De West-Indiër/1867/Nummer 21/Een schrijven uit Shanghai
| ‘Een schrijven uit Shanghai van 27 Nov., van iemand die de expeditie in Corea heeft bijgewoond, behelst het volgende. […]’ door een anonieme schrijver |
| Afkomstig uit De West-Indiër, woensdag 13 maart 1867, [p. 1]. Publiek domein. |
[ 1 ]Een schrijven uit Shanghai van 27 Nov., van iemand die de expeditie in Corea heeft bijgewoond, behelst het volgende.
»Wij hebben Corea ontruimd, tot groot leedwezen van alle officieren, want de omstandigheden die er toe geleid hebben, zijn niet van dien aard, dat zij een zoo overhaast vertrek regtvaardigen. Den 26 Okt. werden 60 man op verkenning gezonden aan de overzijde der rivier, op den weg naar Sioul. Het dorp dat dien weg bestreek, was verstrekt en met gewapenden bezet. Men telde echter de Coreanen zoo weinig dat men het niet noodig achtte het verslag van de verspieders aan den officier van het detachement mede te deelen. Naauwelijks waren de booten tegenover den versterkten ingang die den weg bestreek, of de Coreanen, die zich tot dusver schuil gehouden hadden, deden hun voordeel met het oponthoud door de ontscheping te weeg gebragt schoten allen te gelijk op de onzen, en kwetsen twee man en doodden er drie. Eenmaal aan land zijnde, namen onze soldaten de positie en doodden 25 vijanden, de overigen vlugtten met verbazende snelheid op de steile bergen nabij het dorp. Eenige dagen later leden wij op gelijke wijze een nederlaag, en, wat niemand begreep, trachtten niet haar goed te maken. Daar onze verspieders hadden berigt, dat een aanzienlijke magt op het eiland trachtte te komen, verbrandden wij alle jonken, die op de beide rivierarmen, welke Kang hoa vormen, te vinden waren, lieten de kruidmagazijnen, waarvan een 30.000 pond kruid bevatte, springen. Op zekeren dag vernamen wij echter, dat in het zuidoosten van het eiland een groote verstetkte pagode was, bezet door een groot aantal manschappen. Men besloot tot een aanval en maakte een expeditie van 160 man gereed, aan welke de admiraal echter geen geschut wilde mee geven. De stelling is door sterke muren verbonden aan de kruinen van vijf steile heuvels van 100 tot 300 meters hoog. De manschappen posteerden zich op den regter flank, veertig passen van den muur, zonder de voorzorg te gebruiken van eenige manschappen op verkenning uit te zenden. Zoodra onze soldaten digt genoeg genaderd waren, schoten de Coreanen allen te gelijk, tengevolge waarvan 33 man gekwetst werden. De anderen wilden geen stand houden en slechts met veel moeite gelukte het den officieren, van welke vijf gewond waren, er genoeg te verzamelen om een tiraljeurkorps te vormen tot dekking van den aftogt. De kolonne moest dus aftrekken en zes uren met de gekwetsen marcheren. Gelukkig dat de Coreanen hun stelling niet durfden verlaten om partij te trekken van de steilten en engten op onzen weg. Den volgenden morgen werd ons materieel ingescheept, de stad Kanghoa verbrand en in den nacht tusschen 10 en 11 gingen wij, na al onze vuren te hebben uitgedoofd, scheep om de rivier af te zakken. Gedurende dien togt hadden wij een geweervuur te verduren, dat echter gelukkig niemand kwetste. Den volgenden dag las men met verbazing een dagorder waarin op den behaalden roem gewezen en gezegd werd, dat de expeditie van Corea een gedenkwaardige plaats zou innemen in de militaire jaarboeken. Den avond van dien dag kwamen zes ongelukkige coreaansche christenen aan boord, die den admiraal verhaalden, dat alle christenen in hun dorp, hun vrouwen en kinderen vermoord worden. Dat is zeker een jammerlijk resultaat van onze expeditie.”
