfort, bestaende (daarvan geexcipieert sijnde de dorpen Swalmen ende Elmpt, die aen sijne keys. mat blijven) in de kleine steden van Nieuwstadt ende Echt ende in de volgende dorpen, Ohe en Laak, Roosteren, Bracht, Besel, Belfelt, Vlodrop, Postert, Berg, Lin ende Montfort, welcke aen ons syn gecedeert, soo ist dat wij hiermede de possessie van de voorss. stadt Ruremonde ende van het voorss. gedeelte van het Overquartier van Gelderlandt, waervan wij in possessie sijn, vuytgescheyden de plaetsen aen ons gecedeert, verlaetende ende die overgevende aen sijne keys. ende Cath. mat, alle de Raeden, Magistraeten, Officianten ende bedienden van de voorss. stadt Ruremonde ende het gemelte gedeelte van het Overquartier waervan wij tot noch toe in possessie sijn geweest, met vuytsonderinghe als vooren, ontslaen van den eedt aen ons gedaen, om overtegaen in die van sijne keys. ende Cath. mat als derselver wettigen souverain. Gedaen in den Haeghe onder het cachet van don Staeth, de paraphure van den heere presideerende in onse vergaederinghe, ende de signature van onsen griffier op den 18 Januarij 1716.

geparapheert. W. van den DOES, Vt.

get.' F. FAGEL.

      Daarna had de vermelde inbezitneming plaats, waarvan wij het relaas, zooals het in de Roermondsche protocolboeken staat opgeteekend, hier laten volgen:
      «Dyenvolgens is den 27sten Februarij alhier gearriveert


      (1) Het hier uitgezonderde Erkelens was reeds, bij een verdrag op 29 December 1711 te Frankfort gesloten, door keizer Karel VI aan den Palatijnschen keurvorst afgestaan.
      (2) De hoofdstad Roermond en de vier dorpen Swalmen, Elmpt, Cruchten en Wegberg waren alleen overgebleven.


[242]


– 242 –


den heere overste vryheere van Daelberg onsen eersten keyserl. Commandant, ende is den volgenden dag daernaer gevolgd een bataillon van t’ regiment van sijne hoogfurstl. Durchl. den groot Duijtsmeester, welek bataillon omtrent den middagh sigh alhier heeft gerangeert op den merckt ende naer eenige ceremoniën tusschen de militairen gepleegt, possessiegenomen van de hoofftwacht, daernaer van de brughpoorte ende andere posten door het hollandsch garnizoen beseth, ’t welck bestonde in twee regimenten te voet, het eene van den overste Wichers als commandant deser stadt ende dat van Rechteren, waervan het eerste des volgenden daghs is vertrocken naer Stevensweert en het andere naer Venlo, welcke steden door sijne keys. ende Cath. mat neffens het ampt van Montfort aen den staeth volgens het traetaet van Barière in eigendom sijn gecedeert.
      Den 1 Martij 1716 is omtrent den middagh binnen dese stadt gearriveert sijne excellentie den heere grave van Maldeghem als keyserl. commissaris gezonden van sijne Excellentie den heere grave van Kinigsegg, plenipotentiaris van sijne allerhoogst gemelde mat ende gouverneur par interim der Oostenrijksche Nederlanden, vergezelschapt van den heere de Nicolart, auditeur generael, aen dewelcke de magistraet is tegengegaen tot aen de buytenwachte van de brughpoorte alhier, ende aldaer deselve heeren gecomplimenteert ende verwillecompt, ende naer dat syne welgemelte excellentie sijne intrede in dese stadt hadde gedaen, heeft het garnisoen op de merckt gerangeert een drijmaelige salve gedaen van haere mousqueterie, ende is daernaer deselve gecomplimenteert door de H. H. van den Raedt ende daernaer door de Glergé deser stadt, voirts van andere persoonen van distinctie, hebbende insgelijks de magistraet aen sijne Excellentie vereert den wijn van respect.
      Den 6 Martij 1716 heeft de magistraet in corpore den eedt van getrouwicheit affgelegt aen sijne welgemelte excellentie, wije oock den heere scholtis separaet, naer dat deselve sijne excellentie de voorss. magistraet in ’t generael ende particulier hadde afgevraegt off deselve alle waeren van de Roomsche Katholijcke Religie, waerop eensamentlijck wierde geantwoordt van Jae.
      Den 13den Martij heeft de magistraet op den raedlhuyse getracteert sijne excellentie neffens eenige officieren van ’t garnisoen ende andere heeren meer, geduerende welck festin aldaar gedroncken wierden de gesondheyden van sijne keyserl. ende Cath. Mat, onsen nieuwen souverain, van haere mat de regerende keyserin Elisabeth Christina, van haer gelukkig groot gaen, de prosperiteit van de keyserl. waepenen, Sijne Exctie den heere grave van Kinigsegg, ende meer andere generaels, waernaer sich den meergemelten heer grave van Maldeghem ’savonds begeven heeft naer ’t opperste balcon van ’t stadthuys ende van daer, onder het drincken op de gesontheyt van haere allerhoogst gemelte majesteyten ende roepen Vivat den keyser onder het branden van veele peck- ende teertonnen ende illumineeren der borgershuysen, een goedt deel geldts vuytgeworpen onder eene groote menichte van volck, waerover van alle kanten groote acclamatien geschiedden, waarmede dit festin geeyndigt sijnde is den meergemelten heer grave van Maldeghem den 17 Meert wederom vertrokken naer Brussel”.

J. B. Sivré.