De Tijd/Jaargang 92/Nummer 29102/Avondblad/De Nobelprijs
| ‘De Nobelprijs voor natuur- en scheikunde’ door een anonieme schrijver |
| Afkomstig uit De Tijd, woensdag 18 november 1936, Avondblad, [p. 5]. Publiek domein. |

| Prof. Dr. Peter Debye, directeur van het Kaiser Wilhelm Institut für Physik te Berlijn, won den Nobelprijs voor chemie |
De Nobelprijs
VOOR NATUUR- EN SCHEIKUNDE
Als mijlpalen, die den weg markeeren waarlangs de wetenschap voortschrijdt zijn de namen der Nobelprijswinnaars tevens getuigen van het diepste wezen van onze cultuur. Daartoe behoort de waardeering der natuurwetenschappen als uitdrukking van den wil de wereld door verstandelijk kennen aan den mensch te onderwerpen. Hier is het ideaal van ’n werkelijken vooruitgang in den loop der jaren tastbaar verwezenlijkt en voeren ervaring en denken niet alleen tot een grooter kennisbezit, maar tot een dieper indringen in de geheimen van wat ons als stoffelijk verschijnsel in ruimte en tijd tegemoet treedt. Wat eenmaal huiveringwekkend raadsel was voor den alchemist der middeleeuwen, voor den astroloog van het Oosten en voor den Griekschen wijsgeer schijnt zijn oplossing te benaderen.
Dit jaar is het prof. Peter Debije, die voor de chemie en de geleerden prof. Victor Hess en prof. David Anderson die voor de natuurkunde uitverkoren werden. In de toekenning van den Nobelprijs eert men in deze mannen hun genialen arbeid en demonstreert men het verst voortgeschreden punt in den vooruitgang van de menschelijke kennis. De wetenschap is internationaal zooals alle groote cultuurgoederen het zijn en juist de moderne physica, astronomie en chemie hebben getoond hoezeer samenwerking en arbeidsverdeeling over de geheele wereld noodig zijn om den vooruitgang te verzekeren. In dezen donkeren tijd van opstand der lagere levensdriften tegen de zuiverheid van den geest is het een troost en een bemoediging, dat eerlijke en belangelooze dienst aan een gemeenschappelijke taak geleerden van alle naties en rassen vereenigd houdt. In de vreugde om het jaarlijksch eerbewijs aan de geleerden gebracht staat dan ook het gevoel van nationalen trots op den achtergrond. Maar toch — ook dit heeft een goed recht. Ieder mensch is immers ook een lid van de volksgemeenschap, waarin hij geboren werd en die door hare historie, haar beschavingspeil, maar bovenal door hare zedelijke beginselen zijn persoonlijke ontwikkeling de mogelijkheden bereidde.
Peter J. W. Debye is Nederlander. Hij werd in 1884 te Maastricht in een R.K. eenvoudig gezin geboren. Als bij zoovele groote geleerden werd de eerste ontwikkeling van den van God gegeven aanleg in goede banen geleid door de degelijkheid van zijn milieu en de liefde en zorg van ouders en vrienden.
Helderheid van verstand verzekert nog niet een succesvolle geleerdenloopbaan. Het denken behoeft de stuwkracht der liefde tot werkelijkheid en waarheid, de geest de bescherming der nederigheid en eenvoud en de persoonlijkheid de kinderlijke zonnigheid en onbezorgdheid om een verdienstelijk talent tot een vruchtbaar genie te vormen.
Debye bezocht de H.B.S. in Maastricht, deed in 1901 eindexamen, studeerde in Aken aan de technische hoogeschool, waar hij reeds in 1905 het ingenieursdiploma verwierf. Dan gaat het snel voorwaarts. Na zijn knappe promotie in München, zien wij Debye in 1910 aldaar als lector en het volgend jaar in Zürich als buitengewoon hoogleeraar de natuurkunde doceeren. In 1912, op 28-jarigen leeftijd, wordt hij te Utrecht tot hoogleeraar benoemd en wie het annuarium der R.K. studenten van 1914 opslaat vindt daar de bewondering en genegenheid van zijn leerlingen voor den vrlendelijken geleerde uitgedrukt.
Debye’s taak is echter niet aan Nederland gebonden. Nog in 1914 gaat hij naar Göttingen, het centrum van wiskundig en natuurkundig denken; in 1919 is hij in Zürich als hoogleeraar terug en dan later in Berlijn waar hij thans aan het Kaiser Wilhelminstitut für Physik een vrije werkplaats bezit.
Toen in October 1935 prof. Kramers aan Debye de Lorentzmedaille in de Koninklike Academie voor Wetenschappen uitreikte werd uitvoerig de verdienste van het werk van dezen physicus geschetst. Uit deze schets bleek hoe veelzijdig de arbeid van Debye geweest is, maar ook hoe daarin experimenteele vindingrijkheid en theoretische doordenking vereenigd waren.
Een eigen weg is deze geleerde gegaan, onafhankelijk en blijvend gericht op een verdieping van de kennis der moleculen, waaruit de materie is opgebouwd.
Zijn proefnemingen over de buiging van het licht, de electrische geleiding in vloeistoffen, de interferentieverschijnselen bij den doorgang van Röntgenstralen door vloeistoffen en gassen, zijn theorieën over de soortelijke warmte, de structuur van vloeistoffen, sterke electrolieten hebben de scheikunde in geheel nieuwe banen geleid.
De scheikunde, de wetenschap der eigenschappen en gedragingen der verschillende stoffen was oorspronkelijk een zuivere ervaringskennis. Reeds kwam er logische orde in deze kennis door de ontdekking van het systeem der elementen, de leer der valenties enz., maar sinds onzen landgenoot van ’t Hoff in 1901 de Nobelprijs voor chemie werd toegekend is deze wetenschap steeds meer met de physica verbonden. Zoo verstaat men, dat de physicus Debye thans 35 jaar later geëerd wordt als de meest verdienstelijke geleerde voor de scheikunde, omdat hij door zijn natuurkundigen arbeid het inzicht in den bouw der moleculen heeft verdiept en daarmede de grondbeginselen voor de scheikunde hechter heeft gemaakt.
Debye heeft in alle deelen van de wereld tezamen met andere geleerden gewerkt. Zijn invloed is veelzijdig ook op gebieden waarop hij zelf niet experimenteerde. Het meest bekende voorbeeld is wel zijn in 1926 theoretisch afgeleide methode om door middel van het ontmagnetiseeren van paramagnetische zouten dichter bij het absolute nulpunt te geraken.
Deze methode werd in het koude laboratorium te Leiden met succes toegepast, waardoor prof. de Haas in 1935 een temperatuur van 0,0047 graden absoluut kon bereiken. Zoo werden door Debye’s onderzoekingen vele nieuwe vraagstellingen mogelijk. Een populair artikel van zijn hand in de Umschau van Januari 1936 verschenen besluit Debye aldus: „Alleen reeds het feit, dat nieuwe vragen nu mogelijk geworden zijn, is van groote beteekenis en ook de buitenstaander zal de voldoening en vreugde van den natuurkundige kunnen meevoelen, voor wie zich wederom nieuwe jachtvelden ontsloten hebben.”
Inderdaad het werk van Debye is een jacht naar het edelste, wat de geest najagen kan, namelijk naar de waarheid.
Debye werd onlangs door den Paus tot lid van de nieuwe Pauselijke Academie der Wetenschappen benoemd. Voor dezen geleerde geldt wel in het bijzonder wat de Paus in Zijn Motu proprio schreef: „Wij hopen derhalve en wenschen vurig, dat de Academici Pontifici door middel van hun en Ons Instituut, altijd meer en altijd beter de wetenschappen zullen bevorderen. Iets anders vragen wij niet, want in de vervulling van die edelste taak bestaat de dienst, dien Wij ten gunste van de Waarheid van hen verwachten.”
Nadat wij uitvoeriger stilstonden bij den persoon en het werk van onzen katholieken landgenoot, moge thans onze aandacht tot de Nobelprijswinnaars voor de natuurkunde uitgaan.
Ook hun arbeid bracht de kennis der stof een groote schrede voorwaarts en opent nieuwe perspectieven.
Prof. Victor Hess is Oostenrijker, in 1883 geboren en thans hoogleeraar te Innsbruck en directeur van het instituut voor stralenstudie. Hij was het die in 1912 door metingen in een ballon op 5,3 K.M. hoogte vaststelde, dat van uit het heelal stralen in onze atmospheer doordringen en aan een aantal luchtmoleculen een electrische lading (ionen) geven. Hess is dus de ontdekker van de cosmische stralen en zijn onderzoekingen evenals die van anderen hebben aangetoond, dat deze stralen wel van een zelfde soort zijn als die door de radio-actieve stoffen uitgezonden, maar o.a. hierin ervan verschillen, dat zij een veel grooter doordringingsvermogen bezitten. De radiumstralen worden door 10—15 c.M. dikke loodlagen tegengehouden, de cosmische stralen dringen nog door 50 meter lood heen. Deze stralen bestaan niet uit golven, maar uit electrische deeltjes, die met een snelheid bijna gelijk aan die van het licht zich voortbewegen. Deze deeltjes bezitten door hun snelheid een enorme energie. Als maat hiervoor neemt men de spanning in volts, die aan het deeltje een gelijke snelheid zou geven. In deze maat uitgedrukt zijn er deeltjes, die 18 milliard volt energie bezitten. Een groote vooruitgang in de bestudeering der cosmische stralen werd gegeven door de z.g. Wilsonkamer. In deze kamer kan men n.l. de baan der electrisch geladen deeltjes zichtbaar maken, doordat men de ionen, welke door de cosmische straling-deeltjes ontstaan, als condensatiekernen in een oververzadigde waterdamp gebruikt. Door photographie van deze waterdruppeltjes ziet men als een nevelstreep het spoor van de baan, die het stralingspartikel beschreef. Een geladen deeltje wordt nu door een magneet uit zijn baan getrokken, en uit de kromming van de nevellijnen in de Wilsonkamer kon men de snelheid en lading van het partikel bepalen.
Het is nu de verdienste van den tweeden Nobelprijswinnaar voor de natuurkunde in dit jaar, n.l. C. D. Anderson geweest, door proefnemingen met de Wilsonkamer het bestaan van positief geladen electronen in de cosmische stralen te hebben aangetoond.
Tot voor 1932 kende men als oer-bestanddeelen van de atomen (de kleinste deeltjes der elementen) het negatief geladen „electron” en het positief geladen „proton”. Dit laatste vormt de kern van het atoom en is 1800 maal grooter dan het electron. Het electron is dus het kleinst bekende deeltje. Uit de richting van de baankromming in de nevelkamer van Wilson had men nu gevonden, dat in de cosmische stralen ook positieve deeltjes voorkomen.
Door Anderson, die in Pasadena (Californië) werkte werd in de Wilson-kamer een loodplaat gebracht. De deeltjes sloegen hier doorheen en verloren daardoor aan bewegingsenergie. Door de vermindering in snelheid werd dan de kromming van de baan in het magnetisch veld sterker. Uit de waarnemingen bleek nu, dat deze positief geladen deeltjes niet protonen konden zijn en zoo kon Anderson het zekere bewijs leveren, dat er behalve (negatieve) electronen en protonen nog een andere bouwsteen der materie bestond. Deze bouwsteen werd het „positron” genoemd.
Deze belangrijke ontdekking is het uitgangspunt geweest voor onderzoekingen over de transformatie van electromagnetische golven in materieele deeltjes (electronen) en omgekeerd. Men noemt dit thans materialisatie en dematerialisatie van stralingsenergie.
Het is uit den aard der zaak natuurlijk niet mogelijk in een kort bestek den omvang en diepte, den historischen samenhang en het toekomstperspectief der ontdekkingen en theoretische beschouwingen van de Nobelprijswinnaars Debye, Hess en Anderson te schetsen.
De buitenstaander beschouwt den gang der wetenschap als een beweging in een bepaalde richting en ziet hoe natuur- en scheikunde steeds weer in het wezen der stoffelijke verschijnselen doordringen.
Naarmate daarbij zich het inzicht verdiept, verdwijnen vroegere opvattingen en problemen. De groote verandering in het physische wereldbeeld heeft dan ook op het wijsgeerig denken van onzen tijd belangrijken invloed uitgeoefend.
Overige vindplaatsen
[bewerken]- Anoniem (19 november 1936) ‘De Nobelprijs voor natuur- en scheikunde’, Nieuwe Haarlemsche Courant, [p. 4].